ECLI:NL:PHR:2023:207

ECLI:NL:PHR:2023:207, Parket bij de Hoge Raad, 21-02-2023, 22/00048

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 21-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/00048
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:526
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Ontbrekende aanvulling met bewijsmiddelen. Hof heeft vonnis van de rechtbank gedeeltelijk bevestigd en daarbij over het hoofd gezien dat er geen aanvulling met bewijsmiddelen is opgemaakt. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2021:235 en ECLI:NL:HR:2022:915 concludeert de AG dat geen acht kan worden geslagen op de alsnog door het hof opgemaakte aanvulling. De AG adviseert de Hoge Raad de bestreden uitspraak te vernietigen en terug te wijzen.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00048

Zitting 21 februari 2023

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte

“op 30 juni 2018 te Amsterdam, omstreeks 00:19 een windscherm, dat aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken, door zich los te trekken en met zijn arm tegen het gezicht van [benadeelde] te zwaaien”

5. Het door het hof gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank betreft een zogenoemd verkort vonnis. Kennelijk ontbrak daarbij de aanvulling inhoudende de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Om die reden, zo valt in het middel te lezen, heeft de verdediging de Hoge Raad verzocht het dossier met die aanvulling te completeren. Ik meen dat het niet nodig is om het vervolg in het middel en de toelichting daarop hier weer te geven – het middel slaagt mijns inziens – en dat ik mij al direct kan concentreren op de stukken van het geding voor zover deze in cassatie voorhanden zijn. Uit deze gedingstukken blijkt namelijk het volgende.

6. Overeenkomstig het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden hebben de stellers van het middel tijdig de rolraadsheer verzocht om toezending van de (aanvulling inhoudende) de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen. Naar aanleiding van dit verzoek is namens de griffier van de Hoge Raad op 17 mei 2022 door een medewerker dossierbehandeling een schrijven aan het hof verzonden met de volgende inhoud:

“In de cassatieprocedure heeft de advocaat van de verdachte de volgende stukken opgevraagd:- de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Hetgeen door de advocaat is opgevraagd maakt echter geen deel uit van het dossier dat op grond van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad is toegezonden.

Gelet op de in cassatieprocedure lopende termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie, verzoek ik u om het opgevraagde uiterlijk binnen twee weken na dagtekening van deze brief te doen toekomen aan de strafadministratie van de Hoge Raad, ter attentie van ondergetekende.

Wanneer een opgevraagd stuk niet kan worden aangeleverd omdat:

1. het stuk niet is opgemaakt of in het ongerede is geraakt;

2. het stuk nooit deel heeft uitgemaakt van het dossier;

3. anders, namelijk …,

dan verzoek ik u mij dit zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen in een brief die ondertekend is door de voorzitter en/of de behandelend griffier van de betrokken strafkamer. Deze brief zal worden toegevoegd aan het dossier en kan in de cassatieprocedure aan de betrokken advocaten of andere procespartijen worden verstrekt.

Graag maak ik u erop attent dat niet wordt verzocht om een stuk alsnog (of opnieuw) op te maken.

In het geval het gaat om een ontbrekende pleitnota is het niet de bedoeling dat deze bij de advocaat wordt opgevraagd. Het moet immers gaan om het stuk dat ter terechtzitting is overlegd.”

7. In reactie op dit schrijven heeft de griffier van het hof in een brief van 3 juni 2022 het volgende meegedeeld:

“Het hof heeft de brief van […], medewerker dossierbehandeling bij de Hoge Raad, van 17 mei 2022 ontvangen. Daarin is - op verzoek van de verdediging in bovenvermelde zaak - de aanvulling van het verkorte vonnis van de rechtbank opgevraagd. Dit stuk is echter niet opgemaakt door de rechtbank.

De verdachte heeft de hem tenlastegelegde feiten waarvoor hij door de rechtbank is veroordeeld bekend, met uitzondering van het geweld in de zaak met parketnummer 13-702060-18. Ter terechtzitting in hoger beroep is die grief van de verdachte aan de hand van de inhoud van het dossier met hem besproken. Dat een aanvulling op het verkorte vonnis ontbrak, is bij de bevestiging van het vonnis als gevolg van een vergissing over het hoofd gezien. Ter herstel van die vergissing strekt de bij deze brief gevoegde aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen waarop het hof zijn oordeel heeft gegrond.”

8. Het komt mij voor dat op deze alsnog door het hof opgemaakte aanvulling met bewijsmiddelen thans in cassatie geen acht kan worden geslagen. Ik verwijs daarvoor naar HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, NJ 2021/83. Zo heeft de Hoge Raad in dit arrest overwogen:

“2.5 Naar aanleiding van de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal verdient opmerking dat de in artikel 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgenomen bevoegdheid van de Hoge Raad om inlichtingen die voor de behandeling van een zaak noodzakelijk worden geacht, in te winnen bij onder meer de gerechtshoven kan worden benut om na te gaan of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het gerechtshof bevinden. Die bevoegdheid strekt er echter niet toe het gerechtshof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen.”

9. Nu het er in cassatie voor moet worden gehouden dat de aanvulling inhoudende de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen ontbreekt, is ’s hofs bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

10. Dit brengt mee dat het middel reeds in zoverre slaagt en voor het overige geen bespreking behoeft.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?