PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04713 E
Zitting 1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
‘1. Tegen de arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende misdrijven staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, en de verdachte.
2. Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van EUR 250.
3. Tegen de arresten, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.’
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
‘op 7 februari 2019 te Amsterdam in de Fred. Roeskestraat een papieren zakdoek op de grond heeft gegooid en achtergelaten zonder gebruik te maken van een van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bak of mand of soortgelijke voorwerp.’
6. Ingevolge art. 1a, aanhef en onder 3o, Wet op de economische delicten zijn overtredingen van art. 10.23 Wet milieubeheer economische delicten ‘voor zover aangeduid als strafbare feiten’. Ingevolge art. 2, vierde lid, WED gaat het om overtredingen.
7. Art. 10.23 Wet milieubeheer luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
‘1. De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.
2. Onverminderd artikel 10.14 wordt bij het vaststellen of wijzigen van de verordening rekening gehouden met het gemeentelijke milieubeleidsplan, indien in de gemeente een milieubeleidsplan geldt.
3. De afvalstoffenverordening bevat geen regels als bedoeld in artikel 10.48.’
8. De economische politierechter heeft onder de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 18 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 vermeld. Dat artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
‘1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.’
9. Art. 22 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 maakte duidelijk dat een gedraging in strijd met art. 18 een strafbaar feit in de zin van art. 1a, onder 3o, Wet op de economische delicten was.
10. Uit een en ander blijkt dat het bewezenverklaarde een economisch delict betreft. Tegelijk volgt de strafbaarheid uit een verordening van een gemeente. Dat doet de vraag rijzen of de uitzondering van art. 427, derde lid, Sv van toepassing is.
11. De redactie van art. 427 Sv wijst in samenhang met de kwalificatie van de overtreding in de richting van een ontkennend antwoord. De verdachte is in de onderhavige zaak niet veroordeeld wegens overtreding van een verordening van een gemeente, maar wegens overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.23, eerste lid, Wet milieubeheer.
12. De achtergrond van art. 427, derde lid, Sv wijst in dezelfde richting. Het artikellid is terug te voeren op een amendement dat is aangenomen bij de behandeling van de wet die het beroep in cassatie in lichte overtredingszaken uitsloot en de schriftuurverplichting invoerde. Het amendement strekte er blijkens de toelichting toe te voorkomen dat de Hoge Raad de controle op de lagere regelgeving ‘bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of zij strijdig is met hogere regelgeving’ wordt ontnomen. Daarbij lijkt in het bijzonder te zijn gedacht aan APV-bepalingen die in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting. Dat duidt erop dat het artikellid ziet op overtredingen van verordeningen waar, voor zover het de gemeente betreft, op grond van de Gemeentewet straf op is gesteld.
13. Een andere uitleg zou ook impliceren dat de enkele omstandigheid dat het overtreden voorschrift uiteindelijk op gemeentelijk of provinciaal niveau is geformuleerd, meebrengt dat de hoofdregel van art. 427, tweede lid, Sv niet van toepassing is. Dat zou een oneigenlijke consequentie verbinden aan een keuze die op gronden die met de uitvoering van de betreffende wettelijke regeling samenhangen gemaakt wordt. Daarbij zijn er verschillende manieren waarop de normstelling over de wettelijke regeling en lagere regelgeving verdeeld kan worden. Een interpretatie waarin art. 427, derde lid, Sv alleen ziet op verordeningen die (wat gemeentes betreft) zijn vastgesteld op grond van art. 154 Gemeentewet heeft zo bezien ook het voordeel van helderheid.
14. Vermelding verdient nog dat de uitzonderingsbepaling voor overtredingen van verordeningen van lagere overheden in het voorstel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt geschrapt.
15. Een en ander brengt mee dat ik meen dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ingeval Uw Raad anders oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
16. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden