PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04502 B
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klaagster.
1. Het cassatieberoep
Bij beschikking van 7 november 2023 heeft het hof Amsterdam de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar op grond van art. 552a Sv ingediende beklag, dat strekte tot opheffing van het beslag en teruggave van een aantal geldbedragen, een compressor, een damesfiets en een minibike.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. De advocaat M.A.M. Pijnenburg heeft één middel van cassatie voorgesteld inhoudende dat het hof de klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het hof kennelijk van een verkeerde datum is uitgegaan waarop de strafzaak ten gronde, waarin het beslag is gelegd, onherroepelijk is geworden en het klaagschrift dus wel tijdig is ingediend.
2. Het procesverloop
Het beslag is gelegd op grond van art. 94a Sv onder [betrokkene 1] . In het klaagschrift wordt vermeld dat het gaat om de zaak met parketnummer 15/973042-11.
In het klaagschrift stelt de klaagster dat de voorwerpen weliswaar onder [betrokkene 1] in beslag zijn genomen, maar dat zij eigenaar is van die voorwerpen en dat de voorwerpen daarom aan haar moeten worden teruggegeven.
Het hof heeft in zijn beschikking vastgesteld dat de ontnemingszaak tegen [betrokkene 1] op 29 juni 2021 is geëindigd bij onherroepelijk arrest van het hof Amsterdam. Daarom heeft het hof de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift. In de beschikking van het hof worden verder geen kenmerken van het arrest van het hof Amsterdam van 29 juni 2021 vermeld of gegevens aangehaald waaruit het hof heeft opgemaakt dat en op welke datum het arrest onherroepelijk is geworden.
In de cassatieschriftuur wordt gesteld dat het arrest van het hof Amsterdam pas op 27 juni 2023 onherroepelijk is geworden, namelijk door een arrest van de Hoge Raad waarin het tegen het arrest van 29 juni 2021 ingestelde cassatieberoep met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering is verworpen. Aan de cassatieschriftuur is een kopie van het arrest van de Hoge Raad gehecht. De stelling is dat het klaagschrift van 12 mei 2023 vóór 27 juni 2023 en dus tijdig is ingediend.
Het arrest van de Hoge Raad is gewezen in een ontnemingszaak tegen [betrokkene 1] waarin het hof Amsterdam op 29 juni 2021 uitspraak heeft gedaan. Uit ambtshalve onderzoek is mij gebleken dat in de aanhef van dit arrest van het hof Amsterdam naar het in het klaagschrift in onderhavige zaak genoemde parketnummer verwezen wordt, als het parketnummer in eerste aanleg. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat het gaat om dezelfde zaak waarin door de klaagster een klaagschrift is ingediend, zoals in de cassatieschriftuur wordt gesteld.
In het arrest van 29 juni 2021 heeft het hof Amsterdam het door [betrokkene 1] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.006.141,73 en aan [betrokkene 1] de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 779.841,73 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep daartegen op 27 juni 2023 met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering verworpen. Dus het is juist, zoals in de cassatieschriftuur wordt gesteld, dat de het arrest van het hof Amsterdam van 21 juni 2021 op 27 juni 2023 onherroepelijk is geworden.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Het voorgaande kan de klaagster in cassatie echter niet baten, omdat het feit dat de ontnemingszaak tegen [betrokkene 1] ten tijde van het indienen van het klaagschrift op 12 mei 2023 nog niet onherroepelijk was, niet ter zake doet, en wel om de volgende redenen.
Met de hiervoor bedoelde verwerping van het cassatieberoep door de Hoge Raad op 27 juni 2023, is het arrest van het hof Amsterdam van 29 juni 2021 betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene 1] onherroepelijk geworden.
Het onherroepelijk worden van dat arrest brengt mee dat het onder [betrokkene 1] gelegde conservatoir beslag op grond van art. 6:4:4 lid 2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag, zodat het openbaar ministerie de in beslag genomen voorwerpen kan uitwinnen ten behoeve van de (onherroepelijke) ontnemingsvordering. Volgens art. 6:4:4 lid 1 Sv vindt het verhaal op die voorwerpen plaats op de wijze zoals voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder houdt art. 6:4:4 lid 3 Sv in dat ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de in beslag genomen voorwerpen ook de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn (art. 456 lid 1 en art. 538-540 Rv). Dat betekent dat de klaagster – die stelt dat de onder [betrokkene 1] in beslag genomen voorwerpen aan haar toebehoren – geen belang meer heeft bij het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking van het hof Amsterdam.
De klaagster dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep.
Ten overvloede merk ik op dat deze ontvankelijkheidskwestie ook al speelde ten tijde van de beschikking van het hof. Toen het hof die beschikking op 7 november 2023 gaf, was de ontnemingszaak tegen [betrokkene 1] door het arrest van de Hoge Raad op 27 juni 2023 immers reeds onherroepelijk geworden. Het oordeel van het hof dat de klaagster daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard, is dus – op grond van dezelfde redenering als hierboven gegeven voor de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep juist.
Het voorgestelde cassatiemiddel gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat het hof de klaagster niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Wellicht heeft het hof de klaagster ook op het verkeerde been gezet door, mijns inziens geheel ten overvloede, te overwegen dat het klaagschrift zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming moet worden ingediend en niet-ontvankelijk is op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken nadat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Maar dat is niet de grond voor de niet-ontvankelijkheid van klaagster. Die is gelegen in de omstandigheid dat het arrest van 27 juni 2023 ten tijde van de beschikking op het klaagschrift reeds onherroepelijk was. Ook als – zoals de steller van het middel terecht betoogt – moet worden aangenomen dat het klaagschrift tijdig was ingediend, kon de zaak bij het hof vanwege de onherroepelijkheid van het arrest van het hof Amsterdam in de zaak ten gronde, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is uiteengezet, niet tot een andere uitkomst dan niet-ontvankelijkheid leiden.
4. Slotsom
Deze conclusie strekt ertoe dat de klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG