3. Bewijsverweren
(…)
Zaak 7
Verzochte getuigen ( [verbalisant] ) niet gehoord, verklaringen uitsluiten van bewijs. Sole or decisive-toets niet gehaald: geen goede reden niet (opnieuw) op te roepen, verklaring is decisive en – vanwege geen enkele invulling gegeven aan het onmiddellijkheidsbeginsel – onvoldoende procedurele compensatie geboden.
Conclusie: vrijspraak.’
Bespreking van het middel
20. Het middel bevat de klacht dat het ondervragingsrecht is geschonden doordat het hof het verzoek tot het horen van getuigen heeft verworpen. In de toelichting wordt aangevoerd dat het gebruik van de verklaring van getuige [verbalisant] in de bewijsconstructie een schending van artikel 6 EVRM oplevert omdat de sole or decisive-toets niet is gehaald en onvoldoende procedurele compensatie is geboden.
21. Uw Raad heeft in een arrest van 20 april 2021, naar aanleiding van het arrest van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland, het volgende overwogen over beslissingen op een verzoek tot het horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd en de beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure (met weglating van voetnoten):
‘Implicaties van de uitspraak van het EHRM voor beslissingen op verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen
(…)
2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
2.9.3 Het vorenstaande betekent niet dat elk verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de – in artikel 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van artikel 315 Sv van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. In de rechtspraak van het EHRM zijn onder meer deze gronden erkend als goede reden voor het niet oproepen en horen van een getuige. Verder verzet artikel 6 EVRM zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
(…)
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
2.12.1 De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2 Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3 De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.
Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.’
22. In een arrest van 12 oktober 2021 heeft Uw Raad ter verduidelijking van eerdere rechtspraak overwogen dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is, maar dat dit er niet aan afdoet dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd.
23. In de onderhavige zaak is duidelijk dat verbalisant [verbalisant] een belastende getuige is, en dat de bewezenverklaring ‘uitsluitend of in beslissende mate’ op zijn waarnemingen is gegrond. De bewezenverklaring is immers (enkel) gebaseerd op de verklaring van deze verbalisant, neergelegd in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Bij de beslissing op het (voorwaardelijke) getuigenverzoek moest het belang bij het (oproepen en) horen van [verbalisant] derhalve worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat het verzoek tot het horen van [verbalisant] zonder meer moest worden toegewezen. Uw Raad wijst erop dat artikel 6 EVRM zich er niet tegen verzet dat de rechter een verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. En dat dit geval zich kan voordoen ‘indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist’.
24. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 28 en 29 november 2022, blijkt dat de verdachte in zijn ‘openingsstatement’ heeft gezegd dat zijn recht op een eerlijk proces is geschonden en dat hij heeft verzocht om ‘iedere getuige in de rechtszaal in persoon te ondervragen’ maar dat dit recht hem niet is gegeven. De waarnemingen van verbalisant [verbalisant] zijn door de verdachte niet betwist. De voorzitter heeft melding gemaakt van enkele bij het hof ingekomen stukken, waaronder het e-mailbericht van de raadsvrouw van 20 mei 2020 en de brief van de raadsvrouw van 29 juni 2020 waaruit ik eerder heb geciteerd. In de e-mail is vermeld dat verdachte ‘ontkent het strafbare feit te hebben begaan en stelt dat sprake is van een misverstand’. Zowel in de e-mail als in de latere brief zijn vervolgens vragen geformuleerd; de vragen in de brief zijn in een aanvullend proces-verbaal door verbalisant [verbalisant] beantwoord. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat ‘het hoger beroep is gericht tegen de bewezenverklaring en de strafoplegging’. In het kader van het pleidooi heeft hij gesteld dat de verdachte ‘excessief overheidsoptreden’ heeft ervaren, en dat ‘de verklaring van opsporingsambtenaar [verbalisant] niet tot het bewijs (dient) te worden gebezigd nu de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om het ondervragingsrecht (…) uit te oefenen’.
25. Al met al is in hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht niet te ontwaren op welke grond de waarnemingen van de verbalisant worden betwist. Tegelijk volgt uit de omstandigheid dat de raadsman heeft aangegeven dat het hoger beroep (onder meer) is gericht tegen de bewezenverklaring dat niet kan worden gezegd dat de voor het bewijs gebezigde verklaring ‘betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist’. Daarmee doet zich, gegeven de invulling die Uw Raad heeft gegeven aan het geval waarin ‘the testimony’ van de getuige ‘would have been manifestly irrelevant or redundant’ – meen ik – geen goede reden voor het achterwege laten van het oproepen en horen van verbalisant [verbalisant] voor.
26. Ik teken daarbij aan dat in rechtspraak van het EHRM tot dusver weinig helderheid is geboden over de situaties waarin de rechter kan aannemen dat ‘the testimony’ onmiskenbaar irrelevant of overbodig is.
27. Het EHRM noemt deze weigeringsgrond voorafgaand aan Keskin/Nederland in twee uitspraken inzake Khodorkovskiy en Lebedev/Rusland. In de eerste uitspraak overweegt het EHRM dat ‘the accused is not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. If the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial (…), and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict (…), it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant’ (par. 712). Deze formulering (testimony …is) duidt erop dat het erom gaat of de reeds afgelegde verklaring irrelevant of overbodig is.
28. In de tweede uitspraak citeert het EHRM deze zin uit de eerste uitspraak en ‘finds that the expert reports in question were of significant relevance for the case as part of the body of evidence relied on by the domestic courts in finding the applicants guilty of the offences with which they were charged. Furthermore, the applicants never had the possibility to confront these expert witnesses and to challenge their opinions during the investigation phase (…). By failing to call the expert witnesses and to examine them during the trial, the trial court was basing its conclusions on expert witness evidence which was never examined during the hearing’ (par. 484). De verwijzing naar het belang van het deskundigenbewijs duidt er weer op dat het erom gaat of de reeds afgelegde verklaring irrelevant of overbodig is. De verwijzing naar het ontbreken van een mogelijkheid ‘to challenge their opinions’ tijdens het vooronderzoek kan erop duiden dat het – ook – gaat om het belang dat aan de nog af te leggen verklaring toekomt. Uw Raad wijst in voetnoot 19 van het Post-Keskin-arrest op deze overweging in de tweede uitspraak.
29. In Keskin/Nederland overweegt het EHRM dat het er niet op lijkt dat het gerechtshof ‘took the relevance of the testimony of witnesses A to G – or lack of it – into account when it decided not to accede to the requests of the applicant to call those witnesses, nor have the Government argued that the testimony of any of the witnesses would have been manifestly irrelevant or redundant’ (par. 57). Het eerste deel van de zin duidt erop dat het gaat om het belang van de reeds afgelegde verklaringen, de in het tweede deel gebruikte formulering (‘would have been’) duidt erop dat het gaat om het belang dat aan de nog af te leggen verklaring toekomt. Uw Raad leest deze zin blijkens het Post-Keskin-arrest, zo begrijp ik, aldus dat het (in de kern) gaat om het belang van de nog af te leggen verklaring. Het gaat erom of ‘het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben’. Dat ontbreken van belang bij (opnieuw) horen wordt vervolgens afgeleid uit omstandigheden die op de reeds afgelegde verklaring betrekking hebben.
30. De formulering ‘manifestly irrelevant or redundant’ is ook aan de orde in Bidenko/Rusland (een decision). De zaak betrof een ruzie tussen twee buurvrouwen die escaleerde in een handgemeen. Buurvrouw B liet zich de volgende dag onderzoeken door een dokter, die constateerde dat zij drie blauwe plekken had. Nadat strafvervolging was ingesteld rapporteerde een deskundige (enkele weken later) dat zij ‘found no marks or injuries on B’. Op basis van het eerdere medisch onderzoek concludeerde zij dat de blessures waren toegebracht met een ‘solid blunt object’ en dat zij geen schade aan de gezondheid van B hadden toegebracht. In de loop van de berechting vroeg de verdachte om een verhoor van de deskundige, die zij twee vragen wilde voorleggen: kon een kneuzing op de borst zijn veroorzaakt door een vallende jampot, en kon een kneuzing van 4 bij 4 cm zijn veroorzaakt door een botsing met een ‘seven-millimetre thick list’. De rechter wees dit verzoek af omdat uit het rapport bleek dat de medische documenten waar het op gebaseerd was niet toereikende gegevens bevatten om deze vra(a)g(en) te beantwoorden. De verdachte werd veroordeeld; de rechter citeerde uit het deskundigenrapport in verband met de beschrijving van de blessures. In hoger beroep overlegde de verdachte naar eigen zeggen een onderzoek van een forensisch medisch expert, die (onder meer) stelde dat een kneuzing van 4 bij 4 cm niet kon worden veroorzaakt door een botsing met een voorwerp als door de verdachte omschreven. De veroordeling bleef in hoger beroep in stand.
31. Het EHRM overweegt dat de ‘evidentiary value’ van het deskundigenrapport ‘was marginal, since the report concerned only the presence of the injuries on the victim’s body and the lack of damage to B.’s health – the circumstances which were not in dispute in the present case’. Het EHRM overweegt voorts dat ‘it is a common ground between the parties that in the present case there was no issue of unlawfulness of obtaining the evidence or unreliability of the expert evidence (…); or of the credibility of the expert, or possible conflicts of interests, or flaws in the methods of examination, or insufficiency of materials at the expert’s disposal’ en dat de verdediging geen ‘objection or comment’ op het deskundigenrapport had. Het EHRM stelt vast dat ‘the applicant only sought examination of the expert in order to get corroboration for her allegation that the injuries could have been caused by the jars falling’ en dat de rechter oproeping had geweigerd nu niets in het rapport erop wees dat één van de lezingen van de feiten door de partijen ‘could have been corroborated by it’. Gegeven het duidelijke standpunt van de deskundige ‘as to her inability to draw further conclusions on the basis of the only available medical certificate – the questioning of the expert on the circumstances of the infliction of the injuries would be redundant’.
32. Deze decision past binnen de categorie van zaken waarin de voor het bewijs gebezigde verklaring ‘betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist’. Maar het trekt de aandacht dat het EHRM het oordeel dat ondervraging ‘redundant’ zou zijn (tevens) baseert op de omstandigheid dat (de deskundige heeft aangegeven dat) nadere verheldering van de verstrekte informatie onmogelijk was. En Khodorkovskiy en Lebedev/Rusland (nr. 2) geeft voedsel aan de gedachte dat ondervraging ‘redundant’ had kunnen zijn als in het vooronderzoek een mogelijkheid was geboden om het deskundigenbewijs te onderzoeken.
33. Ik laat een en ander verder rusten nu het per saldo ontbreken van een goede reden voor de afwijzing van een getuigenverzoek als zodanig niet – altijd – meer een grond voor cassatie vormt. Uw Raad overwoog in het Post-Keskin-arrest dat het ‘belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces’. Dat de verdachte wiens getuigenverzoek op ontoereikende gronden was afgewezen onvoldoende belang had bij cassatie werd door Uw Raad aangenomen in een zaak waarin de rechter-commissaris voorafgaand aan het verhoor van een aantal getuigen aan de verdachte de gelegenheid had gegeven schriftelijke vragen in te dienen. Aan de verdachte was aldus ‘een belangrijke compensatiemogelijkheid geboden voor de beperkingen die door toedoen van de verdachte zijn ontstaan als gevolg van het horen van getuigen buiten aanwezigheid van de verdediging, waarvan de verdachte - zonder dat hij daarvoor een reden heeft opgegeven - geen gebruik heeft willen maken’. Uw Raad nam tevens in aanmerking dat de bewezenverklaring mede steunde op een door de verdachte zelf afgelegde verklaring.
34. Het hof heeft overwogen dat voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om [verbalisant] te (doen) ondervragen, ‘zodat het gebruik van de door hem afgelegde verklaring niet in strijd is met artikel 6 EVRM’. [verbalisant] is, aldus het hof, ‘weliswaar niet in aanwezigheid van de verdediging gehoord, maar de (toenmalige) raadsvrouw van de verdachte is in de gelegenheid gesteld hem schriftelijk te bevragen, waartoe zij op 29 juni 2022 vragen heeft opgesteld’. Het hof overweegt voorts ‘dat zijn antwoorden zijn vermeld in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2020, dat zeer uitgebreid is en is voorzien van foto’s van de situatie ter plaatse’. Het hof is van oordeel dat de verdediging ‘hiermee in voldoende mate (is) gecompenseerd voor het niet in aanwezigheid van de verdediging kunnen bevragen van [verbalisant] ’ en merkt op dat de verdediging ‘niet heeft gesteld dat voornoemd proces-verbaal nog vragen onbeantwoord laat, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het horen van [verbalisant] als getuige geen toegevoegde waarde heeft’.
35. Uit jurisprudentie van het EHRM kan worden opgemaakt dat het geven van de gelegenheid aan de verdediging om voorafgaand aan het verhoor vragen voor de getuige op schrift te stellen niet wordt gezien als een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, maar als een ‘counterbalancing factor’ voor het ontbreken van die mogelijkheid. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om schriftelijk vragen te stellen aan de getuige betekent dat voor de verdediging een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft bestaan, berust dat oordeel dus op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft evenwel ook geoordeeld ‘dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces’ en aldus onderzocht ‘of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige’.
36. In het algemeen geldt, meen ik, dat het enkel bieden van de gelegenheid om schriftelijk vragen voor te leggen aan een getuige niet toereikend is om het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid te compenseren. Zou dat anders zijn, dan zou er weinig overblijven van het uitgangspunt dat de verdedigingsrechten ‘require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him – either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings’. In de onderhavige zaak is de raadsvrouw evenwel niet alleen in de gelegenheid gesteld om de getuige schriftelijk te bevragen, maar heeft zij van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Vervolgens zijn die vragen beantwoord in een proces-verbaal van bevindingen dat, zo stelt het hof vast, ‘zeer uitgebreid is en is voorzien van foto’s van de situatie ter plaatse’. De verdediging heeft, zo overweegt het hof, niet gesteld ‘dat voornoemd proces-verbaal nog vragen onbeantwoord laat’. Daarmee duidt het procesverloop erop dat de geboden gelegenheid om schriftelijk vragen te stellen een adequaat alternatief voor mondelinge ondervraging is geweest.
37. Daar komt bij dat de raadsvrouw noch in de eerste e-mail noch in de brief waarin de vragen zijn geformuleerd vraagtekens heeft geplaatst bij de betrouwbaarheid van verbalisant [verbalisant] en dat de dertien vragen die zij heeft geformuleerd niet op de wens(elijkheid) de getuige mondeling te ondervragen duiden. Het gaat om feitelijke vragen die zich uitstekend (en deels zelfs beter) in een proces-verbaal van bevindingen met foto’s laten beantwoorden. De raadsman die ter terechtzitting de verdediging heeft gevoerd, heeft geen kanttekeningen geplaatst bij de gegeven antwoorden en de juistheid van hetgeen door de verbalisant is gerelateerd niet aangevochten. Dat de gerelateerde feiten en omstandigheden worden betwist, kan alleen – indirect – worden afgeleid uit de mededeling dat het hoger beroep (onder meer) is gericht tegen de bewezenverklaring en uit het voorwaardelijk getuigenverzoek. Tegen die achtergrond legt het ontbreken van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsmogelijkheid – meen ik – beperkt gewicht in de schaal en brengt de omstandigheid dat het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant het enige bewijsmiddel is waarop de bewezenverklaring steunt niet mee dat de geboden compensatie ontoereikend is.
38. Ik merk in verband met de afweging van de drie beoordelingsfactoren voorts nog op dat het getuigenverzoek een verbalisant betreft waarvan de personalia bekend zijn. En dat uit de overwegingen van het hof kan worden afgeleid dat het de antwoorden die [verbalisant] heeft gegeven op de gestelde vragen zorgvuldig heeft onderzocht. Al met al meen ik dat ’s hofs oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
39. Al met al meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen ‘dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces’.
40. Het middel faalt.
41. Afronding
42. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad niet binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard doch geen straf of maatregel is opgelegd, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG