Nummer22/04204
Zitting 9 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3. Ik besteed eerst aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het arrest dateert van 26 oktober 2022 en namens de verdachte is eerst op 11 november 2022 beroep in cassatie ingesteld. De vraag is daarom of de in art. 432 lid 1 Sv neergelegde hoofdregel, dat cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moet worden ingesteld, in deze zaak van toepassing is.
4. De dagvaarding in hoger beroep is niet in persoon betekend en de verdachte is niet op de terechtzitting van het hof verschenen. Uit de aan de ‘akte instellen hoger beroep’ van 25 juli 2022 gehechte brief blijkt verder dat M. Berbee, advocaat te Den Helder, namens de verdachte een bijzondere (schriftelijke) volmacht heeft verleend tot het instellen van hoger beroep. Uit een e-mail van deze advocaat aan het hof van 8 september 2022 blijkt dat de advocaat op de hoogte was van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2022. Hieruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat ook de verdachte van tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting.
5. Dit betekent dat op grond van art. 432 lid 2 Sv moet worden nagegaan of de verdachte cassatie heeft ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Naast de cassatieakte van 11 november 2022 bevat het dossier geen stuk op basis waarvan is vast te stellen dat de verdachte bekend was met het arrest. De verdachte kan dus worden ontvangen in het beroep in cassatie.
Het middel
6. Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat er door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven zou zijn ingediend.
7. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding blijkt dat namens de verdachte op 25 juli 2022 hoger beroep is ingesteld. Bij deze stukken bevindt zich verder de eerder genoemde e-mail van M. Berbee aan de griffie van het hof van 8 september 2022 met als bijlage een ingevuld grievenformulier van 28 juli 2022. Gelet op de inhoud van dat formulier, waarin staat vermeld dat de verdachte het niet eens is met de strafmaat, is namens de verdachte wel een schriftuur houdende grieven ingediend. Daarom is de beslissing van van het hof dat de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
Slotsom
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen (andere) grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG