ECLI:NL:PHR:2025:330

ECLI:NL:PHR:2025:330, Parket bij de Hoge Raad, 18-03-2025, 22/04429

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04429
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:813
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0017212

Samenvatting

Conclusie plv. AG. Is verdachte terecht N-O verklaard in h.b. omdat zich een omstandigheid heeft voorgedaan (i.c. DNA-onderzoek bij veroordeelde) waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was? Plv. AG meent dat middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

Nummer22/04429

Zitting 18 maart 2025

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 21 november 2022 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Uit een zich tussen de stukken van het geding bevindende Aantekening mondeling vonnis blijkt dat de verdachte op 9 maart 2011 door de politierechter van de rechtbank Rotterdam in de zaak met parketnummer 10/812224-10 is veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, wegens het “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 1) en het “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 2).

Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, naar ik begrijp (uit een aan de akte rechtsmiddel gehechte bijlage) nadat de verdachte in een e-mail gericht aan de “executie-administratie” van het arrondissementsparket Rotterdam had aangegeven hiertegen “bezwaar” te willen aantekenen.

Het gerechtshof heeft de niet-ontvankelijkheid als volgt gemotiveerd:

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

In het dossier bevindt zich een aan de verdachte gericht bevel van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam van 18 april 2011 In de desbetreffende brief staat onder meer het volgende:

‘Datum 18 april 2011

Ons kenmerk 10-812224-10

Onderwerp Bevel tot DNA onderzoek (art. 2, lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

De officier van justitie beveelt, gelet op artikel 2, lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, dat van

Naam [verdachte]

Voornamen [verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]

Wonende te [a-straat 1]

[plaats]

Die op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld terzake van art. 3/B jo 11 Opiumwet, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek.

U dient zich op 01-06-2011 te 12:30 uur (Oproep verzet naar 03-08-2011 te 13:30 uur, meneer vertelde dat hij beginnende longontsteking heeft/ Oproep verzet naar 17-08-2011 te 13:30 uur, hij moet 2 aug. naar het ziekenhuis) op onderstaand adres te melden voor het afnemen van het celmateriaal:

Pol-R'dam-Rijnmond, be. Maashaven

Noordzijde 5

3072 AE Rotterdam’

Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van afname van DNA-materiaal, d.d. 17 augustus 2011, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , inhoudende dat, ingevolge het hiervoor genoemde bevel, op 17 augustus 2011 te 13:35 wangslijm van de verdachte is afgenomen.

Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte gehoor heeft gegeven aan het bevel van de officier van justitie, zoals neergelegd in de hierboven gedeeltelijk weergegeven brief van 18 april 2011. Dit brengt mee dat de verdachte kennis heeft genomen van de in de brief opgenomen mededelingen, waaronder ook de mededeling dat hij op 9 maart 2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet.

Derhalve was de verdachte in ieder geval (uiterlijk) op 17 augustus, 2011, toen van hem in verband met deze veroordeling wangslijm is afgenomen, op de hoogte van dat vonnis, althans van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard van de bij het vonnis van 9 maart 2011 opgelegde straf (max straf 2 jaar).

De verdachte had derhalve op grond van artikel 408 lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, uiterlijk binnen 14 dagen na 17 augustus 2011 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

Cassatieklachten

Tegen deze overweging van het hof wordt door de stellers van het middel opgekomen met de klacht dat hieruit niet blijkt dat de verdachte op 17 augustus 2011 bekend was met de “daadwerkelijke aard of zwaarte van de aan hem opgelegde straf”. In dat verband wijzen zij ook op het feit dat in de brief die aan de verdachte is gestuurd alleen wordt gesproken over een veroordeling ter zake van feit 1 (overtreding van art. 3 onder B Opiumwet) en niet over feit 2 (overtreding van art. 3 onder C Opiumwet).

Juridisch kader

Art. 408 lid 2 Sv bepaalt - kort gezegd - dat indien zich geen omstandigheid voordoet op grond waarvan vaststaat dat de verdachte met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg bekend was, hoger beroep moet worden ingesteld “binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.” Het hof heeft toepassing gegeven aan deze bepaling.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat “[v]an een 'omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is' (…) sprake [is] als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (…) zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en)”.

Uit de diverse arresten waarin deze regel is toegepast, blijkt dat in beginsel onvoldoende is dat de verdachte weet heeft van een (veroordelend) vonnis. Daaruit volgt immers niet dat de opgelegde straf de verdachte bekend is. Dat geldt ook indien op de mededeling vonnis die de verdachte heeft bereikt een parketnummer wordt vermeld maar niet de opgelegde straf, waardoor de verdachte dit zelf had kunnen navragen. Evenmin voldoende is het als de opgelegde straf wel aan de verdachte bekend is geworden, maar niet de last tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

Wel genoeg was het toen het hof op basis van de rapportage van de reclassering had vastgesteld dat de verdachte op een bepaalde datum telefonisch contact had gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de werkstraf die aan de verdachte was opgelegd de strafzaak die toen aan de orde was. En wanneer op de mededeling vonnis abusievelijk als datum van het vonnis de datum van de mededeling staat vermeld, brengt dat niet zonder meer mee dat de veertiendagentermijn pas vanaf die datum gaat lopen.

Beoordeling van het cassatiemiddel

In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van een veroordelend vonnis omdat hij is opgeroepen voor een DNA-onderzoek als gevolg van die veroordeling. Meer specifiek heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op de hoogte is gesteld van het feit waaraan hij schuldig is bevonden (althans één van de twee feiten), de oproeping vermeldt immers een veroordeling “ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumw”. Het hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de aan hem concreet opgelegde straf. Voor het hof is klaarblijkelijk voldoende dat aan de verdachte de relevante wetsartikelen zijn medegedeeld terwijl deze feiten in abstracto bedreigd worden met een maximumstraf van 2 jaar gevangenisstraf.

Gelet op deze vaststellingen meen ik dat het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv niet begrijpelijk is. Uit de hiervoor door mij besproken jurisprudentie volgt immers dat geëist wordt dat de verdachte de straf is medegedeeld die in de aan de orde zijnde zaak concreet is opgelegd. Dat veel mensen, indien zij kennisnemen van een hen treffende veroordeling ter zake van een (Opiumwet-)feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, wellicht zelf onderzoek zullen doen naar de overige inhoud van dit vonnis maakt dit voor mij niet anders, nu uit de hiervoor besproken jurisprudentie volgt dat dergelijk onderzoek niet van de verdachte wordt gevergd.

Afronding

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 23 november 2022. Indien de Hoge Raad mij volgt en het eerste middel laat slagen, kan dit eventueel na terugwijzing bij het hof aan de orde worden gesteld.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?