PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02838 CW
Zitting 27 augustus 2024
VORDERING TOT
CASSATIE IN HET BELANG DER WET
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Inleiding
Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2021. Deze beschikking is gewezen naar aanleiding van het beroep tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 15 september 2021, houdende afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon. Het hof heeft het hoger beroep inhoudelijk behandeld, geoordeeld dat het zich niet kan verenigen met de beslissing waarvan beroep en de gronden waarop deze berust, het hoger beroep toegewezen met inachtneming van de door het hof gestelde voorwaarden en de beslissing van de rechtbank vernietigd voor zover houdende de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie.
Tegen de beschikking van het hof staat geen gewoon rechtsmiddel open, maar op grond van art. 78 lid 1 RO wel cassatie in het belang der wet.
De rechtsvraag die in deze vordering centraal staat, is of op grond van art. 56 van de Uitleveringswet (hierna ook wel: UW) hoger beroep openstaat tegen een afwijzende beslissing van de rechtbank op een verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie. In de rechtspraktijk wordt daarover (al dan niet impliciet) uiteenlopend geoordeeld. Zo heeft het gerechtshof Den Haag deze vraag in 2021 en 2022 uitdrukkelijk ontkennend beantwoord, terwijl beschikkingen van het gerechtshof Amsterdam uit 2019 en 2021 blijk geven van een tegengestelde opvatting. Op deze beschikkingen kom ik later terug, maar ik merk hier alvast op dat dit in de praktijk tot rechtsongelijkheid leidt.
Alvorens nader in te gaan op de uiteenlopende opvattingen in de rechtspraak over de beroepsmogelijkheid tegen een afwijzende beslissing van de rechtbank op een verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie (onder 4), ga ik eerst in op het uitgangspunt van vrijheidsbeneming in uitleveringszaken en op de mogelijkheden daarvoor op basis van de Uitleveringswet (onder 2) en schets ik het wettelijk kader voor de schorsing van de uitleveringsdetentie (onder 3). Daarna kom ik tot een analyse van art. 56 lid 2 UW (onder 5) en tot het voorstel van een middel van cassatie (onder 6).
Onder 3.7 en 3.8 zal ik de gelegenheid aangrijpen om nog een tweede rechtsvraag op het terrein van het uitleveringsrecht aan de orde te stellen, die eveneens tot uiteenlopende beslissingen in de rechtspraktijk leidt. Ik zal de Hoge Raad in overweging geven ook daaromtrent uitsluitsel te geven.
2. Vrijheidsbeneming op basis van de Uitleveringswet
Uitgangspunt van de Uitleveringswet is de vrijheidsbeneming van een in Nederland verblijvende persoon als wordt verwacht dat zijn uitlevering door een andere staat zal worden, dan wel is verzocht, terwijl tussen Nederland en die andere staat een verdrag van kracht is dat in deze uitlevering voorziet. De vrijheidsbeneming beoogt te verzekeren dat aan het uitleveringsverzoek, nadat de uitlevering is toegestaan, zo spoedig mogelijk gevolg zal kunnen worden gegeven (vgl. art. 39 lid 1 UW). Tegen deze achtergrond voorziet de Uitleveringswet in een scala van mogelijkheden voor vrijheidsbeneming.
De Uitleveringswet voorziet allereerst in mogelijkheden voor vrijheidsbeneming vooruitlopend op de ontvangst van een uitleveringsverzoek, te weten:
- voorlopige aanhouding in afwachting van een voor inwilliging vatbaar uitleveringsverzoek op basis van een bevel van de officier of hulpofficier van justitie (art. 13 juncto 14 lid 1 UW),
- voorlopige aanhouding door een opsporingsambtenaar indien het optreden van de officier van justitie of hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht (art. 14 lid 2 UW),
- ophouding in afwachting van een verzoek om voorlopige aanhouding op basis van een bevel van de officier of hulpofficier van justitie (art. 13a UW),
- inverzekeringstelling op bevel van de officier of hulpofficier van justitie (art. 14 lid 2 en 3 UW) en
- bewaring op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris (art. 15 lid 1 UW).
Voor de situatie waarin een uitleveringsverzoek inmiddels is ontvangen, voorziet de Uitleveringswet vervolgens in (onder meer) de mogelijkheid van:
- aanhouding van de opgeëiste persoon op basis van een bevel van de officier van justitie (art. 21 lid 1 UW),
- inverzekeringstelling tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon beslist, op bevel van de officier van justitie (art. 21 lid 3 UW),
- voortzetting van de voorafgaand aan de ontvangst van het uitleveringsverzoek bevolen inverzekeringstelling of bewaring tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon beslist, op bevel van de officier van justitie (art. 22 lid 1 UW),
- inverzekeringstelling indien de opgeëiste persoon is aangehouden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op bevel van de officier of hulpofficier van justitie en verlenging van deze inverzekeringstelling op bevel van de officier van justitie (art. 22a lid 1 UW),
- voortzetting van de voorafgaand aan de ontvangst van het uitleveringsverzoek bevolen vrijheidsbeneming tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist indien de opgeëiste persoon is aangehouden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Een en ander op bevel van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (art. 22a lid 2 en 5 UW),
- de gevangenneming van de opgeëiste persoon ter zitting op vordering van de officier van justitie door de rechtbank (art. 27 lid 1 UW),
- verlenging van de vrijheidsbeneming door de rechtbank op vordering van de officier van justitie (art. 38 lid 1 juncto art. 37 lid 1 onder b UW),
- aanhouding van een persoon voor een bepaalde termijn (en een eventuele verlenging daarvan) met het oog op de feitelijke uitlevering op bevel van een door de Minister van Justitie aangeschreven officier van justitie (art. 40 lid 1 en 2 UW) en
- verdere verlenging van deze termijn door de rechtbank (art. 40 lid 2 UW).
3. Het wettelijk kader voor opschorting of schorsing van uitleveringsdetentie
Hoewel vrijheidsbeneming bij toepassing van de Uitleveringswet het uitgangspunt is, kunnen er omstandigheden zijn die maken dat het verantwoord kan worden geacht om de opgeëiste persoon de uitkomst van de uitleveringsprocedure in vrijheid te laten afwachten. Te denken valt aan gevallen waarin de kans dat de betrokkene zich aan uitlevering zal onttrekken als zeer gering wordt ingeschat. In art. 56 UW is – naar analogie van hetgeen het Wetboek van Strafvordering (Sv) ten aanzien van de voorlopige hechtenis bepaalt – dan ook al bij de totstandkoming van de Uitleveringswet de mogelijkheid geopend om de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon voorwaardelijk op te schorten of te schorsen.
Art. 56 UW luidde bij de totstandkoming van de Uitleveringswet in 1967:
“1. In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming van een vreemdeling kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht.
2. Op bevelen krachtens het vorige lid gegeven door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris, zijn de artikelen 80 - met uitzondering van het tweede lid - en 81-86 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.”
Art. 56 UW luidt sinds wijzigingen per (onder meer) 1 januari 1988 en 1 oktober 2000 als volgt (zie vetmarkeringen van mij):
“1. In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst totdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 in kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister waarbij de uitlevering is toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht.
2. Op bevelen krachtens het vorige lid gegeven door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris, zijn de artikelen 80 - met uitzondering van het tweede lid - en 81-88 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.”
Art. 56 lid 1 UW
Zoals hiervoor onder 2 is gebleken, kan een beslissing over de vrijheidsbeneming op grond van de Uitleveringswet worden genomen door de officier van justitie, de rechter-commissaris of de rechtbank. Art. 56 lid 1 UW biedt vervolgens de bevoegdheid om telkens wanneer krachtens de Uitleveringswet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming moet worden genomen, te bevelen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst totdat de officier van justitie in kennis is gesteld van de beslissing van de minister van Justitie waarbij de uitlevering is toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht.
Gelet op de huidige redactie van art. 56 lid 1 UW komt aan een verleende opschorting of schorsing van rechtswege een einde zodra de officier van justitie overeenkomstig art. 36 UW in kennis is gesteld van de beslissing van de minister van Justitie waarbij de uitlevering is toegestaan.
In de memorie van toelichting op de wet die voorziet in de hier van belang zijnde wijziging van art. 56 lid 1 UW per 1 oktober 2000, wordt deze wijziging als volgt toegelicht:
“Het eerste lid van artikel 56 van de Uitleveringswet voorziet in de mogelijkheid tot voorwaardelijke opschorting of schorsing van de uitleveringsdetentie, waarbij de te stellen voorwaarden alleen mogen strekken ter voorkoming van vlucht.
De ervaring leert dat deze bepaling met name wordt toegepast in het geval de opgeëiste persoon hier te lande een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tegelijkertijd is gebleken dat ook deze personen van hun vrijheid gebruik maken om zich na ommekomst van de uitleveringsprocedure aan de feitelijke overlevering te onttrekken. In de praktijk is gebleken dat het opheffen van een dergelijke schorsing of opschorting niet het gewenste resultaat heeft, omdat de vordering pas kan worden ingesteld indien blijkt dat de opgeëiste persoon zich niet meer houdt aan de gestelde voorwaarden, zijnde voorwaarden ter voorkoming van vlucht. Aan het doel van de uitlevering, het ter beschikking stellen van de opgeëiste persoon aan de verzoekende staat, is het voortduren van een schorsing of opschorting van de uitleveringsdetentie, nadat de Minister van Justitie positief op het uitleveringsverzoek heeft beslist, eigenlijk tegenstrijdig. Het risico dat de opgeëiste persoon zich aan zijn uitlevering zal onttrekken, neemt immers aanzienlijk toe nadat hij kennis heeft gekregen van een positieve beslissing op het uitleveringsverzoek. In plaats van de officier van justitie die belast wordt met de uitvoering van de uitleveringsbeslissing langer een vordering tot opheffing van de schorsing of de opschorting van de uitleveringsdetentie te laten instellen, wordt voorgesteld de opheffing of schorsing van rechtswege te laten eindigen. Daardoor wordt het bevel bewaring of gevangenhouding voor tenuitvoerlegging vatbaar en krijgt de officier van justitie automatisch een titel om de opgeëiste persoon in uitleveringsdetentie te nemen. Het meest aangewezen moment daarvoor is dat, waarop de officier van justitie door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 36 van de Uitleveringswet in kennis is gesteld van zijn beslissing tot uitlevering. Hij is de eerste die de uitleveringsbeslissing ontvangt en kan alsdan […] onmiddellijk maatregelen nemen om de opgeëiste persoon te detineren, zodat deze na kennisneming van de beslissing zich niet meer aan de uitlevering kan proberen te onttrekken.”
Nadat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 UW in kennis is gesteld van de beslissing van de minister van Justitie waarbij de uitlevering is toegestaan, komt aan de schorsing van de uitleveringsdetentie van rechtswege een einde. Glerum en Rozemond wijzen erop dat de rechtspraak verdeeld is over de mogelijkheid van schorsing of opschorting ná die kennisgeving. Gelet op deze verdeeldheid, breng ik hierna mijn standpunt daarover naar voren en geef ik de Hoge Raad in overweging hieromtrent ook duidelijkheid te verschaffen.
Uit de tekst van de wet valt af te leiden dat de kennisgeving van de minister van Justitie van de beslissing tot het toestaan van de uitlevering meebrengt dat vanaf dat moment de opgeëiste persoon niet langer (al dan niet opnieuw) op grond van art. 56 lid 1 UW voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. Art. 56 lid 1 UW zegt immers dat opschorting of schorsing mogelijk is totdat de officier van justitie in kennis is gesteld van die beslissing. Verder biedt de Uitleveringswet geen andere mogelijkheid voor opschorting of schorsing van de uitleveringsdetentie. Daarbij merk ik op dat een strikte toepassing van art. 56 lid 1 UW nadat de minister de uitlevering heeft toegestaan, geen gevaar van schending van art. 5 EVRM hoeft op te leveren. Immers, de rechtbank kan, zo nodig, ambtshalve of op verzoek van de gedetineerde of zijn raadsman de gevangenhouding van de opgeëiste persoon beëindigen (art. 37 UW). Ook kan de rechtbank de eventuele verdere verlenging van de termijn voor aanhouding weigeren (art. 40 lid 2 UW).
Art. 56 lid 2 UW
Art. 56 lid 2 UW bevat een schakelbepaling. Het verwijst naar bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering die van overeenkomstige toepassing zijn op bevelen gegeven krachtens art. 56 lid 1 UW. De bepalingen waarnaar art. 56 lid 2 UW verwijst, luiden:
- Art. 80 Sv:
“1. De rechter kan - ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte - bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden. De vordering onderscheidenlijk het verzoek zijn met redenen omkleed.
2. […]
3. De zekerheidstelling voor de nakoming der voorwaarden bestaat hetzij in de storting van geldswaarden door den verdachte of een derde, hetzij in de verbintenis van een derde als waarborg. In het laatste geval wordt bij het verzoek overgelegd eene schriftelijke bereidverklaring van den waarborg.
4. De verdachte en de waarborg worden in de gelegenheid gesteld op het verzoek als bedoeld in het eerste lid, te worden gehoord. Van het horen kan worden afgezien, indien het verzoek niet met redenen is omkleed. Van het horen kan voorts worden afgezien indien de verdachte reeds eerder op een verzoek tot schorsing is gehoord.
5. De rechter bepaalt in zijne beslissing het bedrag waarvoor en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.
6. Bij het begeleiden bij de naleving van de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte wordt de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.
7. In de gevallen waarin verlof kan worden verleend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet, blijft deze paragraaf buiten toepassing.”
- Art. 81 Sv:
“1. De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte, in de beslissing tot schorsing wijziging brengen.
2. Wordt een nieuwe waarborg voorgesteld, dan wordt bij het verzoek een schriftelijke bereidverklaring van deze overgelegd.”
- Art. 82 Sv:
“1. De rechter kan ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie te allen tijde de opheffing der schorsing bevelen.
2. Alvorens daartoe over te gaan, hoort de rechter zoo mogelijk den verdachte en kan hij te dien einde, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten.”
- Art. 83 Sv:
“1. Geschiedt de opheffing wegens het niet nakomen van voorwaarden, dan kan bij de beslissing tot opheffing tevens de zekerheid worden vervallen verklaard aan den Staat. Bestaat de zekerheid in eene verbintenis van den waarborg, dan wordt deze alsdan bij die beslissing veroordeeld tot betaling van het als zekerheid gestelde bedrag aan den Staat, ook bij lijfsdwang op hem te verhalen.
2. De beslissing geldt als eene onherroepelijke uitspraak van den burgerlijken rechter en wordt als zoodanig ten uitvoer gelegd.
3. De langste duur van den lijfsdwang wordt bij de beslissing bepaald en gaat bij gebleken onvermogen nimmer den tijd van zes maanden te boven, behoudens hervatting, indien de veroordeelde later in staat geraakt het door hem verschuldigde te voldoen.
4. Indien de verdachte na de opheffing der schorsing zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorloopige hechtenis onttrekt, wordt, indien dit nog niet mocht zijn geschied, de zekerheid vervallen verklaard aan den Staat. De zekerheid wordt eveneens, ook zonder dat de opheffing der schorsing mocht zijn bevolen, vervallen verklaard aan den Staat, indien de verdachte de voorwaarde bedoeld in artikel 80, tweede lid, n°. 2, niet nakomt. De beslissing wordt gegeven ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie. De voorgaande leden zijn van toepassing.”
- Art. 84 Sv:
“1. Indien de verdachte de voorwaarden niet naleeft, of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht, kan zijne aanhouding worden bevolen door het openbaar ministerie, tot het vorderen van de opheffing der schorsing bevoegd en door den officier van justitie van het arrondissement waartoe de plaats behoort waar de verdachte zich bevindt, onder verplichting, wat de laatstgenoemde ambtenaar betreft, tot onverwijlde schriftelijke kennisgeving aan eerstgenoemd openbaar ministerie.
2. Indien dit de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dient het onverwijld zijne vordering bij den rechter in, die binnen tweemaal vier en twintig uren daarna beslist.”
- Art. 85 Sv:
“Indien het voortduren der zekerheid niet langer noodzakelijk is, beveelt de rechter, zoo noodig na verhoor van den verdachte en diens waarborg, ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie, of op het verzoek van den verdachte of diens waarborg, dat de gestorte geldswaarden aan dengene die de zekerheid heeft gesteld, zullen worden teruggegeven, of dat diens verbintenis zal worden opgeheven.”
- Art. 86 Sv:
“1. Alle rechterlijke beslissingen ingevolge deze paragraaf worden genomen door de rechter die - hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep - bevoegd is de voorlopige hechtenis te bevelen of op te heffen, dan wel over het verlengen van de duur daarvan te beslissen.
2. De verdachte is bevoegd zich bij zijn verhoor door de rechter-commissaris te doen bijstaan door een raadsman. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.
3. In geval van opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis beveelt de rechter tevens, dat de gestorte geldswaarden zullen worden teruggegeven aan degene die de zekerheid heeft gesteld, of dat diens verbintenis zal worden opgeheven.
4. De beslissingen worden onverwijld betekend aan de verdachte en aan diens waarborg.
5. De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van beslissingen tot schorsing zijn dadelijk uitvoerbaar.”
- Art. 87 Sv:
“1. Tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris of van de rechtbank tot schorsing, of tot wijziging van een beslissing tot schorsing, staat voor de officier van justitie uiterlijk veertien dagen daarna hoger beroep bij de rechtbank, onderscheidenlijk het gerechtshof, open.
2. De verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, kan eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek bij het gerechtshof in hoger beroep komen, uiterlijk drie dagen na de betekening. De verdachte die in hoger beroep is gekomen van een afwijzende beslissing op een verzoek om schorsing, kan niet daarna van een afwijzing van een verzoek om schorsing in hoger beroep komen.
3. Op het hoger beroep wordt zo spoedig mogelijk beslist.”
- Art. 88 Sv:
“Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.”
Bij de inwerkingtreding van de Uitleveringswet in 1967 verklaarde art. 56 lid 2 UW uitsluitend art. 80 Sv – met uitzondering van het tweede lid – en art. 81-86 Sv (en dus niet art. 87 en 88 Sv) van overeenkomstige toepassing. Art. 56 lid 2 UW voorzag daarmee destijds al in de mogelijkheid tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden en in mogelijkheden voor de beëindiging van de schorsing. Verder maakte deze bepaling (destijds al) het doen stellen van zekerheid mogelijk in gevallen waarin krachtens art. 56 lid 1 UW de voorwaardelijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon werd bevolen, zij het alleen als dit bevel wordt gegeven door de rechter-commissaris (in het kader van de voorlopige aanhouding voorafgaand aan de ontvangst van een uitleveringsverzoek) of de rechtbank (na de ontvangst van het uitleveringsverzoek). Bij een voorwaardelijke opschorting of schorsing van de uitleveringsdetentie op bevel van de officier van justitie, waarvoor art. 56 lid 1 UW ook een basis lijkt te bieden, bestaat de mogelijkheid van het doen stellen van zekerheid dus niet. Gelet op de in art. 56 lid 2 (oud) UW toepasselijk verklaarde bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering is dit niet verwonderlijk, omdat die uitgaan van een rechterlijke tussenkomst bij een zekerheidstelling ter nakoming van voorwaarden.
Pas sinds de inwerkingtreding van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) op 1 januari 1988 verwijst art. 56 lid 2 UW (naast art. 80-86 Sv) tevens naar art. 87 en 88 Sv. Deze wijziging, waardoor dus ook art. 87 en 88 Sv van overeenkomstige toepassing worden verklaard op bevelen die krachtens art. 56 lid 1 UW door de rechtbank dan wel door de rechter-commissaris zijn gegeven, wordt in de memorie van toelichting bij de WOTS slechts als volgt toegelicht:
“Ten einde de Uitleveringswet op het punt van de beroepsmogelijkheden tegen een beslissing al dan niet tot schorsing van de uitleveringsdetentie over te gaan op één lijn te brengen met artikel 65, tweede lid, van dit wetsontwerp wordt voorgesteld ook artikel 87 Sv in uitleveringsprocedures van overeenkomstige toepassing te verklaren.”
Art. 65 WOTS luidt:
“1. In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de voorlopige vrijheidsbeneming van een veroordeelde kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst.
2. Op bevelen krachtens het vorige lid gegeven door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris zijn de artikelen 80-88 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
3. […]”
Noch de invoering van art. 65 WOTS, noch de wijziging die de WOTS meebrengt voor art. 56 UW (waardoor beide bepalingen op één lijn zijn gebracht) worden in de wetsgeschiedenis verder toegelicht dan hiervoor (onder 3.11) is weergegeven. In de latere memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat tot invoering van de Overleveringswet heeft geleid, heeft de wetgever ook geen nadere uitleg gegeven bij het met art. 56 UW overeenkomende art. 64 van de Overleveringswet. Kennelijk heeft de wetgever telkens gemeend dat de wettekst voor zichzelf spreekt en dat een en ander geen nadere toelichting behoeft.
Naar de letter van de wet bezien, opent art. 56 lid 2 UW sinds de aanpassing aan art. 65 WOTS de mogelijkheid om binnen de grenzen van art. 87 Sv in beroep te komen tegen bevelen die krachtens art. 56 lid 1 UW door de rechtbank, dan wel door de rechter-commissaris zijn gegeven. Tot een beoordeling van het beroep tegen dergelijke bevelen van de rechter-commissaris is de rechtbank bevoegd, terwijl voor een beroep tegen dergelijke bevelen van de rechtbank het gerechtshof de bevoegde instantie is. Dit laatste is bijzonder omdat voor de gerechtshoven voor het overige geen rol is weggelegd in de Uitleveringswet.
4. Uiteenlopende standpunten in de rechtspraktijk betreffende de beroepsmogelijkheid
Zoals hiervoor al is aangegeven, blijkt de vraag of hoger beroep openstaat tegen een afwijzende beslissing van de rechtbank op een verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie door gerechtshoven uiteenlopend te worden beantwoord.
In een (niet gepubliceerde) beschikking van 3 september 2021 heeft de raadkamer van het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van een namens de opgeëiste persoon ingesteld hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag, houdende afwijzing van het verzoek om schorsing van de uitleveringsdetentie, overwogen dat de bepalingen inzake de uitleveringsdetentie in de UW een lex specialis vormen ten opzichte van de bepalingen inzake de voorlopige hechtenis in Sv, hetgeen meebrengt dat de betreffende bepalingen in de UW voorrang hebben op andersluidende bepalingen in Sv. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de afwijzing van het schorsingsverzoek geen bevel is als bedoeld in art. 56 lid 1 UW, zodat de artikelen genoemd in art. 56 lid 2 UW niet van overeenkomstige toepassing zijn en daarmee de opgeëiste persoon niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Een latere (eveneens niet gepubliceerde) beschikking van 2 september 2022 van de raadkamer van dit hof bevat vergelijkbare overwegingen. Daaraan wordt alleen nog toegevoegd dat het bepaalde in art. 87 Sv daaraan niet afdoet.
In een beschikking van 13 november 2019 heeft de raadkamer van het gerechtshof Amsterdam overwogen dat art. 56 lid 1 UW bepaalt dat in de daargenoemde gevallen kan worden bevolen dat de vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst totdat de uitlevering is toegestaan, alsmede dat art. 56 lid 2 UW verklaart dat (onder meer) art. 87 Sv van overeenkomstige toepassing is. Het hof leest vervolgens art. 56 lid 1 en lid 2 UW in onderling verband en leidt daaruit af dat er een mogelijkheid van hoger beroep bestaat tegen een afwijzing of toewijzing van een beslissing tot schorsing of opschorting van de uitleveringsdetentie, maar niet tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie (zoals in die zaak aan de orde was). In een beschikking van 25 januari 2017 had dit hof al geoordeeld tot afwijzing van het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, houdende afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie. Verder heeft dit hof in een beschikking van 27 oktober 2021 het beroep van de opgeëiste persoon toegewezen dat was ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 15 september 2021, houdende afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie. Het hof heeft de opgeëiste persoon in de laatstgenoemde twee beschikkingen dus niet niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Uit het voorgaande volgt dat opgeëiste personen door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun beroep tegen een afwijzende beslissing van de rechtbank op een verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie, terwijl opgeëiste personen door het gerechtshof Amsterdam bij een gelijksoortig beroep wél zijn ontvangen. Dit levert – zoals al eerder opgemerkt – rechtsongelijkheid op.
5. Analyse van art. 56 lid 2 UW
Dat voor de officier van justitie op grond van art. 56 lid 2 UW juncto art. 87 lid 1 Sv de mogelijkheid van beroep openstaat tegen een bevel tot schorsing van de uitleveringsdetentie, staat niet ter discussie. Dit ligt anders als het gaat om de vraag of de opgeëiste persoon op grond van art. 56 lid 2 Sv een beroepsmogelijkheid heeft, in het bijzonder als zijn verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie is afgewezen.
Voor het standpunt dat op grond van art. 56 lid 2 UW ook voor de opgeëiste persoon de mogelijkheid van beroep openstaat, zijn zeker argumenten aan te voeren. Zo geldt allereerst dat art. 56 lid 2 UW de toepassing van art. 87 lid 2 Sv niet uitdrukkelijk uitzondert. Daar staat tegenover dat dit strikt genomen ook niet nodig is omdat art. 56 lid 2 Sv naar de letter van de wet alleen van toepassing is op bevelen tot schorsing van de uitleveringsdetentie, waarbij geen sprake is van een afwijzende beslissing als bedoeld in art. 87 lid 2 Sv. Ten tweede kan worden aangevoerd dat de memorie van toelichting op de WOTS met betrekking tot de wijziging van art. 56 UW spreekt over het op één lijn brengen van “de beroepsmogelijkheden tegen een beslissing al dan niet tot schorsing [cursief door mij, D.P.] van de uitleveringsdetentie”. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever veronderstelde dat op grond van art. 65 lid 2 WOTS beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot schorsing (ook) mogelijk is. Daar staat dan weer tegenover dat de memorie van toelichting niet spreekt over het op één lijn brengen van de beroepsmogelijkheden met die in het Wetboek van Strafvordering, maar over het op één lijn brengen van de beroepsmogelijkheden in de Uitleveringswet met (het met art. 56 lid 2 UW overeenkomende en niet nader toegelichte) art. 65 lid 2 WOTS. Op zichzelf genomen, zegt dat dus niet zo veel. Gelet op het voorgaande meen ik dat de letter van de wet uiteindelijk zwaarder moet wegen.
De in het tweede lid van art. 56 UW genoemde strafvorderlijke bepalingen zijn naar de letter van de wet niet van toepassing op “een afwijzing of toewijzing van een beslissing tot schorsing of opschorting van de uitleveringsdetentie”, zoals het gerechtshof Amsterdam in zijn beschikking van 13 november 2019 heeft overwogen, maar slechts op bevelen tot voorwaardelijke schorsing of opschorting van die vrijheidsbeneming (die dus verband houden met (uitsluitend) toegewezen verzoeken tot schorsing of opschorting). Pas dan is immers sprake van een bevel krachtens art. 56 lid 1 UW gegeven, hetgeen gelet op de formulering van art. 56 lid 2 UW een voorwaarde is voor het overeenkomstig toepassen van de daarin genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.
In verband met de interpretatie van art. 56 lid 2 UW zou nog de vraag kunnen rijzen of de opgeëiste persoon, als wordt aangenomen dat die geen beroepsmogelijkheid heeft tegen de afwijzing van een schorsingsverzoek, onevenredig wordt benadeeld ten opzichte van de officier van justitie, die immers wel beroep kan instellen tegen een beslissing tot toewijzing van een schorsingsverzoek. Dit zou vervolgens als een aanwijzing kunnen worden beschouwd dat de wetgever iets anders voor ogen moet hebben gestaan. Ik zou evenwel menen dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Daarbij speelt mee dat de opgeëiste persoon zijn verzoek om schorsing, na een afwijzing, kan herhalen, terwijl de officier van justitie na een toegewezen schorsing op grond van het van toepassing verklaarde art. 82 Sv weliswaar over de mogelijkheid beschikt om de beëindiging van die schorsing te vorderen, maar pas nadat is gebleken dat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden ter voorkoming van vlucht heeft gehouden. Een dergelijke vordering kan de belangen van de om uitlevering verzoekende staat daarmee niet meer dienen.
6. Middel van cassatie
In de beschikking van 27 oktober 2021 van het gerechtshof Amsterdam ging het om een beroep van de opgeëiste persoon tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, waarbij het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie was afgewezen. Het hof heeft de opgeëiste persoon in deze zaak gelet op hetgeen onder 5 is opgemerkt ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
In het belang der wet stel ik daarom het volgende middel van cassatie voor:
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder art. 56 UW juncto art. 87 Sv, doordat het hof in de beschikking van 27 oktober 2021 ten onrechte inhoudelijk heeft beslist over de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 15 september 2021, houdende afwijzing van het verzoek van de opgeëiste persoon tot schorsing van de uitleveringsdetentie, terwijl deze beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep.
Op grond van het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2021 in het belang der wet zal vernietigen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG