ECLI:NL:HR:2025:813

ECLI:NL:HR:2025:813, Hoge Raad, 27-05-2025, 22/04429

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/04429
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:330
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0017212

Samenvatting

Telen van hennep (art. 3.B Opiumwet) en aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Kan uit omstandigheid dat verdachte gehoor heeft gegeven aan bevel OvJ tot afname van celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte “op 09-03-2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. van art. 3/B jo 11 Opiumwet”, en i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen, worden afgeleid dat sprake is van omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv? Hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van omstandigheid a.b.i. art. 408.1 Sv. O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte in dat geval binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis Rb. Van “omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is”, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR:2013:BZ1940). ’s Hofs oordeel dat zich op 17-8-2011 omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408.2 Sv, is niet zonder meer begrijpelijk. Verdachte heeft gehoor gegeven aan bevel OvJ van 18-4-2011 tot afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte “op 09-03-2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. art. 3/B jo 11 Opiumwet”, waardoor op 17-8-2011 i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen. Dat brengt echter nog niet met zich dat verdachte op (uiterlijk) die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04429

Datum 27 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2022, nummer 22-001916-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het te laat is ingesteld.

De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden het volgende in. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. De inleidende dagvaarding is niet in persoon aan de verdachte uitgereikt. Het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 9 maart 2011 en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld op 27 juli 2020.

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroepIn het dossier bevindt zich een aan de verdachte gericht bevel van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam van 18 april 2011. In de desbetreffende brief staat onder meer het volgende:

‘Datum 18 april 2011

Ons kenmerk 10-812224-10

Onderwerp Bevel tot DNA onderzoek (art. 2, lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

De officier van justitie beveelt, gelet op artikel 2, lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, dat van

Naam [verdachte]

Voornamen [verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1965, te [geboorteplaats]

Wonende te [a-straat 1]

[plaats]

die op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek.

U dient zich op 01-06-2011 te 12:30 uur (Oproep verzet naar 03-08-2011 te 13:30 uur, meneer vertelde dat hij beginnende longontsteking heeft/ Oproep verzet naar 17-08-2011 te 13:30 uur, hij moet 2 aug. naar het ziekenhuis) op onderstaand adres te melden voor het afnemen van het celmateriaal:

Pol. [...]

[b-straat 1]

[plaats]

Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van afname van DNA-materiaal, d.d. 17 augustus 2011, opgemaakt door de [verbalisant] , inhoudende dat, ingevolge het hiervoor genoemde bevel, op 17 augustus 2011 te 13:35 uur wangslijm van de verdachte is afgenomen.

Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte gehoor heeft gegeven aan het bevel van de officier van justitie, zoals neergelegd in de hierboven gedeeltelijk weergegeven brief van 18 april 2011. Dit brengt mee dat de verdachte kennis heeft genomen van de in de brief opgenomen mededelingen, waaronder ook de mededeling dat hij op 9 maart 2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet.

Derhalve was de verdachte in ieder geval (uiterlijk) op 17 augustus 2011, toen van hem in verband met deze veroordeling wangslijm is afgenomen, op de hoogte van dat vonnis, althans van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard van de bij het vonnis van 9 maart 2011 opgelegde straf (max straf 2 jaar).

De verdachte had derhalve op grond van artikel 408, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, uiterlijk binnen 14 dagen na 17 augustus 2011 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:

“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

(...)

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”

Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)

Het oordeel van het hof dat zich op 17 augustus 2011 een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, is niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte heeft gehoor gegeven aan het bevel van de officier van justitie van 18 april 2011 tot afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat de verdachte “op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet”, waardoor op 17 augustus 2011 in verband met deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen. Dat brengt echter nog niet met zich dat de verdachte op (uiterlijk) die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2025/1123 RvdW 2025/726
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?