PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01425
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 12 april 2023 door het gerechtshof Amsterdam, wegens:
1 "eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
2 “witwassen, meermalen gepleegd”;
3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”; en
4 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 360 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen, personenauto’s en horloges verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een aantal andere voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01428, 23/01480, 23/01487 en 23/01525. In de zaak 23/01428 is reeds arrest gewezen. In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.
- Het eerste middel is gericht tegen het onder 1 bewezen verklaarde feit en bevat de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte niet de persoon is achter de PGP-account ‘ [bijnaam 5] ’ en/of ‘ [bijnaam 5] ’ op ontoereikende gronden heeft verworpen dan wel dat de vaststelling van het hof dat de verdachte achter dit PGP-account zit niet op begrijpelijke wijze uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
- Het tweede middel, eveneens gericht tegen het onder 1 bewezen verklaarde feit klaagt dat de bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
- Het derde middel klaagt dat het onder 2 bewezen verklaarde verhullen of verbergen van de vindplaats van en rechthebbende op een geldbedrag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
- Het vierde middel klaagt dat het oordeel dat het onder 2 bewezen verklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag en drie horloges gekwalificeerd kan worden als witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
- Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof de verdachte een geldboete van € 100.000 op te leggen, omdat hij tot dit bedrag voordeel heeft genoten onbegrijpelijk is.
- Het zesde middel klaagt dat de beslissing van het hof diverse auto’s, geldbedragen en andere luxegoederen verbeurd te verklaren onvoldoende is gemotiveerd.
Nu de bewijsmiddelenbijlage bij het arrest bijna veertig pagina’s beslaat, zal ik de bewijsvoering van het hof niet integraal weergeven. Ik zal hierna steeds per middel de bewezenverklaring weergeven en eveneens per middel de relevante bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen citeren.
2. Het eerste en tweede middel: bewezenverklaring en bewijsvoering
Het eerste en het tweede middel klagen over de bewijsvoering van de onder 1 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
De bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“feit 1
hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017 in Nederland en/of in Turkije en/of in Dubai, tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk
- een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, Opiumwet
- witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht,
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] ;”
De bewijsoverwegingen
Het hof heeft ten aanzien van verdachtes deelname aan de criminele organisatie het volgende overwogen:
“5. Inleiding
Op 10 november 2016 meldde de medeverdachte [medeverdachte 1] zich op het politiebureau met de mededeling dat hij vreesde voor zijn leven. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij ongeveer 3,5 jaar in de drugs (cocaïne) zat en deel uitmaakte van een organisatie, bestaande uit drie werkers en drie personen daarboven (in het relaas en hierna verder aangeduid als ‘bazen’). [medeverdachte 1] was volgens hemzelf een werker die drugs afleverde en in ontvangst nam. Hij wilde echter geen namen noemen van anderen. Hij vertrouwde het niet omdat de avond ervoor (het hof begrijpt: 9 november 2016) ‘de hele club’ (het hof begrijpt: de andere leden van de organisatie) bij hem thuis was gekomen, wat nooit gebeurde, en ook ‘nieuw spul’ (het hof begrijpt: verdovende middelen) had meegenomen. Ten slotte verklaarde [medeverdachte 1] dat hij een wapen (een .45) in zijn woning aan de [c-staat 1] had liggen en dat er in zijn woning nog 100 kilo drugs, € 600,000,00 en een zak met vuurwapens zouden liggen.
Naar aanleiding van deze verklaring is de woning van [medeverdachte 1] zowel op 10 november 2016 als - na een inbraakmelding - op 11 november 2016 doorzocht. In de woning zijn onder andere ruim 100 kilo (voornamelijk) cocaïne en heroïne, ruim € 800.000,00, acht vuurwapens, ongeveer 800 stuks munitie, twee geldtelmachines, een (cocaïne)blokpers en administratie aangetroffen.
Dit heeft geleid tot het [onderzoeknaam 1] . De medeverdachte [medeverdachte 1] is voor deze zaak op 21 juni 2017 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Die veroordeling is onherroepelijk.
Het [onderzoeknaam 2] is gestart naar aanleiding van het [onderzoeknaam 1] en richtte zich op de leden van de door [medeverdachte 1] genoemde (criminele) organisatie. In het onderzoek zijn zes verdachten naar voren gekomen, te weten: [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . Zij zijn allen op 6 november 2017 aangehouden en op dezelfde dag hebben doorzoekingen in onder andere hun woningen plaatsgevonden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot 80 maanden respectievelijk 63 maanden gevangenisstraf.
[verdachte] wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van drugsdelicten, wapendelicten en witwassen. Daarnaast wordt hem het (medeplegen van het) bezit van; verdovende middelen, aangetroffen tijdens een doorzoeking van de [f-straat] op 6 november 2017, verweten. Verder wordt [verdachte] beschuldigd van het (medeplegen van) witwassen van geld, auto’s en horloges. Tot slot wordt hem verweten dat hij (met één of meer anderen) een in zijn woning aangetroffen busje traangas voorhanden heeft gehad.
[…]
8. Beoordeling van het bewijs
Criminele organisatie (feit 1)
De centrale vraag in het onderhavige onderzoek, en meer in het bijzonder van belang gelet op hetgeen [verdachte] wordt verweten, is wie deel uitmaakten van de door [medeverdachte 1] genoemde organisatie. En of deze organisatie kwalificeert als criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in artikel 11b van de Opiumwet (Ow).
Toetsingskader
Onder een organisatie en deelneming daaraan als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b Ow wordt verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en, structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen (cumulatieve) vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.
Voor het bewijs van deelneming aan die organisatie moet komen vast te staan dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten (die op zichzelf niet strafbaar behoeven te zijn), zolang maar van een aandeel in of ondersteuning van de verwezenlijking van het oogmerk kan worden gesproken. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt, of bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
Camerabeelden woning ( [c-staat 1] )
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat op 9 november 2016 alle leden van de criminele organisatie in diens woning aanwezig waren. Om te onderzoeken of er camerabeelden van de ‘grote bazen’ zijn opgenomen zijn in eerste instantie de camerabeelden van 9 november 2016 bekeken. Op deze beelden waren slechts twee personen te zien die later zijn herkend als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Afgezien van de nog te bespreken forensische sporen die de aanwezigheid van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] bevestigen, geldt dat van [medeverdachte 2] in die woning een identiteitskaart en een rijbewijs zijn aangetroffen.
Vervolgens zijn ook de camerabeelden van 8 november 2016 bekeken. Uit de beelden van 8 november 2016 kan worden opgemaakt dat omstreeks 21.55 uur NN1 en NN2 bij de flat arriveren en dat uiteindelijk [medeverdachte 2] van binnenuit de centrale toegangsdeur voor hen opent. Ongeveer 10 minuten later verschijnt NN3. Ongeveer 45 minuten later verlaten NN1, NN2 en NN3 gezamenlijk de flat. Van deze beelden, hebben twee verbalisanten (T-748 en T-749), onafhankelijk van elkaar, de verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 6] herkend.
Doorzoeking woning [medeverdachte 1] ( [c-staat 1] )
Op 10 november 2016 is de woning van [medeverdachte 1] aan de [c-staat 1] doorzocht. De woning is onderdeel van een appartementencomplex en gelegen op de eerste verdieping recht tegenover de toegang tot de kleine lift. In beslag genomen zijn onder andere (ongeveer) 80 kilo verdovende middelen, acht vuurwapens en munitie en € 215.450,00. Eén van de vuurwapens (een 45) is aangetroffen in de kast in de slaapkamer van [medeverdachte 1] . De overige zeven vuurwapens zaten in een plastic tas van de Albert Heijn (AH) die is gevonden in de logeer-/rommelkamer.
Op 11 november 2016 werd omstreeks 00.30 uur melding gemaakt van een inbraak in de woning van [medeverdachte 1] . Na onderzoek bleek dat door de inbrekers in de badkamer van de woning een verborgen ruimte was geopend. Deze ruimte is tijdens de eerdere doorzoeking niet opgemerkt. In die verborgen ruimte is ongeveer 25 kilo cocaïne aangetroffen. Deze was samengeperst in blokken. Een aantal blokken was voorzien van stempels, waaronder ‘F12’. In de verborgen ruimte bleek ook nog een bedrag van in totaal € 585.500,00 te liggen.
Forensische sporen woning [c-staat 1]
Van een aantal van de bovengenoemde verdachten zijn in de woning van [medeverdachte 1] forensische sporen aangetroffen. Hieronder wordt per verdachte, met uitzondering van [medeverdachte 1] van wie ook verschillende sporen zijn aangetroffen, kort aangegeven om wat voor sporen het gaat en waarop ze zijn aangetroffen.
[medeverdachte 2]
Een deel van bovengenoemde verdovende middelen is aangetroffen in een aantal tassen van de Lidl en de AH en in een rolkoffer (roltas) die alle zijn gevonden in de logeer/rommelkamer. Eerder is al beschreven dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 9 november 2016 bij het appartementencomplex arriveerden. Zij namen de kleine lift vanuit de kelder en stapten uit en liepen in de richting van nummer [c-staat 1] . [medeverdachte 3] had op dat moment een kleine rolkoffer bij zich en een tas van de Lidl. [medeverdachte 2] had ook een tas van de Lidl bij zich en een tas van de AH. Deze tassen en rolkoffer vertonen gelijkenis met de tassen en rolkoffer waarin een grote hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Op de bekeken camerabeelden is kennelijk niet waargenomen dat personen met soortgelijke tassen het appartementencomplex (tussen de komst van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en de doorzoeking een dag later) weer hebben verlaten. Op zes van de handvatten van de tassen waarin de verdovende middelen werden aangetroffen is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met DNA-profiel van [medeverdachte 2] . In samenhang met de verklaring van [medeverdachte 1] leidt dit tot de conclusie dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 9 november 2016 verdovende middelen naar de woning van [medeverdachte 1] hebben gebracht. Het is daarmee aannemelijk dat ze als 'werkers' moeten worden aangemerkt, aangezien ze een groot risico hebben genomen door een waarschijnlijk grote hoeveelheid verdovende middelen te vervoeren.
Het in de verborgen ruimte aangetroffen geld bestond uit biljetten van 500 euro. Op één van deze biljetten is een handpalmafdruk aangetroffen die geïndividualiseerd is met het dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] . Het hof gaat er daarom vanuit dat de aangetroffen handpalmafdruk van [medeverdachte 2] afkomstig is.
In de woning werden in de woonkamer meerdere schriften, een schrijfblok en losse notities aangetroffen. Hieronder is nader uiteengezet dat deze administratie kennelijk ziet op de handel in verdovende middelen. Op een van de schriften, te weten het schrift met daarop vermeld "Batman", werden in totaal twee vingerafdrukken gevonden die eveneens geïndividualiseerd zijn op [medeverdachte 2] . Ook van deze vingerafdrukken neemt het hof aan dat ze van [medeverdachte 2] afkomstig zijn.
[medeverdachte 3]
In de woning zijn een peuk en een flesje frisdrank aangetroffen. Op beide zat DNA-materiaal dat matcht met een DNA-profiel van [medeverdachte 3] .
Op verschillende schriften werden in totaal vijf vingerafdrukken gevonden die eveneens geïndividualiseerd zijn op [medeverdachte 3] .
[verdachte]
In de woning werden drie peuken aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat matcht met het DNA profiel van [verdachte] . De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig andere persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [verdachte] is.
[medeverdachte 6]
In de woning is een peuk, aangetroffen met daarop DNA-materiaal dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] . De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [medeverdachte 6] is.
Aan de buitenzijde van de plastic tas van AH waarin de zeven vuurwapens en diverse munitie is aangetroffen is een bloedspoor aangetroffen. Het DNA-profiel daarvan matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] , De kans dat het DNA-spoor afkomstig is van een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard, zodat het hof er vanuit gaat dat het van [medeverdachte 6] is.
Administratie
De administratie die is aangetroffen op de [c-staat 1] is door de politie nader onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt het volgende.
In de woning lag een schrijfblok, een paars schrift met daarop ‘X’ genoteerd, een blauw schrift met daarop ‘seizoen 16/17’ geschreven en een blauw schrift met daarop (afgezien van de doorgekraste tekst ‘Batman’) ‘SP’ genoteerd en daarnaast enkele losse aantekeningen.
In de aantekeningen staan veel getallen. Vaak staat daar achter ‘K’ genoteerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze letter het internationale symbool voor duizend is en dat daarmee dus duizendtallen worden aangeduid. ‘K‘ kan ook een afkorting zijn van ‘kop’ dat straattaal is voor 1000 euro. In de aantekeningen staat ook een aantal keren letterlijk het woord ‘kop’ achter een getal. Verder valt op dat getallen die niet zijn af te korten in duizendtallen voluit worden geschreven en is soms ook het woord ‘euro’ letterlijk genoteerd, bijvoorbeeld:
[bijnaam 3] -> 209160 (9) 90 euro tekort
(…)
[bijnaam 3] -> 162750 (7) nog € 350,-
Alles tezamen leidt tot de conclusie dat de aangetroffen administratie een financiële administratie betreft. Dat deze financiële administratie betrekking heeft op de handel in verdovende middelen volgt niet enkel uit de verklaring van [medeverdachte 1] , maar ook uit de aantekeningen zelf in relatie tot de aangetroffen verdovende middelen. In de aantekeningen komt namelijk de tekst ‘F12’ regelmatig voor, terwijl - zoals hierboven beschreven - er in de woning verschillende blokken cocaïne met het op schrift en/of stempel F12 zijn aangetroffen. Daarnaast is in de woning een blok cocaïne aangetroffen met het stempel ‘AMS’. En de tekst ‘AMS’ komt ook in de administratie voor, bijvoorbeeld: AMS 13 x 23750 = 308750. Het bedrag € 23.750,00 past ook zeer goed bij de kiloprijs van cocaïne.
Dat het hier gaat om de miljoenenhandel kan bijvoorbeeld blijken uit de balans (waarboven letterlijk "+" en "-" staan genoteerd) in het schrift met opschrift ‘seizoen 16/17’. Het totaal van de bedragen aan de linkerkant (+) betreft € 3.864.815,00. Het totaal van de bedragen aan de rechterkant betreft € 3.835.800,00. En in het ‘proces-verbaal onderzoek aangetroffen drugsadministratie [c-staat 1] ’ is een (excel)overzicht gemaakt van (slechts) twee losse pagina’s (vermoedelijk afkomstig uit het genoemde kladblok) en daaruit blijkt van een handelswaarde van ruim 11 miljoen euro.
De financiële administratie heeft kennelijk, in elk geval gedeeltelijk, betrekking op de drugshandel in de jaren 2016 en 2017, gelet op de tekst ’seizoen 16/17’ op de omslag van één van de geschriften. In dat schrift staat ook een rijtje met de maanden mei 2016 tot en met december 2016 uitgeschreven. De aantekening ‘seizoen 16/17' is overigens op meerdere plekken in de administratie teruggevonden. Het feit dat onderscheid wordt gemaakt in ‘seizoenen' ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij al meerdere jaren voor de organisatie in de drugs handelt.
Telefoonnummers en (bij)namen
Na de aanhouding van [medeverdachte 1] werden twee mobiele telefoons in beslag genomen: een Samsung en een LG. [medeverdachte 1] had een aantal verdachten met een bijnaam in zijn telefoon(s) opgeslagen:
- [medeverdachte 2] als [medeverdachte 2] met nummer [telefoonnummer 4] ;
- [medeverdachte 3] als [bijnaam 2] met nummer [telefoonnummer 5] ;
- [medeverdachte 5] als [medeverdachte 5] met nummer [telefoonnummer 6] en
- [medeverdachte 7] als [medeverdachte 7] met nummer [telefoonnummer 7]
In zijn telefoon(s) stond ook [betrokkene 1] opgeslagen als [naam 3]. Zij is geïdentificeerd als de (toenmalige) vriendin van [verdachte] .
Gebleken is dat [medeverdachte 1] zelf de [bijnaam 1] had.
Verder blijkt uit het onderzoek dat [medeverdachte 3] , behalve de bijnamen [bijnaam 2] en [bijnaam 2] , ook de bijnaam [bijnaam 2] had. En ook [medeverdachte 5] had een andere bijnaam, namelijk [bijnaam 3].
Na de doorzoeking op 10 november 2016 hebben [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] allen op 11 november 2016 slechts één nummer gebeld, te weten [telefoonnummer 1] . Dat nummer behoort volgens het CIOT toe aan [medeverdachte 6] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 6] op 6 november 2017 is een iPhone in beslag genomen met daarin een simkaart met nummer [telefoonnummer 1] . Tijdens de aanhouding van [medeverdachte 6] is nog een iPhone in beslag genomen. In die telefoon stond zijn eigen nummer [telefoonnummer 2] opgeslagen als [bijnaam 4]. Deze bijnaam gebruikte [medeverdachte 6] ook als profielnaam voor WhatsApp en in het e-mailadres [bijnaam 4] @gmail.com.
Ten slotte leidt het hof uit het onderzoek van de nog nader te bespreken telefoon van [medeverdachte 7] , de BQ Aquaris met EncroChat-software, af dat hij telefoonnummers van [verdachte] had opgeslagen als [bijnaam 5] of [bijnaam 5]. In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Het verweer dat [verdachte] niet deze ‘ [bijnaam 5] ‘ was wordt daarmee verworpen.
Relatie bijnamen en financiële administraties
In de administratie die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] komt veelvuldig de bijnaam [bijnaam 3] voor. En ook de bijnamen [bijnaam 2] , [bijnaam 6] en [bijnaam 4] komen terug. In samenhang met de overige bewijsmiddelen, waaronder onderlinge communicatie en de financiële administraties die bij [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 7] zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat hiermee respectievelijk [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] zijn bedoeld.
In de woning van [medeverdachte 6] is administratie aangetroffen die gelijkenis vertoont met de financiële administratie die in de woning van [medeverdachte 1] is aangetroffen, vanwege de vergelijkbare registratie van duizendtallen of voluit geschreven bedragen en een kiloprijs voor cocaïne tussen de € 22.000,00 en € 24.000,00. Bijvoorbeeld staat op het blaadje net een opschrift ‘ [bijnaam 7] ’ onder andere genoteerd ‘45 x 22250 = 1001250'. En op een blaadje met het opschrift ‘ [bijnaam 3] ’ staat genoteerd:
43 x 22 = 946
4 x 21,5 = 86
3 x 2/250 = 62.750
1095750
Onder andere deze namen [bijnaam 7] en [bijnaam 3] komen terug in administratie uit de [c-staat 1] .
In de woning van [verdachte] is een notitieblaadje aangetroffen met verschillende berekeningen en waarop bovenaan (handgeschreven) de aantekening ‘pokertoernooi’ is gemaakt. Die laatste aantekening is kennelijk bedoeld als misleiding, want de berekeningen hebben geen enkele (logische) relatie met (de inleg bij) een pokertoernooi. Overigens heeft [verdachte] hierover ook geen verklaring afgelegd die dit op enige wijze onderbouwt. Het hof gaat er, mede gelet op de hoogte van de verschillende bedragen, vanuit dat ook deze berekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder is van belang dat op de achterkant van de notitie ook de bijnaam [bijnaam 2] ( [medeverdachte 3] ) voorkomt. En ook is de [bijnaam 8] vermeld. In zoverre bestaat er ook een verband met de, nog nader te bespreken, gegevens die afkomstig zijn van de PGP-telefoon van [medeverdachte 7] . Hij stuurt namelijk op 5 juni 2017 een overzicht naar [verdachte] (op diens vraag: "Hoeveel papier had je ven ons liggen?"), waarvan een deel luidt:
Voor [bijnaam 8]
+97190
+195450
+317380
= 610020 balance
Ook bij [medeverdachte 3] zijn enkele financiële aantekeningen aangetroffen waarin onder andere getallen staan bij [bijnaam 3] en [medeverdachte 5] , bijnamen van [medeverdachte 5] . Ook staat genoteerd ‘Blok > 18500 €’. Het hof gaat er vanuit dat ook deze aantekeningen betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
Ten slotte is ook bij [medeverdachte 7] administratie aangetroffen. Hierin staan financiële aantekeningen (het woord 'balance' komt meerdere keren voor) die mede gelet op de inhoud betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Verder komen hierin ook bijnamen voor die gelijk zijn aan de bij [medeverdachte 1] aangetroffen financiële administratie, te weten (onder andere): [bijnaam 5] ( [verdachte] ), [bijnaam 4] ( [medeverdachte 6] ), [bijnaam 3] ( [medeverdachte 5] ) en [bijnaam 2] ( [medeverdachte 3] ). Er is ook een aantal data in mei 2017 genoteerd. Ten slotte komen in de administratie ook tokens voor die terugkomen in de berichten van de hieronder te bespreken telefoon, van [medeverdachte 7] , Kennelijk is er alleen al op basis van de aangetroffen tokens een bedrag van € 1.275.010,00 uitgegaan en € 100.000,00 ingekomen.
EncroChat-telefoon [medeverdachte 7]
Bovengenoemde telefoon betreft een BQ Aquaris X5 (hierna: BQ) met EncroChat-software en is bij [medeverdachte 7] thuis aangetroffen. In de BQ staat verder een: contactenlijst met daarin onder andere, gelet op hetgeen onder 8.7 is overwogen, [verdachte] ([bijnaam 5]), [medeverdachte 6] ([bijnaam 4] , [bijnaam 4] en [bijnaam 4]) en [medeverdachte 3] ([bijnaam 2]). Deze komen ook voor in de financiële administratie die bij [medeverdachte 1] in de woning is aangetroffen.
Er staat een groot aantal chat- en e-mailberichten in de telefoon. Het oudste bericht dateert van 16 mei 2017, het laatste van 5 november 2017. Om deze zo goed mogelijk weer te geven heeft de politie een chronologisch overzicht gemaakt van in totaal 58 ‘gebeurtenissen’. Van het merendeel van deze gebeurtenissen kan naar het oordeel van het hof zonder twijfel gezegd worden dat het betrekking heeft op de handel in verdovende middelen. Dat is, afgezien van genoemde onderlinge relaties en nog nader te bespreken tap- en OVC-gesprekken, vanwege de eerder genoemde tokens en daarmee samenhangende, forse geldbedragen. Uit gebeurtenis 1 blijkt bijvoorbeeld dat er iemand naar de [a-straat 1] in [plaats] (de woning van [medeverdachte 7] ) komt om daar, blijkens de papieren administratie, € 93.000,00 op te halen. De link met de handel in verdovende middelen blijkt verder bijvoorbeeld uit het gebruik van termen als ‘blok’, ‘stempel’, ‘keta’ (het hof begrijpt: ketamine), ‘Peru dingen’, ‘voor 23,5’ (het hof begrijpt: € 23.500,00 hetgeen past bij de kiloprijs van cocaïne), ‘broenoe’ (het hof begrijpt: bruin/heroïne) en ‘blokken die droog genoeg zijn om te roken’.
[medeverdachte 7] heeft in hoger beroep als getuige bevestigd dat hij is, benaderd om ‘klusjes’ uit te voeren. Die bestonden volgens hem uit het in ontvangst nemen, bewaren en weer afgeven van geld. Dat de geschatte omvang van de transacties op basis van bovengenoemde tokens boven één miljoen euro uitkomt, klopt volgens de getuige. Hij heeft daarnaast ook bevestigd dat de berichten (gebeurtenissen) in de BQ betrekking hebben op de handel in verdovende middelen.
Uit sommige van die gebeurtenissen blijkt ten slotte ook van de relatie tussen [medeverdachte 7] en een aantal medeverdachten, te weten [medeverdachte 3] ( [bijnaam 2] ), [medeverdachte 6] ( [bijnaam 4] ) en [verdachte] ( [bijnaam 5] en [bijnaam 5] ), in verband met de handel in verdovende middelen. Bijvoorbeeld uit de volgende gebeurtenissen, zoals die door de politie zijn beschreven:
Gebeurtenis éénendertig (31)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , 28 september 2017
In het gesprek gaat het over blokken met stempel ‘K26’. Hier gaat het zeer waarschijnlijk over blokken verdovende middelen met opdruk K26. Uit het gesprek blijkt dat deze uit Bolivia komen. [medeverdachte 7] kan deze voor 24, zeer waarschijnlijk wordt hier 24.000 euro bedoeld, krijgen. [medeverdachte 3] kent de stempel K26 niet en raad [medeverdachte 7] aan om het aan [medeverdachte 5] te vragen. (...)'
Gebeurtenis achtendertig (38)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] , 3/4/5 oktober 2017
In het gesprek wordt er gesproken over Colo’s. Vermoedelijk gaat het hier om Colombianen. De "Colo’s" hebben oren naar de drie' deuren die [verdachte] heeft. Zeer waarschijnlijk wordt hiermee verwezen naar België (Antje ambtshalve bekend als Antwerpen). Le Havre in Frankrijk en Algeciras in Spanje, genoemd in gebeurtenis drieëndertig (33). In het bericht van [medeverdachte 7] worden verschillende plaatsen genoemd, die samen met het woord "Colo" zeer waarschijnlijk de plaatsen: Buenaventura, Barranquilla, Santa Marta en Cartagena te Colombia zijn. Uit het bericht blijk dat de "Colo" vanaf daar kan vullen. Het gaat hier waarschijnlijk om het vullen van verdovende middelen. Het is voor het onderzoeksteam niet bekend waarin gevuld wordt. Het gaat zeer waarschijnlijk om grote partijen verdovende middelen omdat er door [verdachte] wordt gezegd "300 test." Met "300 test" wordt vermoedelijk bedoeld 300 blokken verdovende middelen.’
Gebeurtenis negenendertig (39)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , 3/4 oktober 2017
In het gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] geeft [medeverdachte 7] aan dat de Fransen er zijn [medeverdachte 3] moet 'die' blok vragen en kijken wat er ligt. [medeverdachte 7] wil ze morgen laten zien. [medeverdachte 3] geeft aan dat er een blok bij [medeverdachte 5] 'osso' (thuis) ligt en dat ze die eerst kunnen kijken. [medeverdachte 7] vraagt of het ‘real’ betreft en zegt dat [medeverdachte 3] ervoor moet zorgen dat hij er bij kan. [medeverdachte 3] geeft aan dat het geen 'real' is en hij weet niet of die er nog zijn. [medeverdachte 3] moet vragen van [medeverdachte 7] of real er nog is en vraagt welke er wel is en wat de prijs daarvan is. Uit het gesprek blijkt dat het om een stempel 'Kat’ gaat. De stempel krijgt 'hij' voor 26. Gezien het gesprek wordt er met 'hij' zeer waarschijnlijk [medeverdachte 5] bedoeld en met 26, €26.000. [medeverdachte 7] vraagt of 'wij' er dan in zitten. Kennelijk is dit niet, het geval omdat [medeverdachte 3] zegt 'was maar waar'. [medeverdachte 3] geeft aan dat ‘hij’ ( [medeverdachte 5] ) ook nog een stempel per 1 kan krijgen voor hetzelfde bedrag. 'Hij' ( [medeverdachte 5] ) gaat een foto sturen naar [medeverdachte 7] . [medeverdachte 7] geeft aan dat hij 26,5 heeft gezegd dus ze zitten nog goed. Hier wordt zeer waarschijnlijk bedoeld dat [medeverdachte 7] €26.500 heeft gezegd tegen de Fransen.
Gebeurtenis tweeënveertig (42)
Gesprek tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] , 6 tot en met 16 oktober 2017
[medeverdachte 6] vraagt of [medeverdachte 7] kan uitzoeken of er een directe lijn is vanuit Costa Rica, Limon naar Algeciras. [medeverdachte 7] gaat het uitzoeken voor [medeverdachte 6] .
Uit de in beslag genomen Dell Laptop, in beslag genomen onder [medeverdachte 7] tijdens de doorzoeking van de [a-straat 1] te [plaats] , met goednummer 5579373, bleek dat er tussen 6 oktober 2017 en 16 oktober 2017 verschillende zoekslagen op Google naar onder andere:
- Costa rica limo to spain shipment.
- Ship routes costa rica limon
- Shipping companies limon costa rica’
Het hof wijst ten slotte op de berichtenwisseling van 29 september 2017 tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] ( [bijnaam 5] ). Daar komt de relatie met en betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de handel in verdovende middelen expliciet naar voren, [verdachte] zegt namelijk letterlijk tegen [medeverdachte 7] : “Jawel en Ondertussen Gaan we die systeem van [medeverdachte 6] bouwen in belgie of duitsland en Gaan we blokken sturen naar australie".
Tap- en OVC-gesprekken en sms-berichten over handel in verdovende middelen
Niet alleen [medeverdachte 7] heeft over de telefoon gesprekken gevoerd over de handel in verdovende middelen. Datzelfde geldt namelijk ook voor [medeverdachte 5] . Hij heeft gesprekken gevoerd die (vanwege de gebruikte termen als ‘24 half mooie prijs’, ‘fijne poeder’, ‘gemixt’ en ‘neustest’) onmiskenbaar over de handel in verdovende middelen, meer in het bijzonder cocaïne, gaan. De meeste van die gesprekken of berichten zijn gevoerd of uitgewisseld met onbekend gebleven personen. Daarnaast is vastgesteld dat [medeverdachte 5] meermalen met [medeverdachte 3] - drugsgerelateerde - gesprekken heeft gevoerd. Verder is van belang dat [medeverdachte 5] op 1 april 2017 een gesprek heeft gevoerd, met een onbekend gebleven persoon, dat kennelijk over PGP-toestellen gaat waarbij ‘ [bijnaam 4] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) moet kijken of die verlopen zijn.
Salarissen/betalingen
Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] op de loonlijst hebben gestaan, en ook daadwerkelijk salaris hebben ontvangen, van het bedrijf [A] B.V. (hierna: [A] ) alsook van de voorgangers [B] B.V. en [C] .nl in de periode van ongeveer 2015 tot en met 2017. [A] was een uitzendbureau voor horecabedrijven en hotels. In het onderzoek naar de bedrijven die personeel van [A] hebben ingehuurd is vastgesteld dat geen enkele werkgever daadwerkelijk [medeverdachte 6] , [verdachte] of [medeverdachte 3] aan het werk heeft gehad. De meeste werkgevers gaven te kennen dat het contact met [A] verliep via [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft verklaard dat - voor zover hij weet - [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] geen werkzaamheden voor [A] hebben verricht. Uit het onderzoek is verder gebleken dat [medeverdachte 6] en [verdachte] salaris ontvingen gedurende de tijd dat zij van eind 2016 tot eind 2017 in het buitenland verbleven.
Naar het oordeel van het hof hebben deze salarisbetalingen geen legale achtergrond. Dat wordt bevestigd door de gegevens in de BQ van [medeverdachte 7] en in de administratie die bij [medeverdachte 7] is aangetroffen. In de BQ van [medeverdachte 7] staan namelijk een aantal berichten waaruit - samengevat - kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 7] (in elk geval twee maal van [medeverdachte 3] ) de opdracht krijgt geld voor [medeverdachte 6] en/of [verdachte] in de administratie te noteren.
Op 26 mei 2017 (gebeurtenis 7) krijgt [medeverdachte 7] van ‘ [medeverdachte 6] ’ de opdracht om € 6.400,00 te pakken en op te schrijven: ‘ [bijnaam 4] salaris + vakantiegeld werkgever’. Dit bedrag komt ook terug in de aantekeningen van [medeverdachte 7] (met dagtekening 25 mei 2017), als ook in de balans die [medeverdachte 7] op 5 juni 2017 met de BQ naar [verdachte] ( [bijnaam 5] . die vraagt: "Hoeveel papier had je van ons liggen?") heeft verstuurd (gebeurtenis 14).
Op 24 juni 2017 (gebeurtenis 20) is er een vergelijkbaar bericht. [bijnaam 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) zegt tegen [medeverdachte 7] : ‘pak weer 3200 salaris [bijnaam 4] maand juni’. In de administratie van [medeverdachte 7] staat een vergelijkbare minpost.
Op 29 september 2017 (gebeurtenis 32) bericht [medeverdachte 3] ( [bijnaam 2] ) aan [medeverdachte 7] dat hij 6400 moet geven aan de werkgever voor hem (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] ) en [bijnaam 5] ( [verdachte] ). [medeverdachte 7] bericht dat hij vanavond zijn (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) buurman is en zegt: ‘breng meteen ook mijn salaris’. [medeverdachte 3] antwoordt ‘een doezoe’ (het hof begrijpt: € 1.000,00) te hebben voor hem. In het gesprek vraagt [medeverdachte 3] ook of [medeverdachte 7] ‘de werkgever’ even kan bellen en stuurt het nummer [telefoonnummer 3] door. In het onderzoek is vastgesteld dat dit nummer toebehoorde aan [betrokkene 2] . Uit een later bericht blijkt dat [medeverdachte 7] daadwerkelijk contact heeft gehad met [betrokkene 2] . In de balans die op 13 oktober 2017 door [medeverdachte 7] wordt verstuurd aan [verdachte] ( [bijnaam 5] ) en [medeverdachte 6] ( [bijnaam 4] ) is te lezen dat er € 6.400,00 is afgeschreven met als notitie ‘salaris [bijnaam 4] aug’.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 3] gefingeerde (legale) salarissen ontvingen. Het geld daarvoor werd kennelijk, afgegeven aan [betrokkene 2] en als minposten opgenomen in de administratie die [medeverdachte 7] bijhield. Hij berichtte dit vervolgens aan [verdachte] .
Van [verdachte] kan daarnaast worden vastgesteld dat hij ook op andere wijze betrokken is bij salarisbetalingen’. Uit berichten tussen [verdachte] en zijn toenmalige vriendin [betrokkene 1] volgt namelijk dat hij [medeverdachte 1] , die in een depressie zit '"zakgeld en snipperdagen" heeft gegeven. Ook anderszins werd [verdachte] kennelijk beschouwd als kostenpost, aangezien [betrokkene 1] een afspraak met [medeverdachte 1] moest maken en zich moest voordoen als psycholoog “want "dat bespaart kosten".
Doorzoekingen
In het [onderzoeknaam 2] hebben verschillende doorzoekingen plaatsgevonden. Per verdachte zal worden aangegeven wat er is gevonden, voor zover van belang voor de beoordeling van feit 1.
Woning [medeverdachte 6] — [g-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 6] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 69.700,00 in beslag genomen, alsook drie horloges met een geschatte waarde van € 18.800,00. Verder is een Mercedes met en waarde van € 13.000.00 in beslag genomen
Woning [verdachte] - [g-straat 2] te [plaats]
In de woning van [verdachte] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 95.545,41 in beslag genomen. Verder is een (gepantserde) Mercedes ter waarde van € 18.000,00 en een Audi Q7 ter waarde van € 60.000.00 in beslag genomen en 3 horloges ter waarde van € 14.800.00.
Woning [medeverdachte 3] – [h-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 3] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen. Daarnaast werd in totaal € 23.820,00 in beslag genomen en een horloge ter waarde van ongeveer € 3.800,00. Verder zijn in de woning verdovende middelen aangetroffen die kennelijk bedoeld waren voor de handel, te weten: (ongeveer) 1.100 gram cocaïne en (ongeveer) 350 gram heroïne.
Woning [medeverdachte 7] - [a-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 7] is de reeds hierboven besproken administratie aangetroffen als ook de BQ EncroChat-telefoon. Daarnaast werd in totaal € 38.700,00 aangetroffen, waarvan € 20.000,00 volgens [medeverdachte 7] toebehoorde aan - de eveneens in het onderzoek naar voren gekomen - [betrokkene 3] . De rest was van [medeverdachte 7] en had hij verdiend met de eerder beschreven geldtransacties, zo heeft hij als getuige in hoger beroep verklaard.
Woning [medeverdachte 5] — [i-straat 1] te [plaats]
In de woning van [medeverdachte 5] werd ongeveer 2,3 kilo cocaïne aangetroffen en ruim 10 kilo ketamine. Ketamine is weliswaar niet verboden op grond van de Opiumwet, maar het is algemeen bekend dat ketamine in het uitgaansleven/drugscene wordt gebruikt als drugs (tripmiddel) en (geestelijk) zeer verslavend is. In onderling berichtenverkeer (zie paragraaf 8.9) komt de term ‘keta’ ook voor
Verblijf in het buitenland
Uit het onderzoek is gebleken dat de dag na de doorzoeking op 10 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [verdachte] naar het buitenland zijn vertrokken. Zij hebben ongeveer een jaar verbleven in Dubai en Turkije. En gedurende die tijd hebben zij, ondanks een gebrek aan legale inkomsten, kennelijk heel veel geld uitgegeven.
Conclusie
Het voorgaande houdt samengevat het volgende in:
(i) [medeverdachte 1] werkte voor een organisatie waarvan de leden in drugs, met name cocaïne, handelden. Bij hem thuis zijn ook grote hoeveelheden drugs en geld van de organisatie aangetroffen, alsook de financiële administratie betreffende deze drugshandel.
(ii) Leden van de organisatie kwamen ook bij [medeverdachte 1] thuis, onder wie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die op 9 november 2016 een flinke hoeveelheid verdovende middelen hebben gebracht.
(iii) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kunnen gelet op hun betrokkenheid aangemerkt worden als de, door [medeverdachte 1] zo omschreven, ‘werkers’ van de organisatie.
(iv) Ook [medeverdachte 6] en [verdachte] zijn bij [medeverdachte 1] thuis geweest, waarbij in het bijzonder van belang is dat op een plastic tas met zeven vuurwapens bloed is, aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6] .
(v) In de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie komen verschillende bijnamen voor, waaronder [bijnaam 5] en [bijnaam 4] . Dit zijn de bijnamen van [verdachte] en [medeverdachte 6] . Er is tevens een schrift aangetroffen met financiële administratie waarop de initialen SP zijn geschreven, hetgeen past bij de initialen van [verdachte] .
(vi) Bij [verdachte] en [medeverdachte 6] thuis is eveneens administratie aangetroffen die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen. Bovendien komen daarin gedeeltelijk dezelfde bijnamen voor als in de bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie.
(vii) Bij [medeverdachte 7] thuis is eveneens administratie gevonden die te herleiden is tot de handel in verdovende middelen en waarin bijnamen voorkomen die ook voorkomen in de administratie die bij [medeverdachte 1] is aangetroffen. Het betreft hier, mede blijkens de verklaring van [medeverdachte 7] , de registratie van criminele inkomsten en uitgaven. [medeverdachte 7] fungeerde in dat opzicht als een soort kassier van de organisatie. Daarnaast heeft [medeverdachte 7] met een EncroChat-telefoon berichten ontvangen en verstuurd die verband hielden met de handel in verdovende middelen.
(viii) Een deel van die berichten is van en aan [verdachte] en [medeverdachte 6] , waarbij opvalt dat [medeverdachte 7] degene is die dingen moet uitzoeken. En hij houdt [verdachte] en [medeverdachte 6] op de hoogte van de financiële positie van de organisatie door balansen van inkomsten en uitgaven te sturen.
(ix) [verdachte] en [medeverdachte 6] zitten dan in het buitenland, hebben geen legaal inkomen maar beschikken kennelijk wel over veel geld. Een (gering) deel van hun illegale inkomen bestaat uit een gefingeerd dienstverband. Deze salarisbetalingen’ verwerkt [medeverdachte 7] ook in zijn administratie, terwijl [medeverdachte 3] hem voorafgaand instrueert.
(x) [verdachte] heeft [medeverdachte 1] ‘zakgeld en snipperdagen’ gegeven,
(xi) Bij [medeverdachte 6] , [verdachte] , en [medeverdachte 7] zijn grote contante geldbedragen aangetroffen, die geen aannemelijke legale herkomst hebben.
Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in 8.2 die tot oogmerk had de - samengevat - (voorbereiding) van handel in verdovende middelen en het witwassen van geld. Dit samenwerkingsverband bestond uit [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] . Niet ieders rol is even duidelijk geworden, maar in elk geval blijkt dat [medeverdachte 6] en [verdachte] een leidende positie hadden. Dat volgt niet enkel uit de vaststelling dat zij over het meeste geld beschikten, en zodoende een jaar op de vlucht konden blijven, maar ook uit het feit dat voor hen een zogenaamd legaal salaris werd geregeld, [verdachte] een ‘eigen’ administratie had bij [medeverdachte 1] thuis, door [medeverdachte 7] aan hen beiden verantwoording werd afgelegd over de financiële positie, [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf en [verdachte] zich ten opzichte van [medeverdachte 1] letterlijk gedroeg als ‘werkgever’ door hem ‘snipperdagen en zakgeld’ te geven. De rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan als meer ondersteunend worden gezien door het bewaren en vervoeren van drugs en/of geld. Ook [medeverdachte 3] hield zich, daarmee bezig, maar zijn rol was groter, aangezien hij ook veelvuldig, met bijvoorbeeld [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] , communiceerde over de drugshandel en aan [medeverdachte 7] opdrachten gaf ‘salarisbetalingen’ voor [medeverdachte 6] en [verdachte] in de boekhouding te verwerken. Behalve dat [medeverdachte 7] dus ook een rol speelde in de drugshandel zelf, was hij de ‘kassier’ van de organisatie. Bij hem gingen enorme bedragen geld in en uit de kas. De rol van [medeverdachte 5] komt minder prominent naar voren, maar duidelijk is dat hij betrokken was bij de feitelijke drugshandel ten behoeve van de organisatie en ook voorraad bij hem thuis was opgeslagen. Hij komt dan ook veelvuldig terug in de administratie van de organisatie.
Bovengenoemde gedragingen van de verdachten hielden verband met of strekten tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie: de handel in verdovende middelen en witwassen. Ook gelet op de omvang van de illegale handel die miljoenen euro’s bedroeg kan het niet anders zijn dan dat men al langere tijd georganiseerd te werk ging. Er is dan ook sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.
Dat brengt het hof bij de vraag gedurende welke periode de organisatie heeft geopereerd. [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat hij al 3,5 jaar voor de organisatie werkte. Voor de periode vanaf 2016 is hiervoor ook steun te vinden in het feit dat in de administratie wordt gesproken over ‘seizoen 16/17’. Naar het oordeel van het hof is dit echter te weinig om met de vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen dat de organisatie ook al in de periode daarvoor, volgens de tenlastelegging vanaf 1 januari 2013, heeft bestaan. Laat staan dat ieders rol in deze eerdere periode kan worden vastgesteld. Met in achtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet komt het hof op grond van de bewijsmiddelen tot het oordeel dat de organisatie heeft bestaan, en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen, vanaf 1 januari 2016 tot en met 6 november 2017. Dat is dus bijna twee jaar
Ten slotte overweegt het hof dat, hoewel in de woning van [medeverdachte 1] ook een grote hoeveelheid wapens is aangetroffen die - gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] en het aantal wapens - van de organisatie was, daaruit niet zonder meer volgt dat het oogmerk van de organisatie ook gericht was op handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie. Aanvullende bewijs daarvoor ontbreekt, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.”
Het eerste middel
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte niet de persoon is achter de PGP-account ‘ [bijnaam 5] ’ en/of ‘ [bijnaam 5] ’ op ontoereikende gronden heeft verworpen dan wel dat de vaststelling van het hof dat de verdachte achter deze PGP-account zit niet op begrijpelijke wijze uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
In de toelichting wordt aangevoerd dat de verbalisant in het door het hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen slechts heeft opgemerkt dat het ‘zeer aannemelijk’ is dat ‘ [bijnaam 5] ’ de bijnaam van de verdachte is. Verder blijkt uit het bewijsmiddel niet dat de verdachte ‘ [bijnaam 5] ’ is, waarbij ook wordt opgemerkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat ‘ [bijnaam 5] ’ een generiek woord is voor broer/broeder. De overige bewijsmiddelen bevatten ook geen aanwijzingen die de gevolgtrekking kunnen dragen dat verdachte de persoon is die wordt aangeduid met ‘ [bijnaam 5] ’ of ‘ [bijnaam 5] ’.
Namens de verdachte gevoerd verweer en verwerping hiervan door het hof
Namens de verdachte is in hoger beroep verweer gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde pleitnota. Voorts heeft het hof ermee ingestemd pagina’s 1 tot en met 27 van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota als ingelast en herhaald te beschouwen. De in eerste aanleg overgelegde pleitnota bevat onder meer de volgende passage:
“Het OM oordeelt dat de afkorting SP gelijkend is aan de paraaf van [verdachte] en merkt op dat de processen-verbaal van verhoor van [verdachte] steevast worden getekend met de initialen SP. Is dat dan bewijs? Of is dit een kwestie van invullen? In het dossier fungeert ook nog een niet nader geïdentificeerde (bij)naam [bijnaam 9] . Dat [verdachte] met [bijnaam 9] wordt bedoeld is alles behalve aannemelijk. Dat onderdeel komt overigens in het requisitoir niet méér terug. Wie is het dan wel? SP kan een afkorting zijn van de persoon met wie [bijnaam 9] wordt aangeduid, niet zijnde [verdachte] . Kortom, vermoedens te over, maar hard bewijs blijft achterwege. Vandaar ook geen t.l.l. van het gronddelict [onderzoeknaam 1] , maar wel via de achterdeur van de 11b Ow organisatie alsnog hetzelfde doel bereiken, maar dan met een stuk minder bewijsverplichtingen. Vermoedens als zou [verdachte] worden bedoeld in het PGP-verkeer als " [bijnaam 5] ". Indien het zou kloppen dat " [bijnaam 5] ” [verdachte] zou zijn - quod non - kan gezegd worden dat hetgeen het OM bij requisitoir vanaf paragraaf 4.1.3. Gesprekken met [verdachte] (pag. 26, 27, 28, 29, 30 3 en 31 hout snijdt. Gelukkig voor [verdachte] is dat evenwel niet het geval om de doodeenvoudige reden dat hij niet de persoon is die bedoeld wordt met " [bijnaam 5] ". Overigens vindt [verdachte] het knap van het onderzoekteam dat zij allerlei waarschijnlijkheidstheorieën hebben losgelaten op het hoe en waarom [verdachte] bedoeld moet zijn met " [bijnaam 5] ". [verdachte] heeft geen gebruikersnaam op de PGP gehad zijnde " [bijnaam 5] ". Hetgeen de politie debiteert gaat om vermoedens, doch daar blijft het ook steken. Evengoed als [verdachte] geen Chinees spreekt. Kan [verdachte] dat bewijzen? Neen! Maar gelukkig hoeft dat ook niet. Het OM zal dienen te bewijzen dat [verdachte] gebruikt maakt van de PGP-naam " [bijnaam 5] ".”
Ik herhaal hier voor het lezersgemak de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer:
“Ten slotte leidt het hof uit het onderzoek van de nog nader te bespreken telefoon van [medeverdachte 7] , de BQ Aquaris met EncroChat-software, af dat hij telefoonnummers van [verdachte] had opgeslagen als [bijnaam 5] of [bijnaam 5]. In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5]. Het verweer dat [verdachte] niet deze ‘ [bijnaam 5] ‘ was wordt daarmee verworpen.”
Bij deze verwerping heeft het hof zich kennelijk gebaseerd op bewijsmiddel 3, dat ik hieronder citeer (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“3. Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek encrypted BQ Aquarius telefoon van 5 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren S 064 en T-749 (…).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk
weergegeven:
Onder [medeverdachte 7] werd op 6 november 2017 in zijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] een mobiele telefoon van het merk BQ Aquarius in beslaggenomen. Deze lag op het tweepersoonsbed in de enige slaapkamer van de woning.
In de contactenlijst (…) staan [bijnaam 2] , [bijnaam 5] en [bijnaam 4] 1, [bijnaam 4] en [bijnaam 4] onder meer als contacten vermeld. [bijnaam 2] is de bijnaam van [medeverdachte 3] . [bijnaam 5] is de bijnaam van [verdachte] . [bijnaam 4] is een bijnaam van [medeverdachte 6] .
In gebeurtenis 26 op 3 augustus 2017 komt contact " [bijnaam 5] " in beeld. Vermoedelijk is, [bijnaam 5] in het bezit van nieuwe encrypted telefoon. Het is zeer aannemelijk dat [bijnaam 5] de bijnaam van [verdachte] is en daarmee tevens het contact [bijnaam 5] en [bijnaam 5] . In de iPhone 7 die onder [medeverdachte 7] in beslaggenomen is staan meerdere contacten onder de naam [bijnaam 5] vermeld. Namelijk: [bijnaam 5] en [bijnaam 5] . Deze nummers zijn in gebruik bij [verdachte] [mijn onderstreping].”
Bespreking van het eerste middel
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal is voorbehouden aan feitenrechter. In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. De door de feitenrechter hieruit getrokken conclusies van feitelijke aard kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.
Hoewel in de hiervoor onder 2.3.4. geciteerde bewijsoverweging niet expliciet is opgenomen op welke telefoonnummers het hof het [bijnaam 2] heeft bij de zinsnede “In de iPhone van [medeverdachte 7] stonden immers telefoonnummers van [verdachte] opgeslagen als [bijnaam 5] en [bijnaam 5] ”, kan dit wel uit bewijsmiddel 1 van de bewijsmiddelenbijlage worden opgemaakt. Daarin staat vermeld onder het kopje “Telefoonnummers en bijnamen”:
“ 1. Een proces-verbaal eindrelaas van 26 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-004 en T-748 (doorgenummerde pagina’s 0001 t/m 0081).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
p. 15: Tijdens.het onderzoek zijn van meerdere verdachten maar ook betrokkenen de gesprekken die werden gevoerd met de telefoons opgenomen en afgeluisterd. Indien naar aanleiding van deze gesprekken de identiteit van de gebruiker kon worden vastgesteld werd hiervan een proces-verbaal identificatie.
Aan de verdachte [verdachte] konden de volgende mobiele telefoons worden gekoppeld: [telefoonnummer 8] , [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 10] ( [bijnaam 10] ) en [telefoonnummer 11] .
[….]”
Ik lees de overweging van het hof dan ook zo dat het uit het feit dat in de contacten van de iPhone van zijn medeverdachte [medeverdachte 7] de telefoonnummers die aan de verdachte konden worden gekoppeld waren opgenomen onder de namen “ [bijnaam 5] ” en “ [bijnaam 5] ”, heeft afgeleid dat de bijnaam van de verdachte “ [bijnaam 5] ” is. Dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat de contacten “ [bijnaam 5] ” en “ [bijnaam 5] ” die zijn aangetroffen in de PGP-telefoon van deze medeverdachte ook de verdachte betreffen, is van feitelijke aard en is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van de deelneming aan een criminele organisatie niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de argumenten waarop het hof het oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie heeft gebaseerd geen van alle op zichzelf genomen of in onderlinge samenhang bezien, redengevend kunnen zijn voor de beweerde deelname.
Bij bespreking van het middel is het volgende juridische kader van belang. Op 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad eerdere jurisprudentie inzake art. 140 Sr op hoofdlijnen weergegeven. Ik zal hieronder de relevante passages uit het arrest citeren:
“2.4.3
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.
Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
2.4.4
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking — zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het [bijnaam 2] op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie — en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het [bijnaam 2] op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.”
Tegen deze achtergrond faalt ook het tweede middel. De steller van het middel betwist niet dat sprake was van een organisatie die het oogmerk had misdrijven te plegen. Alleen het oordeel dat de verdachte hieraan heeft deelgenomen, wordt bestreden, maar wat mij betreft tevergeefs en wel om het volgende.
- De verdachte is door twee verbalisanten onafhankelijk van elkaar herkend op de videobeelden als één van de NN-personen die op 8 november 2016 in de avond de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] aan de [c-staat 1] is binnengegaan en na enige tijd deze woning weer heeft verlaten.
- In de bij medeverdachte [medeverdachte 1] thuis aangetroffen drugsadministratie komt verdachtes bijnaam voor. Ook is er een op schrift gestelde financiële administratie gevonden waarop verdachtes initialen staan.
- Bij de verdachte thuis is een administratie aangetroffen die betrekking heeft op de handel in verdovende middelen, in welke administratie bijnamen worden genoemd die ook in de voornoemde bij [medeverdachte 1] aangetroffen administratie voorkomen.
- Bij de medeverdachte [medeverdachte 7] is ook een drugsadministratie aangetroffen. Voorts blijkt uit diens telefoongegevens dat hij van onder meer de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 6] dingen moest uitzoeken en dat [medeverdachte 7] hen op de hoogte hield van de inkomsten en uitgaven van de organisatie.
- De verdachte onderhield contact met medeverdachte [medeverdachte 7] over (vermoedelijk) drugsimport uit Colombia en export naar Australië. Ook kon de verdachte bepalen dat medeverdachte [medeverdachte 1] snipperdagen kreeg.
- Tot slot heeft de verdachte, ondanks het feit dat hij geen legale inkomsten had, een jaar in het buitenland kunnen doorbrengen, heeft hij loon ontvangen uit een fictief dienstverband, welk loon ook terug is te vinden in de drugsadministratie van [medeverdachte 7] , en zijn bij de verdachte thuis grote contante bedragen aangetroffen.
Afgezet tegen de maatstaf die uit de rechtspraak van de Hoge Raad voortvloeit – te weten dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk strafbare feiten te plegen – meen ik dat het hof uit het voorgaande kon en mocht afleiden dat de verdachte deel heeft genomen aan de organisatie door een leidende rol op zich te nemen met betrekking tot de handel in verdovende middelen en het beheer van de gelden die hiermee werden verdiend.
Hetgeen de steller van het middel hier in de schriftuur tegenin brengt, doet hieraan niet af. Het gaat hierbij grotendeels om alternatieve interpretaties van het bewijsmateriaal en die kunnen in cassatie nergens toe leiden indien het hof (de redengevendheid van) het bewijsmateriaal ook anders kan wegen. Het gaat erom of de keuzes die het hof hierbij heeft gemaakt begrijpelijk zijn en of het bewezenverklaarde voldoende is gemotiveerd en dat is het geval.
Het middel faalt.
3. Het derde middel
Het derde middel is beperkt tot de klacht dat het onder 2 bewezen verklaarde verhullen of verbergen van de vindplaats van en het verhullen van de rechthebbende op een geldbedrag niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
feit 2
hij op 6 november 2017 (op het adres [g-straat 2] ) te [plaats]
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.160,00 euro, de vindplaats heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende was
en
voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 20.385,41 en
- horloges en
- een Mercedes Benz E500 met kenteken [kenteken 1] en een Audi Q7 met kenteken [kenteken 2] voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
Bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft het hof het volgende overwogen, voor zover dat betrekking heeft op het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag:
“Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op verschillende plaatsen geldbedragen aangetroffen tot een totaal van € 95.545,41. Een gedeelte van dit geld - drie geldsommen tot een totaalbedrag van € 75.160,00 - was verstopt in een ruimte onder de trap.
(…)
Dit betekent dat bewezen kan worden dat het ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard op de hierna te melden wijze. Daarbij merkt het hof ten aanzien van de ten laste gelegde onderdelen ‘verbergen' en 'verhullen’ nog het volgende op. Zoals hiervoor is opgemerkt, was een drietal geldsommen - tot een totaal van € 75.160,00 - geplaatst in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Deze geldbedragen waren hierdoor goed verborgen. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden gesproken worden van een situatie waarin de verdachte de vindplaats van de geldsommen heeft verborgen en waarin hij heeft verhuld wie de rechthebbende is geweest. Ook dit is overigens door de verdediging niet betwist.”
Daarnaast citeer ik het bewijsmiddel waarin het aantreffen van het geldbedrag in kwestie wordt beschreven:
“2. Een proces-verbaal van bevindingen (aantreffen verborgen ruimte [g-straat 2] te [plaats] ) van 7 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-563 en S-008 (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Bij het doorzoeken van de woning op 6 november 2017 is door Forensische Opsporing een holle ruimte onderkend onder de trap die leidt naar de eerste verdieping van de woning. Ik, verbalisant T 563, zag dat bij het verwijderen van de vloerbedekking op één van de treden een luikje zichtbaar werd. Ik zag dat de vloerbedekking niet vastgelijmd zat aan de trede. Achter dit luikje, wat vast was gemaakt met klemmetjes, zat een holle ruimte. Verbalisanten van Forensische Opsporing haalden achter dit luik een plastic tas met diverse bankbiljetten en twee kartonnen dozen. Verbalisant S-008 zag dat de twee dozen gevuld waren met stapeltjes met bankbiljetten. Ik, verbalisant T-563, zag dat in de eerste plastic tas met opschrift ‘Douglas’ diverse stapeltjes met bankbiljetten zaten.”
Uit de toelichting op het middel leid ik af dat het in de kern gaat om twee vragen, namelijk of het geldbedrag van € 75.160,00 dat in de woning van de verdachte is aangetroffen in de verborgen ruimte die zich achter een luikje onder de vloerbedekking van een traptrede bevond, kan bijdragen aan de bewezenverklaring van:
a) ‘verbergen of verhullen’ van de vindplaats van dat geld, als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr en/of
b) het verhullen wie van dit geld de rechthebbende is als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder a Sr.
Van belang hierbij is op te merken dat ten aanzien van dit bedrag ook het voorhanden hebben ervan was tenlastegelegd, maar dat het hof ervoor gekozen heeft slechts het verbergen of verhullen van de vindplaats ervan of het verhullen wie de rechthebbende is, bewezen te verklaren.
Voor zover het gaat om het verbergen of verhullen van de vindplaats verwijst de steller van het middel naar de arresten van 19 december 2014 en 5 april 2016. Uit beide arresten volgt dat het enkele feit dat in een woning of auto op ongebruikelijke plaatsen geld wordt aangetroffen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het verhullen of verbergen van de herkomst van dat geldbedrag te komen.
Over de vraag of die jurisprudentie één op één vertaald kan worden naar het verhullen van de vindplaats van geldbedragen heeft de Hoge Raad op 28 maart 2023 een arrest gewezen. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat uit de bewijsvoering van het hof niet méér kon worden afgeleid dan dat de verdachte - in losse stapeltjes - geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 had meegevoerd in zijn kleding en onder een autostoel, hetgeen wat betreft de bewezenverklaring van het ‘verbergen en verhullen van de vindplaats’ van deze geldbedragen ontoereikend gemotiveerd was.
De Hoge Raad verwijst in zijn arrest naar de wetsgeschiedenis en citeert uit de Memorie van Toelichting de volgende passage:
“2.3.2 De wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, houdt onder meer het volgende in:
- de memorie van toelichting:
“Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)
Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...).
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» - volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» - zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 27159, nr. 3, p. 14-15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) - gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval - erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.”
(Kamerstukken II 2000/01, 27159, nr. 5, p. 17.)”
Mijn ambtgenoot AG Frielink heeft zich in zijn aan het arrest voorafgaande conclusie afgevraagd waar nu precies de grens ligt tussen het “voorhanden hebben” en het “verbergen of verhullen van de vindplaats”. Hij concludeert, mede aan de hand van de wetsgeschiedenis die de Hoge Raad ook in zijn arrest aanhaalt, dat het verstoppen van een voorwerp kennelijk onvoldoende is om van het verhullen/verbergen van de vindplaats te kunnen spreken. Hij schrijft:
“Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken. Bij een grammaticale interpretatie van het verbergen van de vindplaats wordt wellicht al snel aan het feitelijk verstoppen gedacht, maar voor het verhullen en verbergen van de vindplaats is meer nodig”.
De vraag is vervolgens waaruit dat meerdere dan dient te bestaan? De Hoge Raad volstaat in het arrest van 28 maart 2023 met een verwijzing naar de tekst uit de Memorie van Toelichting. Frielink probeert hier meer handen en voeten aan te geven en verwijst in zijn conclusie onder andere naar een eerder arrest uit 2015. In die zaak was bewezen verklaard dat de verdachte van twee motorfietsen de vindplaats had verhuld door deze te stallen in de achtertuin van derden. Die achtertuin was niet zichtbaar vanaf de openbare weg en deze derden wisten niet wie de motorfietsen daar had neergezet. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte de vindplaats van de motorfietsen had verhuld, niet onbegrijpelijk. Frielink veronderstelt dat de verklaring van dit oordeel is gelegen in de omstandigheid dat het in deze situatie niet enkel ging om het verstoppen van de motorfietsen. De verdachte had ook de schijn gewekt dat de derden, in wier tuin de motorfietsen waren verstopt, de eigenaren waren, terwijl deze derden niet wisten van wie de motorfietsen waren.
Ik deel de analyse van Frielink dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het verstoppen van een voorwerp niet voldoende is om van het verhullen/verbergen van de vindplaats in de zin van art. 420bis Sr te kunnen spreken en “dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken”.
In de onderhavige zaak heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid dat het geldbedrag was opgeborgen in een verborgen ruimte onder een traptrede; de vloerbedekking bedekte een luikje dat deze ruimte afsloot. Dit lijkt mij niet méér dan het enkel bewaren van een voorwerp op een ‘ongebruikelijke’ plek. De in het oordeel van het hof besloten liggende opvatting dat deze wijze van verbergen objectief gezien geschikt is om de vindplaats te verhullen, is niet genoeg om het bewezenverklaarde te kwalificeren als verhullen in de zin van art. 420bis lid 1 onder a Sr en getuigt dan ook niet van een juiste rechtsopvatting.
Ook wat betreft de deelklacht over het verhullen van de rechthebbende op het geldbedrag ben ik het met de steller van het middel eens. Ik zie niet in hoe het verbergen van een geldbedrag in de eigen woning van de verdachte het zicht op de rechthebbende verhult. Buiten het verbergen van het geld blijkt uit de bewijsvoering van het hof niet dat hij enige (andere) poging heeft ondernomen om te verhullen wie de rechthebbende op dit geld is.
Dat betekent dat het middel terecht is voorgesteld.
Dan dringt zich de vraag op of dit tot cassatie moet leiden. De bewezenverklaring ten aanzien van het bedrag van 75.160,00 euro behelst slechts het verhullen en verbergen van de vindplaats en van de rechthebbende op het geldbedrag. Het voorhanden hebben van dit geldbedrag heeft het hof, hoewel eveneens ten laste gelegd, niet bewezen verklaard. Ik heb geaarzeld of de weglating van dit onderdeel uit de bewezenverklaring de aard en ernst van wat verder onder feit 2 is bewezenverklaard aantast. Ik meen alles afwegend van niet. Het gaat weliswaar om een substantieel bedrag, maar in het kader van het geheel van de bewezenverklaring kan dat wel gerelativeerd worden, terwijl ook de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde, “witwassen meermalen gepleegd”, ongewijzigd blijft. Ik kom dan ook tot de conclusie dat voor vernietiging van de uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat, omdat door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.
Het middel faalt.
4. Het vierde middel
Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezen verklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag en drie horloges kan worden gekwalificeerd als witwassen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het gaat bij dit middel om het gedeelte van de bewezenverklaring dat de verdachte:
“op 6 november 2017 (op het adres [g-straat 2] ) te [plaats]
(…)
voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van € 20.385,41 en
- horloges (..,)
- (…)
voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het kennelijke oordeel van het hof dat de onder 1 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie geen eigen grondmisdrijf betreft waaruit de voorhanden witwasvoorwerpen direct kunnen zijn verkregen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen wel degelijk dat het aannemelijk is dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen uit de door de verdachte zelf begane misdrijven, namelijk zijn deelname aan een organisatie die zich bezighield met de grootschalige handel in verdovende middelen en witwassen, afkomstig waren.
Overwegingen van het hof ten aanzien van het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond
Het hof heeft het namens de verdachte gedane beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond als volgt gemotiveerd verworpen:
“10.1 Overweging met betrekking tot de kwalificatie-uitsluitingsgrond
De verdediging heeft ten aanzien van, het bedrag van € 20.385,41 en ten aanzien van de drie horloges een beroep gedaan op de zogenoemde kwalificatie-uitsluitingsgrond.
De kwalificatie-uitsluitingsgrond strekt ertoe dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door een verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. De achtergrond van deze uitsluitingsgrond is dat dient te worden voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Met deze uitsluitingsgrond wordt bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane grondmisdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
Uit het voorgaande volgt dat enkel degene die een concreet gronddelict heeft begaan, terwijl dat gronddelict onmiddellijk tot gevolg heeft dat een voorwerp voorhanden is gekomen, een geslaagd beroep kan doen op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. De deelname aan een criminele (drugs)organisatie kan niet als een concreet gronddelict worden beschouwd in vorenbedoelde zin. Deze deelname, en het strafrechtelijk verwijt dat daarbij aan de deelnemers kan worden gemaakt, dient te worden onderscheiden van het voorhanden hebben door een of meer van die deelnemers van de criminele gelden die door de drugsorganisatie zijn verkregen. Dit voorhanden hebben is een aparte, strafrechtelijk separaat te sanctioneren, gedraging die niet het automatische gevolg is van de deelname aan de criminele (drugs)organisatie. Kort gezegd: de deelname aan een drugsorganisatie is strafrechtelijk te onderscheiden van het witwassen dat door deelnemers aan die organisatie kan worden maar niet automatisch wordt gepleegd.
Voor de conclusie dat een voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is zal met name in de volgende gevallen aanleiding bestaan:
(i) er is sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf);
(ii) uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort dat sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf; of
(iii) de verdachte heeft met voldoende concretisering een toelichting gegeven op dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
Gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385,41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dit betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.
Evenmin is deze grond van toepassing op de drie horloges. De enkele opmerking van de verdachte in een e-mail aan zijn raadsman ten aanzien van de horloges dat hij wel eens werd betaald in natura is, zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij deze horloges direct uit eigen misdrijf heeft verkregen.”
Bespreking van het vierde middel
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. Ten aanzien van het witwassen van een uit misdrijf afkomstig voorwerp volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat een gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd ingeval het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat (i) onmiddellijk afkomstig is (ii) uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De daaraan ten grondslag liggende gedachte is dat hiermee wordt beoogd, te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan (medeplegen daarbij inbegrepen) en die het door dat misdrijf verkregen voorwerp verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch schuldig maakt aan witwassen en wordt ook bevorderd dat in zo’n geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf in de vervolging centraal staat. In het overzichtsarrest worden de volgende drie factoren genoemd die van belang zijn bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de vraag of het voorwerp dat de verdachte voorhanden had dan wel heeft verworven onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf:
“(i)
naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii)
rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van — kort gezegd — het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii)
de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”
Het middel steunt, in navolging van de rechtbank in eerste aanleg, in de kern op de opvatting dat de bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie een eigenstandig gronddelict is waaruit witwasvoorwerpen direct kunnen zijn verkregen.
De rechtbank oordeelde ten aanzien van het witwassen van de geldbedragen, horloges en auto’s in haar vonnis als volgt:
“Nu verdachte een deelnemer van de criminele organisatie was, oordeelt de rechtbank dat deze
geldbedragen en goederen afkomstig waren uit zijn eigen misdrijf. Op grond van de
beschikbare bewijsmiddelen kan dus een rechtstreeks verband gelegd worden met een bepaald
misdrijf van verdachte waaruit deze geldbedragen en goederen afkomstig zijn. De rechtbank
volgt de officieren van justitie dan ook niet in hun visie, dat deze afkomstig waren uit enig
misdrijf(van een derde).”
Ten aanzien van het onder 2, tweede feit cumulatief/alternatief bewezen geachte, ontsloeg de rechtbank de verdachte van alle rechtsvervolging omdat volgens de rechtbank de kwalificatie-uitsluitingsgrond hierop van toepassing was.
Het hof oordeelt anders dan de rechtbank, kort samengevat, dat deelname aan een criminele (drugs)organisatie niet als een gronddelict kan worden beschouwd en dat het voorhanden hebben van gelden die afkomstig zijn uit de delicten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht (in casu de handel in verdovende middelen en witwassen) door een of meer van de deelnemers aan de organisatie dient te worden onderscheiden van de deelname zelf.
Ik meen, anders dan de steller van het middel, dat het hof hierbij is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
De ratio van de kwalificatie-uitsluitingsgrond is – zoals hiervoor al aangegeven – het voorkomen van automatische dubbele strafbaarheid. Die situatie doet zich voor als het verwerven en voorhanden hebben van het voorwerp het vanzelfsprekende gevolg is van het begane misdrijf. Het aanwezig hebben van voorwerpen die een criminele herkomst hebben kan niet als een handeling worden beschouwd die in de deelname aan een criminele organisatie automatisch besloten ligt en vloeit daaruit ook niet noodzakelijkerwijs voort.
Ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat aan de ‘onmiddellijkheid’ van het uit eigen misdrijf afkomstige voorwerp hoge eisen worden gesteld. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar een arrest uit 2022 waarin het ging om fraude met kinderopvangtoeslag. De verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van de Belastingdienst en gewoontewitwassen van de daarmee verdiende gelden. In deze zaak ging het om een verdachte die voor haarzelf en in naam van anderen frauduleuze aanvragen voor kinderopvangtoeslag deed. De toeslag die zij voor zichzelf had aangevraagd, werd uitgekeerd op haar eigen rekening. De toeslag die zij voor anderen had aangevraagd, werd uitgekeerd op de rekening van de ‘aanvragers’, die deze deels moesten afstaan aan de verdachte. Dit gebeurde soms contant en soms giraal. De girale betalingen werden soms eerst gestort op de rekening van een betrokkene die dit geld overmaakte aan de dochter van de verdachte en soms direct overgemaakt aan de dochter van de verdachte alvorens bij de verdachte terecht te komen. De Hoge Raad oordeelde dat het hierop gebaseerde oordeel van het hof “dat de verdachte in totaal € 46.800 heeft ontvangen en dat het bedragen betreft die ten gevolge van de oplichtingshandelingen bij de betreffende aanvragers zijn binnengekomen en vervolgens (voor een deel) zijn doorgeleid naar de verdachte, waardoor de verdachte deze aldus ‘middellijk’ uit misdrijf afkomstige gelden heeft verworven en voorhanden heeft gehad” niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.
Lindenberg merkt in zijn noot bij dit arrest op dat elke verdachte die niet op ground zero van het voltooide grondmisdrijf staat (in dit geval de oplichting) geen beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond toekomt.
In onderhavige zaak heeft het hof, in cassatie niet bestreden, overwogen dat gesteld noch anderszins gebleken is dat het niet verborgen geld, een bedrag van in totaal € 20.385,41, dat de verdachte in zijn woning voorhanden had onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan gronddelict. Daarbij heeft het hof ten overvloede opgemerkt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid, en aan de verdachte ook niet ten laste is gelegd, dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen. Dat geldt volgens het hof ook voor de drie horloges. De enkele opmerking van de verdachte in een e-mail aan zijn raadsman ten aanzien van de horloges dat hij wel eens werd betaald in natura is, zonder enige nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij deze horloges direct uit eigen misdrijf heeft verkregen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Het middel faalt.
5. Het vijfde middel
Het vijfde middel klaagt dat de oplegging van een geldboete van € 100.000 – kort gezegd, omdat de verdachte tot dit bedrag voordeel heeft genoten – onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert in de toelichting aan dat nu het hier gaat om een afroomboete het hof, net als bij een ontnemingsvordering het geval is, concreter had moeten onderzoeken hoeveel de verdachte werkelijk heeft verdiend aan zijn deelname aan de organisatie. Hierbij hadden ook de kosten die de verdachte heeft gemaakt in aanmerking moeten worden genomen, alsmede de waarde van de door het hof verbeurd verklaarde goederen.
Overwegingen hof ten aanzien van oplegging van de geldboete
Ten aanzien van de oplegging van de geldboete en de verbeurdverklaring heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):
“12. Oplegging van straffen
[…]
Het hof is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar passend en geboden is. Ook acht het hof de oplegging van een forse geldboete aangewezen. De drijfveer voor verdachtes handelen zal zijn geweest om veel geld te verdienen. Dat dit ook is gelukt blijkt niet alleen uit de grote omzet van de drugsorganisatie, maar ook uit het feit dat de verdachte, zonder over een legaal inkomen te beschikken, in staat was om ruim een jaar op de vlucht te blijven, waarbij hij - zo blijkt uit de bevindingen van de politie (…) - in Dubai op grote voet leefde. Het hof acht het daarom passend dat de verdachte ook een straf zal worden opgelegd die hem financieel raakt, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat - zoals ter terechtzitting is gebleken - er uiteindelijk geen ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt. Het hof zal de verdachte een geldboete van € 100,000,00 opleggen, die bij niet-betaling zal worden vervangen door een hechtenis voor de duur van 360 dagen. Het hof merkt hierbij op dat in dit geval op basis van artikel 12 van de Opiumwet - in aanmerking genomen dat de waarde van het geld dat de drugsorganisatie heeft verkregen, zoals uit het voorgaande volgt, hoger is dan een vierde gedeelte van het bedrag van de vijfde geldboetecategorie (€ 82.000,00) - een geldboete van de zesde categorie (maximaal € 820.000,00) kan worden opgelegd.
[…]”
Bespreking van het vijfde middel
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de hoogte van een geldboete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit de bewezen verklaarde feiten behaalde voordeel. Bij de oplegging van zo’n boete dient echter rekening te worden gehouden met de hoogte van het daadwerkelijk genoten voordeel. Zo casseerde de Hoge Raad een arrest waarin het hof zijn oordeel kennelijk had gebaseerd op de opvatting dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag dat door de verdachte was witgewassen, ook het daadwerkelijk verkregen voordeel vormde. Dat die witgewassen geldbedragen vermogensbestanddelen zijn die de verdachte tot voordeel (kunnen) strekken, vormt nog niet een toereikende motivering. In een andere zaak had het hof overwogen dat een geldboete een passende bestraffing vormde en had het zich mede gebaseerd op het grote bedrag (enkele tonnen) dat de verdachte ten onrechte van de fiscus had ontvangen. De Hoge Raad achtte dit oordeel onvoldoende met redenen omkleed, gelet op hetgeen de verdediging had aangevoerd over de financiële positie van de verdachte, in het bijzonder inzake het executoriale beslag dat de fiscus in verband met de naheffingsaanslagen met betrekking tot de ten onrechte aan de verdachte betaalde bedragen had gelegd op het enige vermogensbestanddeel van de verdachte, op grond waarvan de verdachte niet in staat zou zijn een opgelegde geldboete te betalen.
Wat betekent dit nu voor de onderhavige zaak? De eerste vraag die bij beantwoording van het middel van belang is, is of de opgelegde geldboete inderdaad kan worden aangemerkt als ‘afroomboete’. Ik meen van wel. Hoewel de enkele overweging dat de geldboete is opgelegd met het doel de verdachte financieel te raken onvoldoende is om te concluderen dat de opgelegde geldboete ook een reparatoir karakter heeft, duidt de overweging van het hof dat het hierbij mede in aanmerking heeft genomen dat “geen ontnemingsprocedure tegen de verdachte aanhangig is gemaakt” erop dat het doel van de geldboete mede is gelegen in het ontnemen van het voordeel dat de verdachte door zijn criminele handelen heeft genoten. Ik wijs ter vergelijking op een arrest uit 2019 waarin het hof had overwogen dat het de door het openbaar ministerie geëiste straf onvoldoende afschrikwekkend achtte “om recidive te voorkomen”. Volgens het hof kon het besef dat uit financieel gewin gepleegde criminaliteit niet lonend is, bij de verdachte of anderen de prikkel wegnemen om zich (opnieuw) schuldig te maken aan strafbare feiten. Bij de keuze om een geldboete op te leggen, was verder in aanmerking genomen dat niet was aangekondigd dat tegen de verdachte een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. De Hoge Raad oordeelde “[d]at het daarin besloten liggende oordeel dat de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot 'afroming' van het door deze feiten verkregen voordeel, […] niet blijk [geeft] van een onjuiste rechtsopvatting”.
Gelet op het voorgaande is het de vraag of het hof, zoals de steller van het middel aanvoert, was gehouden om nader te motiveren hoeveel voordeel de verdachte heeft genoten door zijn deelname aan de criminele organisatie.
Ik kan mij op zichzelf vinden in zijn betoog dat ingeval een geldboete is opgelegd die mede strekt tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de feitenrechter moet motiveren hoe hoog hij dit voordeel schat, tenzij uit het vonnis of arrest volgt dat de hoogte van het voordeel aanzienlijk hoger is dan de opgelegde geldboete. Ik wil niet zover gaan dat – net als bij een ontnemingsvordering het geval is – het voordeel moet kunnen worden vastgesteld aan de hand van bewijsmiddelen (zie art. 511f Sv), maar dit voordeel zal wel – net zoals bij alle omstandigheden die de feitenrechter bij de oplegging van de straf in zijn oordeel betrekt – uit het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gebleken.
Verder ben ik het ook met de steller van het middel eens dat bij oplegging van een afroomboete rekening dient te worden gehouden met voordeel dat wordt ontnomen door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengsten van door de verdachte begane strafbare feiten.
Daarbij speelt voor mij een rol, dat het niet zo moet zijn dat de waarborgen voor de verdediging waarmee de ontnemingsprocedure is omkleed, omzeild kunnen worden door het door de verdachte genoten voordeel over de band van een geldboete te ontnemen. Hiermee samenhangend lijkt mij ook dat de redelijkheid gebiedt dat de rechter zijn voornemen om een dergelijke boete op te leggen kenbaar maakt, zodat de verdediging verweer kan voeren op dit vlak.
Op alle drie de punten schuurt het wat mij betreft in de onderhavige zaak. Ten eerste heeft het hof geen overwegingen gewijd aan de geschatte hoogte van het genoten voordeel. Ten tweede blijkt ook nergens uit dat het rekening heeft gehouden met de verbeurd verklaarde geldbedragen, auto’s en horloges, waarvan de waarde tezamen bijna € 190.000 bedraagt. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat deze voorwerpen verbeurd zijn verklaard op grond van art. 33a lid 1 onder b Sr (corpora delicti) en de jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook rekening moet worden gehouden met verbeurdverklaring ziet op voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als baten van het strafbare feit (art. 33a lid 1 sub a Sr).
Tot slot wijs ik ten aanzien van het derde punt op het feit dat in eerste aanleg geen geldboete is opgelegd en ook de advocaat-generaal bij het hof niet heeft gerekwireerd tot oplegging van een geldboete. Onder deze omstandigheden heeft de verdediging niet kunnen zien aankomen dat een afroomboete aan de verdachte zou worden opgelegd en is haar de kans ontnomen verweer te voeren over de hoogte van het door de verdachte genoten voordeel.
Ik vraag me echter af of dit in het onderhavige geval meebrengt dat – zoals de steller van het middel meent – de oplegging van de geldboete ontoereikend is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. Uit het arrest blijkt namelijk dat de verdachte een leidende positie had in een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige drugshandel, waarvan de inkomsten in het ‘seizoen 16/17’ bijna 4 miljoen euro betroffen. In combinatie met het feit dat de verdachte een jaar op de vlucht kon blijven, gedurende welke periode hij, zo blijkt uit bewijsmiddel 70 “veel geld” uitgaf aan zogenaamde “VIP tafels”, lijkt mij dat de hoogte van de opgelegde geldboete niet onbegrijpelijk is en ook zonder nadere toelichting toereikend is gemotiveerd.
Het middel faalt.
6. Het zesde middel
In het zesde middel wordt geklaagd dat de motivering van de verbeurdverklaring van diverse auto’s, geldbedragen en andere luxegoederen tekortschiet, omdat het hof de waarde van deze voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op de betalingsverplichting die voortvloeit uit de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 100.000. Nu de geldboete strekt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had het hof het bedrag dat verbeurd is verklaard, moeten aftrekken van de op te leggen geldboete.
Over deze klacht kan ik kort zijn. Strikt genomen gaat het hier om een klacht die eigenlijk betrekking heeft op de hoogte van de (gestelde) afroomboete waarover in het vijfde middel wordt geklaagd. Het niet in aftrek brengen van de verbeurd verklaarde goederen tast immers alleen de begrijpelijkheid van de oplegging van de geldboete aan en niet de begrijpelijkheid van de verbeurdverklaring zelf.
Dat betekent dat het zesde middel faalt.
7. Slotsom
De middelen falen. Afgezien van het vijfde middel kunnen deze worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG