Nummer22/03047
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 augustus 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen van strafbare feiten", veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en een vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
Het middel heeft betrekking op het onder 2 bewezenverklaarde feit en valt uiteen in twee deelklachten. Beide deelklachten hebben betrekking op (de bewijsvoering van) het bestanddeel “krachtens enig wettelijk voorschrift”.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de in de tenlastelegging voorkomende term “krachtens enig wettelijk voorschrift”, omdat (1) het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een bevel tot medewerking aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv rechtsgeldig is als aan dat bevel geen resultaten van een onderzoek als bedoeld in art. 55d lid 1 Sv ten grondslag hebben gelegen en (2) de door het hof vastgestelde aanwijzingen voor het middelengebruik onvoldoende zijn voor het vermoeden dat de verdachte alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde als bedoeld in art. 55d lid 4 Sv.
De tweede deelklacht hangt samen met de eerste deelklacht en houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring nu daaruit niet kan volgen dat het bevel tot het verlenen van medewerking aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht (rechtsgeldig) “krachtens enig wettelijk voorschrift” is gegeven. Aangevoerd wordt dat uit ’s hofs bewijsvoering meer in het bijzonder niet kan volgen dat ten aanzien van de verdachte ofwel bij een onderzoek als bedoeld in art. 55d lid 1 onder a Sv ofwel op andere wijze het vermoeden bestond dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde, bedoeld in artikel 55d lid 4 Sv.
De deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Voordat ik dat doe, geef ik eerst de bewezenverklaring, een deel van de bewijsmiddelen en het relevante juridisch kader weer.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 27 juli 2019 te Rotterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [verbalisant] , hoofdagent van politie eenheid Rotterdam, belast met het opsporen van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.”
Deze bewezenverklaring berust onder andere op het volgende bewijsmiddel:
“Een proces-verbaal gebruik middelen bij geweldsdelicten d.d. 27 juli 2019 van de politie, eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019224849-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 68 e.v.):
als relaas van opsporingsambtenaar [verbalisant] :
Ik, verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid. Rotterdam, verklaar het volgende:
Op 27 juli 2019 om 04:43 uur werd een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van middelen, ingevolge artikel 55d lid 1 Sv (Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers) ten tijde van het plegen van poging tot doodslag/moord door de verdachte.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1989
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
De verdachte werd op zaterdag 27 juli 2019 om 04:01 uur aangehouden voor genoemd feit.
Aanwijzingen middelengebruik
Ik zag dat: hij rood doorlopen ogen had, smakkende geluiden maakte, met dubbele tong sprak, zijn adem naar alcohol rook.
Onderzoek uitgeademde lucht
Op 27 juli 2019 om 04:57 uur heb ik de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 55e lid 1 Sv. De verdachte weigerde mee te werken aan het onderzoek uitgeademde lucht. De weigering bleek uit: ik hoorde dat de verdachte zei dat hij niet mee zou werken aan de ademtest.”.
Juridisch kader
Bij de beoordeling van het middel stel ik vast voorop dat van een “krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel” als bedoeld in art. 184 Sr alleen sprake kan zijn als dit bevel is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid. En dat bij een strafrechtelijke vervolging van art. 184 Sr de rechter dient te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven, alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het middel betwist niet dat art. 55e lid 1 Sv verbindend is, maar wel dat het bevel om mee te werken aan het ademonderzoek rechtmatig is gegeven.
Op 1 januari 2017 is de Wet middelenonderzoek bij geweldsplegers in werking getreden. Deze wet heeft (onder meer) tot doel om te bevorderen dat middelengebruik als een afzonderlijke factor in de sanctieoplegging bij geweldsmisdrijven wordt betrokken en introduceert een bevoegdheid op grond waarvan bij geweldsdelicten testen kunnen worden ingezet waarmee eventueel middelengebruik objectief kan worden vastgesteld. De medewerking aan de middelentest is verplicht en het niet opvolgen van een bevoegd gegeven bevel tot medewerking aan een ademonderzoek is strafbaar op grond van art. 184 Sr.
Met de invoering van de Wet middelenonderzoek bij geweldsplegers zijn twee artikelen, namelijk art. 55d en art. 55e, in het Wetboek van Strafvordering gevoegd. Artikel 55d Sv luidt - voor zover van belang -:
“1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 141, onder a tot en met c, kunnen in het belang van het onderzoek bevelen dat een aangehouden verdachte van een geweldsmisdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen of een aangehouden verdachte van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 307, eerste lid, en 308, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, medewerking verleent aan:
a. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol;
(…)
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen gegeven indien uit aanwijzingen blijkt dat de verdachte het geweldsmisdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder invloed van alcohol of andere middelen als bedoeld in het vierde lid heeft gepleegd.
(…)
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden de andere middelen dan alcohol aangewezen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden en de grenswaarden voor die middelen en alcohol vastgesteld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid.”
Artikel 55e Sv luidt – voor zover van belang-:
“1. Indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder a, ten aanzien van de verdachte bij wie dat onderzoek is uitgevoerd, het vermoeden bestaat dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde, bedoeld in artikel 55d, vierde lid, of op andere wijze dat vermoeden ten aanzien van hem is ontstaan, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen medewerking te verlenen aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht.
(…)
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste en derde lid, en het tegenonderzoek.”
Het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers bevat regels die tot uitwerking dienen van deze twee artikelen in het Wetboek van Strafvordering. Dit besluit houdt voor zover van belang in:
“Artikel 4
1. De grenswaarde voor alcohol is een alcoholpromillage van 350 microgram ethanol per liter uitgeademde lucht of van 0,8 milligram ethanol per milliliter bloed.
(…)
Artikel 5
1. Een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering geschiedt door de verdachte in een voor het onderzoek bestemde ademtester die bij ministeriële regeling is aangewezen, ademlucht te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen.
(…)
Artikel 7
1. Een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties als bedoeld in artikel 55d, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering is gericht op het vaststellen van de bij ministeriële regeling aangewezen uiterlijke kenmerken.
2. Het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties wordt verricht door een opsporingsambtenaar.
(…)
Artikel 11
1. Een nader ademonderzoek als bedoeld in artikel 55e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.
(…)”
Deze voorschriften worden nog verder uitgewerkt in de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers, die onder andere als volgt luidt:
“Artikel 2
1. Als uiterlijke kenmerken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Besluit waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties is gericht voor het verkrijgen van een vermoeden van alcoholgebruik worden aangewezen:
a.de ogen: bloeddoorlopen ogen;
b.de spraak: slecht articuleren, langzaam praten, niet goed uit de woorden kunnen komen, of met dubbele tong praten;
c.de motoriek: niet in rechte lijn kunnen lopen, zwalken of onvast op de benen staan.
(…)”
De toelichting bij de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers bevat onder andere de volgende passage:
“Artikel 2 (onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties)
Op basis van artikel 7, eerste lid, van het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers worden de uiterlijke kenmerken waarop een onderzoek van de psychomotorische functies en naar de oog- en spraakfuncties gericht is, aangewezen. Dit onderzoek mag op basis van artikel 55d, tweede lid, van de Wet middelenonderzoek bij geweldplegers alleen uitgevoerd worden indien de politie aanwijzingen heeft dat de verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van alcohol of een van de agressieverhogende drugs heeft gepleegd.
Dergelijke aanwijzingen kunnen voor alcoholgebruik bijvoorbeeld zijn het feit dat de verdachte ruikt naar alcoholhoudende drank. In het eerste lid van artikel 2 zijn de uiterlijke kenmerken aangewezen die op (overmatig) alcoholgebruik wijzen. Indien ten minste twee van de in het eerste lid opgesomde uiterlijke kenmerken met behulp van een onderzoek naar de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties zijn vastgesteld (bijvoorbeeld bloeddoorlopen ogen en slecht articuleren), is dat voldoende voor de onderbouwing van het vermoeden van alcoholgebruik door de verdachte. Voor de opsporingsambtenaar zijn deze uiterlijke kenmerken – zo blijkt uit de praktijkervaring op grond van de Wegenverkeerswet 1994 – eenvoudig en eenduidig met het blote oog vast te stellen.”
De onderhavige zaak stelt ten eerste aan de orde wat de verhouding is tussen het onderzoek van art. 55d Sv en het nadere onderzoek van art. 55e Sv, ten tweede wat het onderscheid is tussen waarnemingen doen door een opsporingsambtenaar en het geven van een bevel tot medewerking aan een onderzoek en ten derde het onderscheid tussen aanwijzingen dat een verdachte een misdrijf onder invloed van alcohol heeft gepleegd en het vermoeden dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde. Ik zal deze drie vraagpunten achtereenvolgens bepreken, waarbij ik voor de overzichtelijkheid steeds alleen zal ingaan op het onderzoek naar alcohol en niet ook het onderzoek naar andere middelen.
Uit de wettelijke regeling volgt dat een bevel om mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek of een onderzoek naar de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties (functieonderzoek) in de zin van art. 55d lid 1 Sv, kan worden gegeven indien uit aanwijzingen blijkt dat de verdachte het geweldsmisdrijf onder invloed van alcohol heeft gepleegd. Voor een bevel om mee te werken aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht in de zin van art. 55e lid 1 Sv dient het vermoeden te bestaan dat de verdachte alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde. De grenswaarde voor alcohol is bepaald op 350 microgram ethanol per liter uitgeademde lucht of 0,8 milligram ethanol per milliliter bloed.
In het oorspronkelijk wetsvoorstel sloot art. 55e lid 1 Sv de mogelijkheid uit dat op een andere manier dan door middel van een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, een vermoeden van alcoholgebruik kan ontstaan. Bij nota van wijziging is het voorgestelde artikel gewijzigd en is onder andere het voorlopig onderzoek uitgebreid met de keuze voor een functieonderzoek en daarnaast de mogelijkheid gecreëerd dat indien tegen een verdachte op een andere manier dan door een voorlopig onderzoek een vermoeden van alcoholgebruik is ontstaan, hij ter verkrijging van bewijs van dat gebruik onderworpen kan worden aan een adem- of bloedonderzoek.
De nota naar aanleiding van het verslag houdt in dat verband in:
“De leden van de CDA-fractie verzoeken in te gaan op de noodzaak van het voorlopig onderzoek als grond voor de verdenking. Een uitspraak van de Hoge Raad van 23 december 1986 (NJ 1987, 798) laat volgens hen namelijk zien dat een verdenking ook kan worden gegrond op de dranklucht die bij de bestuurder wordt geconstateerd, zonder dat het voorlopig onderzoek een belastende uitslag heeft gegeven.
De Hoge Raad heeft in het arrest waaraan de leden van de CDA-fractie refereren, geen uitspraak gedaan over de vraag of de enkele omstandigheid dat een bestuurder naar dranklucht ruikt, voldoende is voor een verdenking van rijden onder invloed. Uit het proces-verbaal uit de strafzaak waarop het arrest betrekking heeft, blijkt wel dat de opsporingsambtenaar die het proces-verbaal heeft opgemaakt, zijn verdenking heeft verkregen op basis van meer feiten en omstandigheden dan zijn constatering dat de adem van de verdachte naar alcohol rook. Hij had ook bloeddoorlopen ogen bij de verdachte waargenomen. Ook ten aanzien van een verdachte van een geweldsmisdrijf kan onder omstandigheden op die manier een vermoeden van alcoholgebruik rijzen. In dat geval moet het mogelijk zijn dat een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht achterwege blijft. Mede om die reden is in het voorgestelde artikel 55d, eerste lid, Sv het geven van een bevel tot het verlenen van medewerking aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht ook geformuleerd als een bevoegdheid van de opsporingsambtenaar en niet als een verplichting. Dat past ook bij de aard van het onderzoek. Het is een selectiemiddel dat vooraf gaat aan een adem- of bloedonderzoek dat het bewijs vormt van alcoholgebruik. Omdat het voorgestelde eerste lid van artikel 56a Sv – bij de bij deze nota gevoegde nota van wijziging wordt dit artikel, zoals eerder is uitgelegd, vernummerd tot artikel 55e Sv – de mogelijkheid uitsluit dat op een andere manier dan door middel van een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, een vermoeden van alcoholgebruik ontstaat, heb ik bij nota van wijziging erin voorzien dat indien tegen een geweldpleger op een andere manier dan door een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht een vermoeden van alcoholgebruik is ontstaan, hij ter verkrijging van bewijs van dat gebruik onderworpen kan worden aan een adem- of bloedonderzoek.”
Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat, anders dan het middel lijkt te stellen, het voor een nader onderzoek als bedoeld in art. 55e Sv niet noodzakelijk is dat eerst een onderzoek is uitgevoerd als bedoeld in art 55d Sv.
Wat het tweede door mij genoemde vraagpunt betreft, stel ik vast dat art. 55d Sv primair een wettelijke grondslag geeft voor een door een opsporingsambtenaar uit te oefenen bevelsbevoegdheid. Dit bevel strekt er dan toe dat dat de verdachte dient mee te weken aan een (voorlopig) onderzoek aan uitgeademde lucht of naar psychomotore, oog- en spraakfuncties. Een onderzoek naar uitgeademde lucht is uit de aard der zaak alleen mogelijk met medewerking van de verdachte, maar voor een functieonderzoek is dat niet het geval. De in art. 2 van de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers genoemde kenmerken, zoals bloeddoorlopen ogen, slecht articuleren en zwalkend lopen, zijn ook voor waarneming door een opsporingsambtenaar vatbaar zonder medewerking van de verdachte. Een dergelijke medewerking kán uiteraard wel worden bevolen en zou dan bijvoorbeeld kunnen inhouden dat de verdachte een stukje loopt (over een rechte lijn) of zijn ogen openhoudt voor inspectie. In veel gevallen zullen relevante kenmerken echter al kunnen worden vastgesteld zonder dat de verdachte een handeling hoeft te verrichten en zonder dat op meer rechten van de verdachte inbreuk wordt gemaakt dan al het geval is door de uitoefening van andere bevoegdheden, zoals een aanhouding of verhoor.
De vraag kan worden gesteld of de wetgever desalniettemin een dergelijk enkel waarnemen heeft willen aanmerken als een onderzoek dat door art. 55d Sv wordt gereguleerd en dus een bevel vereist en waaraan dan nadere waarborgen zijn verbonden, zoals het betrachten van transparantie door het mededelen van het bevel en de uitslag van het onderzoek. Aanwijzingen voor deze laatste visie kunnen worden gevonden in de parlementaire geschiedenis waarin vaak wordt gesproken over een ‘onderzoek’ en niet de nadruk wordt gelegd op de bevelsbevoegdheid. Daar kan echter tegenover worden gesteld dat hier steeds zal worden gedoeld op een ademonderzoek en de plicht tot medewerking van de verdachte dan verondersteld is. Het pleit lijkt mij vervolgens beslecht door de hiervoor uiteengezette opname in het wetsvoorstel van de mogelijkheid een nader onderzoek als bedoeld in art. 55e Sv uit te voeren zonder een voorafgaand onderzoek als bedoeld in art. 55d Sv, en de daarop door de minister gegeven toelichting. Daaruit volgt immers expliciet dat de enkele waarneming van kenmerken die passen bij alcoholgebruik, zonder gebruikmaking van art. 55d Sv, kunnen leiden tot een vermoeden van alcoholgebruik boven de grenswaarde.
Ten slotte kom ik bij het derde vraagpunt, namelijk de verhouding tussen aanwijzingen en vermoedens. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was voor het bevelen van medewerking aan een voorlopig onderzoek het vermoeden van alcoholgebruik de voorwaarde (destijds art. 55 lid 2 Sv) en was voor het bevelen van de medewerking aan een nader onderzoek vereist dat het voorlopig onderzoek aanwijzingen had opgeleverd voor alcoholgebruik (destijds art. 56a lid1 Sv). Bij nota van wijziging is dit omgedraaid omdat, kort gezegd, voor aanwijzingen minder redengevende omstandigheden zijn vereist dan voor een vermoeden. Voor de lichtere bevoegdheid van art. 55d Sv waren daarom aanwijzingen voldoende en dit onderzoek zou dan een vermoeden kunnen opleveren voor het zwaardere nader onderzoek.
Dit roept de vraag op in hoeverre de waarneembare uiterlijke kenmerken van alcoholgebruik zowel een aanwijzing kunnen vormen als een vermoeden voor, kort gezegd, alcoholgebruik. Voor het vermoeden volgt uit een analoge toepassing van de Regeling middelengebruik bij geweldsplegers dat bij de waarneming van twee van de drie opgesomde uiterlijke kenmerken een voldoende onderbouwing bestaat voor een vermoeden. In de memorie van toelichting wordt echter als voorbeeld voor een aanwijzing voor alcoholgebruik (toen nog “vermoeden” genoemd) gegeven dat de verdachte: “met een dubbele tong spreekt of als hij zijn evenwicht niet kan bewaren al dan niet in combinatie met de omstandigheid dat de adem van de verdachte naar alcohol ruikt”. Ook in de memorie van antwoord worden als mogelijke aanwijzingen opgevoerd: “de geur van alcoholwalm uit de mond, met «dubbele tong» spreken, met het lichaam zwaaien tijdens het lopen en niet vatbaar zijn voor een redelijk gesprek”.
Ik concludeer hieruit dat het aannemen van een aanwijzing of een vermoeden niet is verbonden met specifieke uiterlijk kenmerken van alcoholgebruik, maar dat de intensiteit en combinatie van deze kenmerken maakt of sprake is van een aanwijzing die de basis is voor een (voorlopig) onderzoek in de zin van 55d Sv, dan wel dat meteen sprake is van een vermoeden dat een nader onderzoek rechtvaardigt in de zin van art. 55e Sv.
Bespreking van het middel
In de onderhavige zaak houdt ’s hofs bewijsvoering in dat op 27 juli 2019 om 04:01 de verdachte werd aangehouden voor een poging tot doodslag/moord en dat om 04:21 de verdachte werd overgeleverd en overgebracht naar de arrestantenafdeling van het hoofdbureau in Rotterdam. Aldaar werd door verbalisant waargenomen dat de verdachte rood doorlopen ogen had, smakkende geluiden maakte, met dubbele tong sprake en zijn adem naar alcohol rook. De verdachte is vervolgens om 27 juli 2019 om 04:57 uur bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv. De verdachte weigerde mee te werken aan dit onderzoek.
Het hof heeft in het bestreden arrest geen overweging gewijd aan (het bewijs van) de rechtmatigheid van het bevel ex art. 55e lid 1 Sv. Daartoe was het ook niet gehouden, nu door of namens de verdachte in hoger beroep hierop geen verweer is gevoerd. Het hof heeft door de verdachte te veroordelen voor feit 2 impliciet geoordeeld dat het bevel om mee te werken aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht rechtmatig is gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtstopvatting. Zoals hiervoor uiteengezet hoeft aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 55e lid 1 Sv niet noodzakelijkerwijs een onderzoek in de zin van art. 55d lid 1 Sv vooraf te gaan. Het vermoeden dat de verdachte alcohol heeft gedronken boven de grenswaarde kan ook op een andere manier worden vastgesteld. Dat betekent dat het middel ook faalt voor zover het de klacht bevat dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het bevel tot het verlenen van medewerking aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht (rechtsgeldig) “krachtens enig wettelijk voorschrift” is gegeven. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door de verbalisant waargenomen uiterlijke kenmerken van de verdachte passen bij het vermoeden dat de verdachte alcohol had gebruikt boven de vastgestelde grenswaarde, waarbij sprake is van twee van de kenmerken (oog- en spraakfunctie) die ook staan vermeld in art. 2 van de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers. Daaraan doet niet af dat deze uiterlijke kenmerken in het proces-verbaal zijn beschreven onder het kopje “Aanwijzingen middelengebruik”.
Afronding
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één week kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG