4. Gevallen waarin de maatregel kan worden toegepast
Algemene toepasbaarheid maatregel
In de praktijk doen zich strafbare feiten voor waarbij niet kan worden volstaan met geldboetes, taakstraffen of (lichte) vrijheidsstraffen, maar waar gerichte maatregelen nodig zijn om de omgeving te beschermen. Het kan hier gaan om situaties van aanhoudende overlast doordat personen strafbare feiten plegen die de leefbaarheid in bepaalde wijken aantast of om verdachten die – bijvoorbeeld bij bepaalde voetbalwedstrijden of tijdens het uitgaan – bij herhaling vernielingen aanrichten of openlijk geweld plegen. Tevens kan het gaan om een verdachte van een strafbaar feit, bijvoorbeeld eenvoudige mishandeling, die ernstig belastend gedrag jegens het slachtoffer of een getuige vertoont. In dergelijke situaties moet voorkomen worden dat de getuige of het slachtoffer ongevraagd op hinderlijke wijze met de verdachte dreigt geconfronteerd te worden. Zoals aan de orde is gesteld in het spoeddebat over het bericht dat Eindhoven een pedoseksueel niet mag weren (Handelingen II 2009/10, blz. 3665–3674), zijn ook buiten deze gevallen situaties denkbaar waarin de rechtsorde door het gedrag van verdachte dusdanig geschokt is dat het gewenst is dat de rechter een gerichte vrijheidsbeperkende maatregel kan opleggen. Om die reden wordt – mede op grond van het advies van het openbaar ministerie – voorgesteld de sanctie niet te beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen maar deze algemeen toepasbaar te maken. Het wordt aan het oordeel van de strafrechter overgelaten in welke concrete gevallen een wijkverbod, contactverbod of meldplicht een passende sanctie is. De toepassing van de maatregel wordt wel beperkt door het wettelijk omschreven doel van de maatregel: de beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten. Dit betekent dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen.
(…)
Hoger beroep
(…)
Indien de rechter in eerste aanleg de dadelijke tenuitvoerlegging heeft bevolen, beoordeelt het gerechtshof of de dadelijke tenuitvoerlegging moet worden voortgezet. Wanneer het gerechtshof al snel tot het oordeel komt dat de maatregel niet in stand kan blijven, kan het gerechtshof het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid opheffen. In andere gevallen bepaalt het gerechtshof bij de bevestiging van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg of bij het opleggen van de (gewijzigde) maatregel of de directe tenuitvoerlegging moet worden voortgezet of moet worden bevolen. Het gerechtshof bepaalt dan opnieuw de duur en inhoud van de maatregel, met aftrek van de periode gedurende welke de maatregel al van kracht is geweest. De totale duur van de maatregel mag op grond van artikel 38v, derde lid, Sr de periode van ten hoogste twee jaren niet overschrijden. Indien het gerechtshof de oplegging van de maatregel, anders dan de rechter in eerste aanleg, niet nodig acht, of als de verdachte van het onderliggende feit wordt vrijgesproken, beveelt het gerechtshof de beëindiging van de tenuitvoerlegging. Indien wegens het niet naleven van de maatregel vervangende hechtenis is ondergaan, kan er recht op schadeloosstelling zijn. Dit is beschreven in paragraaf 6.1. Ook bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd in het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, houdt het gerechtshof rekening met het aantal dagen gedurende welke de vervangende hechtenis mogelijk reeds is tenuitvoergelegd. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden (artikel 38w, derde lid, Sr). In het (theoretische) geval dat reeds vóór de behandeling van de zaak in hoger beroep de vervangende hechtenis geheel ten uitvoer is gelegd, kan het gerechtshof de maatregel en de vervangende hechtenis slechts bevestigen.’
13. De nota naar aanleiding van het verslag bij voornoemd wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in:
‘Met betrekking tot de door deze leden geschetste casus waarin een gebiedsverbod toegang tot het werk onmogelijk maakt, wil ik allereerst opmerken dat de kans zeer gering is dat een maatregel met een dergelijk verstrekkend gevolg zal worden opgelegd. De rechter zal bij het opleggen van de maatregel namelijk altijd streven naar een – in verhouding tot de belangen van beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten – zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte. Bij een gebiedsverbod zal dus ook zeker rekening worden gehouden met de plaats waar de betrokkene werkt en woont. Een maatregel waardoor werken onmogelijk wordt, zal niet snel voldoen aan deze proportionaliteitstoets. Zo nodig kan de maatregel zodanig worden geformuleerd dat de betrokkene via een vastgestelde route zijn woning of werk kan bereiken. Voor een nadere uitwerking van de wijze waarop de rechter deze afwegingen maakt, verwijs ik graag naar het hierna volgende antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie over de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod en de meldplicht. (…)
3. Inhoud van de maatregel
De leden van de SP-fractie constateren dat de strafrechter met dit wetsvoorstel de bevoegdheid krijgt om bij een veroordeling voor in beginsel ieder denkbaar strafbaar feit aanvullend een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Zij vragen of bewust gekozen is om de toepassing niet te beperken tot overlastgevende of voor een slachtoffer belastende delicten. Ik kan vermelden dat inderdaad bewust is gekozen voor algemene toepasbaarheid van deze maatregel. Deze aanvullende sanctiemogelijkheid voor de rechter is bedoeld voor al die situaties waarin de maatschappij nieuwe strafbare feiten kunnen worden bespaard door gericht de vrijheid van de veroordeelde te beperken. De afweging of in een concreet geval oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel is aangewezen, is ter beoordeling van de strafrechter. Zoals deze leden benadrukken is het van groot belang dat gestreefd wordt naar een zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte bij het opleggen van een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht. Ik ben het er dan ook mee eens dat rekening dient te worden gehouden met de woonplaats van betrokkene en de plaats waar deze werkt of naar school gaat. Zij vragen hoe dit wordt gewaarborgd aangezien dergelijke vereisten niet in het wetsvoorstel zelf zijn opgenomen. Daarnaast vragen zij in dit verband hoe een veroordeelde die van mening is dat de vrijheidsbeperkende maatregel verder gaat dan noodzakelijk, hiertegen kan ageren en binnen welke termijn de veroordeelde zijn zaak in hoger beroep kan voorleggen aan een rechter. Het zal bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel zo zijn dat de rechter steeds zal beoordelen of de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod of de meldplicht proportioneel is ten opzichte van het doel dat met de maatregel wordt beoogd. De inbreuk die de maatregel maakt op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk beschermd recht, is daarbij een wezenlijk punt van afweging. In het concrete geval zal beoordeeld worden of een inbreuk op een fundamenteel recht aanvaardbaar en proportioneel is. Zoals hierna in mijn reactie op concrete voorbeelden van deze leden nader wordt toegelicht, zal een beperking van de mogelijkheid voor de veroordeelde om naar zijn of haar werk of school te gaan deze toets zelden kunnen doorstaan. (…) De rechter zal bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel steeds moeten beoordelen of de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod of de meldplicht proportioneel is ten opzichte van het doel dat met de maatregel wordt beoogd. (…)
De leden van de SP-fractie hebben voorts vragen over de reikwijdte van het gebiedsverbod, het contactverbod en de meldplicht. Zij vragen meer duidelijkheid over welke verboden mogelijk zijn. In het bijzonder willen deze leden meer duidelijkheid hoe specifiek verboden omschreven zullen moeten worden en hoeveel ruimte voor interpretatie de strafrechter heeft. Hiertoe vragen deze leden ten aanzien van een tiental voorbeelden van gebiedsverboden toe te lichten of het de rechter is toegestaan deze op te leggen. Hiervoor heb ik beschreven op welke wijze de strafrechter bij de oplegging van de maatregel in elke concrete zaak de proportionaliteit toetst. De rechter zal telkens een afweging maken tussen de aard van het strafbaar feit, de omstandigheden van het geval, de persoon van de dader en de belangen van het slachtoffer en de samenleving. Dit maakt het niet eenvoudig om in algemene zin uitspraken te doen of een bepaalde maatregel is toegestaan of niet. Wel kan worden vastgesteld dat met de beoordeling van de proportionaliteit door de rechter op een wijze die vergelijkbaar is met bestaande sancties zoals de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling, en de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan, deze sanctie op de meest zorgvuldige wijze in het strafproces is ingebed. Met betrekking tot de door deze leden genoemde voorbeelden kan worden gezegd dat een algeheel verbod niet snel zal voldoen aan de eis van proportionaliteit. Van de voorbeelden die deze leden noemen, betreft dit het huisarrest, het verbod om gebruik te maken van het gehele openbaar vervoer en het verbod om in winkels of supermarkten te komen. Indien de maatregel specifieker wordt geformuleerd of geen primaire levensbehoeften raakt, zal de vrijheidsbeperking eerder proportioneel kunnen zijn. Van de voorbeelden van deze leden gaat het dan om bijvoorbeeld het verbod om in één bepaalde supermarkt te komen of het verbod om in cafés in het centrum van Breda te komen op de donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond.’
14. In een arrest van 6 oktober 2015 heeft Uw Raad zich uitgelaten over de omstandigheden waaronder een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd en over de motivering van de oplegging van die maatregel. Het hof had een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een gebiedsverbod tijdens voetbalwedstrijden opgelegd en daarbij overwogen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan openlijke geweldpleging terwijl hij aanwezig was op de Arena Boulevard in de hoedanigheid van Ajaxsupporter en dat hij al eerder was veroordeeld wegens openlijke geweldpleging. Uw Raad overwoog onder verwijzing naar de wetstekst en een hiervoor weergegeven passage uit de memorie van toelichting dat de vrijheidsbeperkende maatregel ‘kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten’ en dat het hof ‘de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd ter voorkoming van strafbare feiten en dat het daarbij acht heeft geslagen op een eerdere veroordeling van de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging’. Uw Raad oordeelde dat het hof daarmee de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel toereikend had gemotiveerd.
15. Een arrest van Uw Raad van 3 januari 2017 betrof een zaak waarin het hof geen overweging had gewijd aan de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen, een gebiedsverbod en een contactverbod. In cassatie werd geklaagd dat uit het bestreden arrest niet kon volgen of de maatregelen waren opgelegd met als doel beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het opnieuw begaan van strafbare feiten en, zo één of beide doelen aan de oplegging ten grondslag zouden hebben gelegen, waarom daartoe in dit geval was besloten. A-G Hofstee meende dat het cassatieberoep verworpen diende te worden. Hij wees erop dat het bewezenverklaarde feit, belaging, ‘zich in het algemeen al kenmerkt door een hoog recidivegehalte’. En dat uit de bewijsvoering en het dictum kon worden afgeleid dat het hof tot het kennelijke oordeel was gekomen dat er rekening mee moest worden gehouden dat verdachte jegens het slachtoffer opnieuw een strafbaar feit zou plegen dan wel zich belastend naar haar zou gedragen. Hij wees erop dat de verdachte geacht kon worden te begrijpen waarom het hof tot oplegging had beslist, gelet op zijn verklaring ‘dat hij zich kan voorstellen dat zijn gedragingen gezien kunnen worden als stalking’. Hofstee attendeert er verder op dat de verdediging alleen in eerste aanleg heeft opgemerkt dat een contactverbod niet nodig zou zijn ‘en in hoger beroep niets heeft ingebracht tegen de eis van de advocaat-generaal om een contact- en gebiedsverbod conform het vonnis op te leggen’ (randnummer 11). Uw Raad overwoog echter dat het hof gelet op de wettekst en een geciteerde passage uit de memorie van toelichting ‘en mede in aanmerking genomen dat de vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge art. 38v, eerste lid onder 1° of 2°, Sr slechts kan worden opgelegd indien dit strekt tot de beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van het - opnieuw - begaan van strafbare feiten’, had dienen te motiveren waarom het de vrijheidsbeperkende maatregel had bevolen. Nu elke motivering van de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ontbrak, was het middel terecht voorgesteld.
16. In de zaak die voorafging aan een arrest van Uw Raad van 19 november 2019 had het hof de verdachte veroordeeld wegens ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ begaan tegen zijn ex-vrouw. De verdachte was ’s nachts haar woning binnengegaan, waar op dat moment ook twee van hun drie minderjarige kinderen sliepen, en had haar in haar slaapkamer bedreigd met een aardappelschilmes en door tegen haar te zeggen ‘Ik steek je dood!’, ‘ik ga 30 jaar zitten’, ‘ik heb alle deuren op slot gedaan’ en ‘ik heb hier een mes, ik maak je dood!’. Het hof had aan de verdachte onder meer een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een gebiedsverbod en een contactverbod. Laatstgenoemd verbod hield onder meer in ‘dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met (BFK: de drie kinderen) tenzij een dergelijk contact noodzakelijk is in het kader van afspraken die over de omgang met voornoemde (BFK: kinderen) worden gemaakt en voor zover de gezinsvoogd daarbij betrokken is’. In cassatie werd aangevoerd dat het hof een ontoelaatbare inbreuk had gemaakt op art. 8 EVRM door aan de verdachte een contactverbod van vijf jaren met zijn kinderen op te leggen. A-G Spronken merkte onder meer op dat de raadsman inzake het gevorderde contactverbod met zijn kinderen ten overstaan van het hof enkel had aangevoerd ‘dat een contact- en locatieverbod volgens de verdachte overbodig is en het alleen maar nog moeilijker zal maken om contact te hebben met zijn kinderen’ (randnummer 2.19). Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel – ook in het licht van het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven – proportioneel en noodzakelijk was, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd was. Daarbij nam Uw Raad in aanmerking ‘dat, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, het contact tussen de verdachte en zijn kinderen gedurende deze periode niet onmogelijk is, maar is beperkt tot contact waarbij de gezinsvoogd is betrokken en dat plaatsvindt in het kader van afspraken over de omgang met de kinderen’.
17. In een arrest van 9 mei 2023 is Uw Raad ingegaan op de maximale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel en de daarbij te bepalen vervangende hechtenis alsmede de gevolgen van een reeds in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In de betreffende zaak was door de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren opgelegd, inhoudende drie contactverboden en een gebiedsverbod. De rechtbank had bevolen dat vervangende hechtenis zou worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel werd voldaan, met een maximum van 6 maanden, en bepaald dat de maatregel duidelijk uitvoerbaar was. In hoger beroep had het hof een gelijkluidende vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en bevolen dat ook die maatregel dadelijk uitvoerbaar was. In cassatie werd aangevoerd dat het hof had miskend dat de maximale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel vijf jaren is en dat de daarbij te bepalen duur van de vervangende hechtenis maximaal zes maanden is. Uw Raad overwoog het volgende:
‘2.4.1 Op grond van artikel 38v lid 3 Sr kan de rechter aan een verdachte voor een periode van ten hoogste vijf jaren een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen waaraan een of meer van de in artikel 38v lid 2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kan de rechter daarbij - in afwijking van de algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden - op grond van artikel 38v lid 4 Sr bevelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
2.4.2 Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof in hoger beroep een (al dan niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren) vrijheidsbeperkende maatregel oplegt, nadat de rechtbank in eerste aanleg ook al een vrijheidsbeperkende maatregel had opgelegd die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. In dat geval moet - mede gelet op de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis - bij de berekening van de totale duur van de vrijheidsbeperkende maatregel, de periode worden meegerekend waarin de verdachte was onderworpen aan de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De termijn van de maatregel vangt aan op het ogenblik waarop het in eerste aanleg gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ingaat, te weten op de dag van de einduitspraak in eerste aanleg.
2.4.3 Het voorgaande geldt ook als de verplichtingen die in hoger beroep zijn verbonden aan die maatregel (in belangrijke mate) afwijken van de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen (bijvoorbeeld in het geval dat de in eerste aanleg opgelegde verplichtingen een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder a, Sr betreffen, terwijl het in hoger beroep een contactverbod als bedoeld in artikel 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr betreft).
2.4.4 Bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bepaalt de rechter overeenkomstig artikel 38w lid 2 Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel - dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting - wordt voldaan. Op grond van artikel 38w lid 3 Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.)De termijn van zes maanden omvat de periode waarin de verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan in verband met een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in de executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert.
2.5.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de in artikel 38v lid 2 en 38w lid 3 Sr bedoelde maximumduur van de vrijheidsbeperkende maatregel en de daaraan verbonden vervangende hechtenis niet in acht heeft genomen, omdat het hof - nadat de verdachte al ongeveer drie jaren was onderworpen aan de in eerste aanleg dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel - in hoger beroep opnieuw aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren heeft opgelegd en daarbij de totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis heeft bepaald op zes maanden, waardoor “de facto de totale duur” van die vervangende hechtenis twaalf maanden zou bedragen.
2.5.2 Het onder 2.2.3 weergegeven dictum moet zo worden begrepen dat het hof heeft bepaald dat de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel in totaal vijf jaren is, en dat de duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis in totaal zes maanden is, te berekenen op de wijze zoals in 2.4 is weergegeven. Gelet daarop faalt de klacht.
(…)
2.7.1 Opmerking verdient nog het volgende over gevallen als het onderhavige, waarin de verdachte (al) vóór de uitspraak in hoger beroep is onderworpen aan een vrijheidsbeperkende maatregel die in eerste aanleg is opgelegd en daarbij dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
2.7.2 Hoewel geen rechtsregel de rechter daartoe verplicht, heeft het ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging de voorkeur dat het hof - als het deze maatregel opnieuw oplegt - in het dictum van het arrest beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
2.7.3 Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat een door het hof gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van rechtswege in de plaats treedt van een door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel. Het verdient in dat geval echter de voorkeur dat het hof het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv opheft ter voorkoming van onduidelijkheden bij de tenuitvoerlegging. Dit is in het bijzonder van belang als in hoger beroep andere verplichtingen aan de vrijheidsbeperkende maatregel worden verbonden dan in eerste aanleg of als het hof eerder het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op grond van artikel 6:6:6 Sv heeft geschorst.‘
Bespreking van het eerste middel
18. Het eerste middel, dat klaagt over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, valt uiteen in een aantal deelklachten. De eerste drie deelklachten betreffen het gebiedsverbod. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de gevolgen die de verdachte daarvan kan ondervinden in zijn dagelijks leven. In het bijzonder behoorde het hof volgens de steller van het middel aandacht te besteden aan de omstandigheid dat het gebiedsverbod tot gevolg heeft dat de verdachte ‘(meer dan) drie jaren geen toegang heeft tot een plaats met een publiek karakter en belangrijke maatschappelijke functie – het stadhuis – waar voor het dagelijks leven essentiële (overheids)diensten en documenten worden verleend/verstrekt’. De tweede deelklacht houdt in dat de oplegging van het gebiedsverbod een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid. De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de inbreuk op het door artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid, alsook het in artikel 125 lid 1 Grondwet besloten liggende recht op aanwezigheid bij de openbare gemeenteraadsvergaderingen en het in artikel 4 Grondwet en artikel 3 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde actief en passief kiesrecht, terwijl het hof evenmin overwegingen heeft gewijd aan de proportionaliteit en/of noodzakelijkheid van de maatregel zodat de oplegging lijdt aan een motiveringsgebrek.
19. Inzake het opgelegde contactverbod houdt de vierde deelklacht in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de gevolgen die de verdachte daarvan kan ondervinden in zijn dagelijks leven. In het bijzonder had het hof volgens de steller van het middel aandacht behoren te besteden aan de omstandigheid dat de verdachte als gevolg van het contactverbod gedurende een periode van (meer dan) drie jaren geen aanvragen meer kan indienen bij de burgemeester van de gemeente Rotterdam en evenmin nog bezwaar kan instellen tegen diens besluiten. De vijfde deelklacht houdt in dat de oplegging van deze maatregel een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot een ‘independent and impartial tribunal established by law’. En de zesde deelklacht houdt in dat het hof geen overwegingen heeft gewijd aan de noodzakelijkheid en proportionaliteit van deze maatregel zodat de oplegging hiervan lijdt aan een motiveringsgebrek.
20. De deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
21. Art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv houdt in dat de beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, Sv, met redenen zijn omkleed. Tot die beslissingen behoort ook de beslissing over ‘de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald (art. 358, tweede lid, jo. art. 350 Sv). Art. 359, vijfde lid, Sv schrijft daarbij voor dat het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft ‘die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid’. Indien de beslissing afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, geeft het vonnis voorts in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid (art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv). Art. 359 Sv is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep (art. 415, eerste lid, Sv).
22. Uit het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv leidt Uw Raad af dat de motivering duidelijk dient te maken dat de wet oplegging van de straf of maatregel toelaat. Op dit motiveringsvoorschrift, in samenhang bezien met het voorschrift van art. 359, vijfde lid, Sv kan worden teruggeleid dat het vonnis of arrest duidelijk dient te maken dat en waarom de vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten.
23. Het hof heeft overwogen dat het gebieds- en contactverbod worden opgelegd ‘om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw op een vergelijkbare wijze te reageren uit onvrede over ambtenaren van de gemeente Rotterdam’. In aanmerking genomen dat de wijze van reageren waar het hof aan refereert het plegen van strafbare feiten inhield, heeft het hof daarmee tot uitdrukking gebracht dat beide verboden zijn opgelegd ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof heeft vervolgens aangegeven waarom de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Het hof wijst erop dat de verdachte kort nadat aan hem op 15 oktober 2021 een gedragsaanwijzing was uitgereikt weer een bericht over aangever op Facebook had geplaatst, en dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat ‘als hij zich niet gehoord voelt door ambtenaren van de gemeente Rotterdam hij zich genoodzaakt voelt om het hogerop te zoeken, te weten bij aangever’.
24. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in het algemeen gesproken in het licht van de genoemde motiveringsvoorschriften toereikend is gemotiveerd als de rechter heeft uiteengezet dat en waarom er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot invoering van de maatregel leidde, kan worden afgeleid dat de rechter die de maatregel oplegt zich rekenschap zal moeten geven van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel; dat betekent evenwel niet dat de rechter uit hoofde van genoemde motiveringsverplichtingen gehouden is ambtshalve aanvullend uiteen te zetten waarom oplegging proportioneel en noodzakelijk is. Bij de toetsing aan het proportionaliteitsvereiste gaat het om een afweging van belangen; het ligt in de rede dat de verdachte aanvoert dat en waarom sprake is van belangen die aan oplegging in de weg staan. De toetsing aan het subsidiariteitsvereiste valt in belangrijke mate samen met de toetsing aan de wettelijke vereisten voor oplegging. Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat een motivering inhoudend dat voldaan is aan (één van) deze beide vereisten vooral aangewezen kan zijn bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waar de oplegging van de maatregel mee in strijd is.
25. In dat verband merk ik op dat de verdachte heeft verklaard dat hij er geen behoefte aan heeft 'om iedere keer voor de neus van de heer Aboutaleb te staan’, dat hetgeen hem wordt verweten ‘eenmalig’ is geweest’, en dat het dragen van een enkelband voor hem geen enkel probleem is nu hij ‘sowieso aan huis gekluisterd’ is. En dat de raadsman zich ter terechtzitting in hoger beroep heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof betreffende ‘nut en noodzaak’ van een eventueel op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel.
26. In verband met de inbreuk die het gebiedsverbod op de rechten en vrijheden van de verdachte maakt merk ik voorts het volgende op. Het verkrijgen van ‘voor het dagelijks leven essentiële (overheids)diensten en documenten’ van de gemeente is niet alleen mogelijk op het stadhuis, maar op alle locaties ‘Burgerzaken’ van de gemeente Rotterdam. Trouwen of een partnerschap registreren is op elke locatie in Rotterdam mogelijk, ‘als de locatie maar veilig is en voor iedereen toegankelijk’. Het is voorts mogelijk om bij verkiezingen in elk stembureau binnen de gemeente te stemmen. Noch in hoger beroep, noch in cassatie is aangevoerd waarom de omstandigheid dat de verdachte in de betreffende periode niet op het stadhuis zijn stem kan uitbrengen, maakt dat de opgelegde maatregel niet proportioneel zou zijn. Dat de verdachte beperkt is in de mogelijkheid om openbare raadsvergaderingen fysiek bij te wonen, brengt evenmin mee dat de opgelegde maatregel niet proportioneel is. Dat de verdachte is beperkt in zijn passief kiesrecht blijkt niet: de laatste verkiezingen voor de gemeenteraad waren op 16 maart 2022; de vrijheidsbeperkende maatregel is in eerste aanleg op 11 februari 2022 opgelegd. De in hoger beroep opgelegde maatregel is derhalve ten uitvoer gelegd voordat de volgende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Ik merk nog op dat ter terechtzitting in hoger beroep ook niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte een bijzonder belang had om openbare raadsvergaderingen fysiek bij te wonen of belemmerd zou zijn in zijn recht zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad.
27. De steller van het middel wijst in de toelichting onder meer op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven had appellant meegedeeld dat het contact van de gemeente Eindhoven met hem voor één jaar werd verbroken dan wel beperkt. Dit besluit hield onder meer in dat appellant ‘de toegang tot de gemeentelijke gebouwen wordt ontzegd en hem niet wordt toegestaan in te spreken of anderszins een inbreng te hebben in de vergaderingen van de gemeenteraad en de raadscommissies’. De brief zonderde hiervan uit kwesties waarbij appellant ‘persoonlijk een direct belang bij contact met de gemeente heeft’. De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter met juistheid had overwogen dat het Reglement van Orde van de gemeenteraad noch een andere wettelijke bepaling ‘spreekrecht aan burgers ten tijde van de gemeenteraad verleent’. Diens uitspraak waarin het door appellant ingestelde beroep tegen het bezwaar ongegrond was verklaard, werd bevestigd. Annotator Damen gaat in zijn noot onder deze uitspraak in op de achtergronden van de zaak; de steller van het middel citeert zijn standpunt dat appellant ‘als veelschrijver en veelinspreker wel hinderlijk (is), maar zijn democratisch recht om die vergaderingen bij te wonen moet worden gerespecteerd’ (randnummer 7). Het contactverbod in de onderhavige zaak vindt evenwel zijn grondslag in andere gedragingen dan veel schrijven en inspreken.
28. Voor zover de steller van het middel meent dat aan art. 125, eerste lid, Grondwet, en art. 23, eerste lid, Gemeentewet een absoluut recht op toegang tot vergaderingen van de gemeenteraad kan worden ontleend, en dat de wet alleen toestaat dat de voorzitter toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren de toegang tot de vergadering ontzegt (art. 25 Gemeentewet), berust het middel naar het mij voorkomt op een verkeerde wetsuitleg. Er zijn meer straffen en maatregelen waarvan de tenuitvoerlegging meebrengt dat de verdachte of veroordeelde niet in de gelegenheid is vergaderingen van de gemeenteraad of andere vertegenwoordigende organen bij te wonen.
29. In verband met de inbreuk die het contactverbod op de rechten en vrijheden van de verdachte maakt, merk ik op dat uit inhoud en strekking van de maatregel volgt dat het de verdachte niet onmogelijk is gemaakt aanvragen te doen bij het bestuursorgaan ‘burgemeester’. Het verbod houdt in ‘dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met A. Aboutaleb, geboren 29 augustus 1961 te Beni Sidel in Marokko’. Het gaat om contact met de persoon. Ik wijs er in dat verband op dat contact volgens de geciteerde passage in de memorie van toelichting op veel manieren kan plaatsvinden, ‘door middel van telefoneren, aanbellen, langslopen enzovoort’. Dat zijn gedragingen die gericht zijn op persoonlijk contact. Aanvragen die gericht zijn aan de burgemeester worden in behandeling genomen door ambtenaren van de gemeente Rotterdam; in het geval deze ambtenaren in de inhoud van een aanvraag aanleiding zouden zien deze voor te leggen aan de burgemeester, is geen sprake van (indirect) contact zoeken door verdachte. Ik wijs er ook op dat het hof expliciet heeft overwogen dat het gebieds- en contactverbod wordt opgelegd ‘om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw op een vergelijkbare wijze te reageren uit onvrede over ambtenaren van de gemeente Rotterdam’. Die reactie bestond uit het (direct) contact (proberen te) leggen met de persoon, bij diens huis en op het stadhuis.
30. Een en ander kan worden geïllustreerd aan de hand van het door de steller van het middel genoemde artikel 27 van het Reglement rijbewijzen. Daarin is bepaald dat, indien de aanvrager woonachtig is in Nederland, de aanvraag van een rijbewijs dient te zijn ‘gericht tot en te worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen’. In de praktijk vindt de aanvraag plaats door een stappenplan te volgen dat op de website van de gemeente Rotterdam te vinden is. Stap 6 behelst het maken van ‘een afspraak om uw rijbewijs aan te vragen bij een publiekslocatie’.
31. Voor zover Uw Raad van oordeel zou zijn dat desalniettemin onduidelijkheid zou bestaan over de inhoud van het verbod, zou Uw Raad in een overweging of via een clausulering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel tot uitdrukking kunnen brengen dat het contactverbod geen afbreuk doet aan rechten die de verdachte op grond van de wet als burger schriftelijk jegens bestuursorganen kan uitoefenen.
32. Ten slotte vermeld ik dat op 10 oktober 2024 een nieuwe burgemeester van Rotterdam zal worden beëdigd. Tegen die achtergrond kan de vraag rijzen of de verdachte na die datum belang bij cassatie heeft voor zover het middel terecht zou klagen over de inhoud of motivering van het opgelegde contactverbod. Bij voorlopige hechtenis en inbeslagneming, dwangmiddelen waarvan de tenuitvoerlegging vooruit kan lopen op de executie van een straf, geldt dat het belang bij cassatie na het beëindigen van de voorlopige hechtenis of de teruggave of vernietiging van inbeslaggenomen voorwerpen kan komen te ontbreken. Bij de vrijheidsbeperkende maatregel gaat het evenwel niet om een dwangmiddel maar om een maatregel waarvan de tenuitvoerlegging doordat deze dadelijk uitvoerbaar is verklaard reeds (groten)deels is voltooid. Bij een klacht over de motivering van een opgelegde gevangenisstraf wordt niet aangenomen dat de verdachte daar in cassatie geen belang bij heeft ingeval de verdachte deze straf in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. Tegen die achtergrond zou ik niet willen aannemen dat belang bij een klacht over de inhoud of motivering van de maatregel kan vervallen doordat deze reeds ten uitvoer is gelegd.
33. In verband met de deelklachten die de steller van het middel heeft geformuleerd merk ik nog op dat in het voorgaande besloten ligt dat het hof niet behoefde te doen blijken van een afweging tussen het doel van het gebiedsverbod en de gevolgen die de verdachte daarvan kon ondervinden dan wel de inbreuk die het op de door steller van het middel genoemde grondrechten maakt (eerste en derde deelklacht). De oplegging van het gebiedsverbod levert voorts geen ontoelaatbare inbreuk op het in art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid op (tweede deelklacht). Ik wijs er daarbij op dat dit artikel een beperking van de ‘liberty of movement’ toestaat voor (onder meer) ‘the prevention of crime’ en ‘the protection of the rights and freedoms of others’. Ook van een afweging tussen het doel van het contactverbod en de gevolgen daarvan voor de verdachte dan wel van nadere overwegingen inzake de noodzakelijkheid behoefde het hof niet te doen blijken (vierde en zesde deelklacht). En de oplegging van de maatregel vormt niet een ontoelaatbare inbreuk op het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot een ‘independent and impartial tribunal established by law’ (vijfde deelklacht). De steller van het middel laat ook na uit te leggen waarom A. Aboutaleb een ‘tribunal’ zou zijn.
34. Al met al meen ik dat de deelklachten falen. Daarmee faalt het middel.
Bespreking van het tweede middel
35. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te bevelen dat de periode waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds van kracht was op grond van de door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 11 februari 2022 bevolen dadelijke uitvoerbaarheid, in mindering dient te worden gebracht op de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel die het hof bij arrest van 29 november 2022 heeft opgelegd.
36. In de onderhavige zaak heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor een periode van 3 jaren. Die maatregel hield in dat de verdachte werd bevolen ‘zich niet te bevinden binnen een straal van 100 meter van de [b-straat] te Rotterdam en de Coolsingel 40 (stadhuis) te Rotterdam, na vandaag’ en ‘zich te onthouden van direct of indirect contact met de heer A. Aboutaleb, geboren 29 augustus 1961 te Beni Sidel in Marokko, na vandaag’. De politierechter heeft voorts bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, 1 week bedraagt, met een totale duur van ten hoogste zes maanden, en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
37. In hoger beroep heeft het hof twee maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd welke gezamenlijk dezelfde inhoud hebben als de door de politierechter opgelegde maatregel. Ook het hof heeft bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan en bepaald dat de duur van deze vervangende hechtenis één week bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. En het hof heeft bevolen dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. Het hof heeft niet bevolen dat de periode waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds van kracht was op grond van de door de politierechter bevolen dadelijke uitvoerbaarheid, in mindering dient te worden gebracht op de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel die het hof heeft opgelegd.
38. Gelet op de inhoud van het hiervoor weergegeven arrest van Uw Raad van 9 mei 2023 moet het dictum van het hof – meen ik – zo worden begrepen dat het hof heeft bepaald dat de duur van de vrijheidsbeperkende maatregel(en) in totaal – dus inclusief de tijd waarin de vrijheidsbeperkende maatregel reeds van kracht was op grond van de door de politierechter bevolen dadelijke uitvoerbaarheid – drie jaren is, en dat de duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis in totaal zes maanden is. Ik merk daarbij op dat het arrest van het hof dateert van vóór de datum waarop Uw Raad bedoeld arrest wees.
39. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Bespreking van het derde middel
40. Het derde middel bevat twee klachten met betrekking tot de samenstelling van de meervoudige kamer die het bestreden arrest heeft gewezen. Aangevoerd wordt (i) dat ‘het arrest in strijd met artikel 5 lid 2 Wet RO jo. artikel 6 lid 2 Wet RO niet is gewezen door drie rechterlijke ambtenaren "van wie een als voorzitter optreedt" en/of dit niet uit het arrest kan blijken’, althans (ii) dat ‘in strijd met (de ratio van) artikel 7 lid 1 Wet RO na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting een "voorzitterswissel" heeft plaatsgevonden.’
41. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende (leden van) wetsartikelen van belang:
Artikel 5 Wet RO:
‘1. Op straffe van nietigheid geschiedt de uitspraak van vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken in het openbaar en bevatten deze beslissingen de gronden waarop zij berusten.
2. Op straffe van nietigheid worden de beschikkingen, vonnissen en arresten in burgerlijke zaken en strafzaken gewezen en de uitspraken in bestuursrechtelijke zaken gedaan met het in deze wet bepaalde aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.’
Artikel 6 Wet RO:
‘1. Het bestuur van een gerecht vormt voor het behandelen en beslissen van zaken en het beëdigen van de daartoe bij de wet aangewezen functionarissen enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan.
2. Tenzij in deze wet anders is bepaald, bestaan de meervoudige kamers uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, van wie een als voorzitter optreedt. Indien ook anderen dan rechterlijke ambtenaren deel uitmaken van een meervoudige kamer, treedt een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast op als voorzitter.’
Artikel 7 Wet RO:
‘1. De voorzitter van de meervoudige kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag. De voorzitter geeft als laatste zijn oordeel.’
Artikel 365 Sv:
‘1. Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak onderteekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door den griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest.
2. Zoo één of meer hunner daartoe buiten staat zijn, wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.’
Artikel 365a Sv:
‘1. Zolang geen gewoon rechtsmiddel is aangewend kan worden volstaan met het wijzen van een verkort vonnis.
2. (…)
3. Aanvulling geschiedt binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel, of indien de verdachte zich alsdan terzake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, binnen drie maanden, na het aanwenden van het rechtsmiddel.’
Artikel 365b Sv:
‘1. De aanvulling bedoeld in artikel 365a, tweede lid, wordt ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen of bij hun ontstentenis door de voorzitter van het gerecht.’
42. Ingevolge art. 415, eerste lid, Sv zijn de geciteerde leden van de artikelen 365-365b Sv op het rechtsgeding voor het hof van overeenkomstige toepassing.
43. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehouden op 15 november 2022 is gerelateerd dat mr. B. Stapert als voorzitter is opgetreden. Daarnaast is in dit proces-verbaal vermeld dat het bij afwezigheid van de voorzitter is ondertekend door de oudste raadsheer. Gelet op de rechts onder deze tekst geplaatste handtekening en de handtekening waarmee de aanvulling is ondertekend (die daarmee sterke overeenkomsten vertoont), is hiermee gedoeld op mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst. De naam van deze raadsheer is in het proces-verbaal van de betreffende terechtzitting als eerste opgenomen bij de (overige) leden van de meervoudige kamer; daaruit kan worden afgeleid dat mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst de oudste raadsheer was. Dat wordt door de steller van het middel ook niet betwist. Het bezwaar van het middel richt zich tegen de weergave van de namen van de leden van de meervoudige kamer onder het arrest. Daar is namelijk niet mr. B. Stapert als eerste opgenomen, maar mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, terwijl mr. B. Stapert als derde is vermeld. Voorts is onder het arrest niet vermeld wie als voorzitter is opgetreden.
44. Het middel berust allereerst op de opvatting dat uit het samenstel van de artikelen 5 en 6 Wet RO moet worden afgeleid dat uit de tekst van het arrest moet volgen welk lid van de meervoudige kamer als voorzitter is opgetreden. Het middel berust daarmee op een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 6 Wet RO bepaalt dat het bestuur van een gerecht voor het behandelen en beslissen van zaken enkelvoudige en meervoudige kamers vormt en dat de meervoudige kamers – tenzij anders is bepaald in de wet – uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast bestaan, van wie een als voorzitter optreedt. Uit dat artikel volgt niet dat uit het vonnis of arrest dient te blijken welke rechter of raadsheer als voorzitter is opgetreden. Artikel 5 Wet RO bepaalt dat (op straffe van nietigheid) de beschikkingen, vonnissen en arresten in strafzaken worden gewezen met het in de Wet RO bepaalde aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast. Dat brengt mee dat uit het vonnis of arrest dient te volgen welke rechters of raadsheren het vonnis of arrest hebben gewezen. Uit artikel 5 Wet RO volgt niet dat in het arrest wordt aangegeven welke rechterlijke ambtenaar als voorzitter is opgetreden. Ook uit de artikelen 365, 365a en 365b Sv in verbinding met artikel 415 Sv volgt niet dat in het arrest moet worden geëxpliciteerd welk lid van de meervoudige kamer als voorzitter is opgetreden. In zoverre faalt het middel derhalve.
45. Het middel berust daarnaast op de opvatting dat uit de omstandigheid dat niet mr. B. Stapert maar mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst in het arrest als eerste is vermeld bij de leden van de meervoudige kamer kan worden afgeleid dat er een ‘voorzitterswissel’ heeft plaatsgevonden na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De enkele omstandigheid dat mr. B. Stapert onder het arrest niet als eerste lid van de meervoudige kamer is vermeld geeft echter geen aanleiding om dat te concluderen. Nu de juistheid van het proces-verbaal van de terechtzitting niet wordt betwist en het verkorte arrest daarmee niet in strijd is, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat mr. B. Stapert zowel ter terechtzitting als in raadkamer als voorzitter is opgetreden. Het middel mist in zoverre dus feitelijke grondslag.
46. Voor zover de steller van het middel nog aanvoert dat er goede gronden bestaan waarom het arrest dient te vermelden wie van de rechterlijke ambtenaren bij het wijzen daarvan is opgetreden als voorzitter, omdat – kort gezegd – niet iedere rechterlijke ambtenaar zonder meer bevoegd is om op te treden als voorzitter van de meervoudige kamer, merk ik ten overvloede nog op dat de steller van het middel niet heeft aangevoerd dat ofwel mr. B. Stapert ofwel mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst in de onderhavige zaak niet bevoegd zou zijn geweest om als voorzitter op te treden en dat uit het openbare register ‘Beroepsgegevens en nevenfuncties van rechters’ bovendien blijkt dat mr. B. Stapert met ingang van 1 september 2022 als raadsheer is verbonden aan het Gerechtshof Den Haag en dat mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst met ingang van 1 januari 2014 als senior-raadsheer is verbonden aan het Gerechtshof Den Haag.
47. Het middel faalt.
Bespreking van het vierde middel
48. Het vierde middel bevat een aantal deelklachten inzake het onder 3 bewezenverklaarde. De eerste deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde uitlating kan worden aangemerkt als een belediging in de zin van artikel 266/267 Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Gesteld wordt dat deze uitlating in het algemeen niet beledigend is en dat het hof daarom gehouden was nader aan te geven wat de context was waardoor deze uitlating een beledigend karakter zou kunnen krijgen.
49. Voor een bewezenverklaring van ‘eenvoudige belediging’ is vereist dat de gedane uitlating de strekking heeft de ander in diens eer en goede naam aan te randen. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. Uw Raad heeft ook wel aangenomen dat een uitlating of afbeelding als beledigend kan worden aangemerkt wanneer zij de strekking heeft een ander ‘bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen’ en hem aan te randen in zijn eer en goede naam.
50. Janssens maakt in zijn dissertatie onderscheid tussen vier grondtypen van eenvoudige belediging. Het eerste type is de formele belediging, minachting uitdrukkend. Het bezigen van scheldwoorden is in beginsel beledigend. Het tweede grondtype bestaat in het uiten van bewoordingen die geen scheldwoorden zijn maar die wel minachting uitdrukken. Dit soort uitlatingen doet zich, aldus Janssens, veel voor in de sfeer van opzettelijke belediging van een groep mensen wegens ras (etc.). Het derde type betreft de materiële eenvoudige belediging. Bij dit type beledigingen gaat het om bedekte aantijgingen, of insinuaties. Die uitlatingen kunnen, aldus Janssens, ook betrekking hebben ‘op de wijze waarop de aangesproken persoon zijn functie uitoefent’ en zijn dan beledigend ‘wanneer daardoor diens integriteit als beroepsbeoefenaar wordt aangetast’ (p. 204). Het vierde type belediging betreft uitlatingen waarin eens anders gedragingen of denkbeelden worden bekritiseerd, waarbij de uitlating ‘niet primair iemands doen of laten op zedelijk terrein betreft’. Daaronder brengt Janssens onder meer beledigende kritiek op politici en ambtenaren.
51. Veel zaken waarin de verdachte wegens eenvoudige belediging is veroordeeld die de laatste decennia aan Uw Raad zijn voorgelegd, betreffen beledigingen van het eerste grondtype. Daartoe behoort bijvoorbeeld de zaak waarin bewezen was verklaard dat de verdachte een ambtenaar, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, mondeling het woord ‘homofiel’ had toegevoegd. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat in de omstandigheden van het geval de term homofiel de strekking had de politieman tot wie de uitlating was gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk was. Ook in zaken waarin bewezen was verklaard dat de verdachte ambtenaren had beledigd door hen aan te duiden als ‘mafkees’, ‘flikker’, ‘pikkie’ en ‘mierenneuker’ zijn veroordelingen door Uw Raad in stand gelaten.
52. Van het bezigen van scheldwoorden was geen sprake in een zaak waarin Uw Raad op 22 november 2011 arrest wees. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, op internet schriftelijk had toegevoegd: ‘En aan meneer de agent die dit leest je moch gister zeker niet over je wijf heen’ en ‘En de agenten in (…) kunnen mij ASS kussen’. Het hof had geen specifieke overwegingen gewijd aan het beledigende karakter van deze woorden. Uw Raad overwoog dat het gebruik van deze bewoordingen in het algemeen niet beledigend was en dat de door het hof in de bewijsvoering vastgestelde context onvoldoende grond bood voor het oordeel dat van zodanige belediging sprake was.
53. Kern van de bewezenverklaarde uitlatingen is de beschuldiging dat A. Aboutaleb, burgemeester van de gemeente Rotterdam, ‘iedereen broodloos en kapot maakt’. Deze uitlating betreft, anders dan in laatstgenoemde zaak, gedragingen van de beledigde zelf, en kan in de rubricering van Janssens worden ondergebracht bij het derde of vierde grondtype.
54. Zie ik het goed, dan is de scheiding tussen die beide grondtypen niet heel scherp. Janssens bespreekt als voorbeelden van het derde grondtype onder meer arresten waarin de betrokkene van meineed of fraude wordt beschuldigd, dan wel van oneerlijkheid. Maar ook ‘verwijten van domheid of van onbekwaamheid met betrekking tot de uitoefening van een functie’ kunnen volgens hem onder het regime van art. 266 Sr vallen (p. 206). Hij noemt daarbij een arrest uit 1907 waarin een advocaat een notaris op denigrerende wijze onbekwaamheid had verweten. En hij noemt een arrest uit 1938 waarin een burgemeester was verweten dat hij de portée van een ingediende motie niet snapte en ‘den Raad aan zijn laars lapt’. Onder het vierde grondtype brengt hij onder meer ‘forse kritiek op politiek handelen’ (p. 208). Deze categorie zaken brengt Janssens in verband met het in 1978 aan art. 266 Sr toegevoegde tweede lid, waarin is bepaald dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn ‘gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit’.
55. In feitelijke aanleg is niet een beroep gedaan op het tweede lid van art. 266 Sr, en ook de cassatieschriftuur spreekt daar niet over. Dat verbaast ook niet gelet op de inhoud van de uitlatingen van de verdachte. Aboutaleb zou iedereen brodeloos of kapot maken ‘omdat hij in Marokko geboren is’. Van een uitlating die ertoe strekt een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen en die er niet op is gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit is geen sprake. Het hof heeft in het bijzonder van deze uitlating kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat zij de strekking heeft de betrokkene in diens eer of goede naam aan te randen, door diens geboorteland als oorzaak van een wijze van vervulling van de functie van burgemeester aan te merken die (ofwel door incompetentie, ofwel opzettelijk) iedereen brodeloos of kapot maakt.
56. Ik wijs er in dat verband op dat in art. 137c Sr zelfstandig strafbaar is gesteld het zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens (onder meer) hun ras. Daarbij sluit aan dat het oordeel dat de eer en goede naam van een concrete persoon is aangerand, mede kan worden afgeleid uit uitlatingen die een diskwalificatie van betrokkene baseren op diens behoren tot een groep mensen die op grond van ras, godsdienst (etc.) wordt onderscheiden.
57. Naar het mij voorkomt gaat het om een uitlating die op zichzelf beledigend is. In zoverre ten overvloede derhalve merk ik in verband met de context op dat de verdachte blijkens het bewuste filmpje voor de bewuste zin zegt ‘Dat is de beste burgemeester van de wereld’ en daarna ‘Geweldig’. Deze zin en uitdrukking zijn evident sarcastisch bedoeld. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de uitlatingen zijn gedaan in een filmpje dat de verdachte op Facebook heeft geplaatst, en dat hij daarin ook het kenteken toont van de ‘gepantserde Mercedes’ waar ‘meneer Aboutaleb in gereden moet worden’. Ook dat draagt bij aan de sarcastische en wat denigrerende context, en dat geldt tevens voor (de samenhang met) het eerste en derde filmpje.
58. De eerste deelklacht faalt.
59. De steller van het middel voert voorts aan dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam, ‘ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ heeft beledigd blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet begrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
60. Uit art. 267 Sr volgt dat de in art. 266, eerste lid, Sr op eenvoudige belediging gestelde gevangenisstraf van drie maanden met een derde kan worden verhoogd indien de belediging wordt aangedaan aan ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’. Aldus heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat die strafverhoging uitsluitend in aanmerking komt indien tussen de belediging en de uitoefening van de bediening een temporeel verband bestaat dan wel de belediging met betrekking tot de uitoefening van de bediening is gedaan. Voormelde relatie moet betrekking hebben niet op de enkele hoedanigheid van de ambtenaar maar op de uitoefening van zijn bediening.
61. De steller van het middel leidt uit de omstandigheid dat de bewezenverklaarde uitlatingen inhouden dat Aboutaleb ‘iedereen broodloos en kapot maakt, omdat hij in Marokko is geboren’ af dat deze uitlating ‘niets van doen’ heeft met de bediening als burgemeester van betrokkene. Daarmee miskent de steller van het middel dat de verdachte met de gehele bewezenverklaarde uitlating (‘Dat is de beste Burgemeester van de wereld. Die iedereen broodloos en kapot maakt, omdat hij in Marokko geboren is. Geweldig.’) tot uitdrukking heeft gebracht dat betrokkene in de uitoefening van zijn bediening – burgemeester – iedereen broodloos en kapot maakt. De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat betrokkene is beledigd ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In aanmerking genomen dat op dit punt niet onderbouwd verweer is gevoerd, is de bewezenverklaring in zoverre ook toereikend gemotiveerd.
62. Ook de tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het middel.
Afronding
63. Alle middelen falen. In ieder geval het tweede en derde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
64. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG