PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00420
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 5 februari 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001084-24) wegens:
1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”;
2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”;
3. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”;
4. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”;
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals beschreven in het bestreden arrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.M. van der Marel, advocaat in Eindhoven, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 1] . Het tweede middel houdt in dat het hof voornoemd verzoek ten onrechte heeft gekwalificeerd als een voorwaardelijk verzoek, waardoor het ondervragingsrecht is geschonden. Het derde middel richt zich tegen de verwerping door het hof van een door de verdediging geschetst alternatief scenario. Het vierde middel houdt in dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“feit 1:
op 8 november 2020 te [plaats] een of meerdere wapens van categorie III, onder I van de Wet wapens en munitie, te weten
- een pistool van het merk Bruni, model 315 Auto en kaliber 6.35 mm Browning met inscriptietekst ‘BBM Mod 315 Auto',
- een semiautomatisch gaspistool van het merk Zoraki, model 914 en kaliber 9 mm P.A.K. en
- een pepperspray pistool van het merk Jet Protector
zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool
en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 4 kogelpatronen in het kaliber 7.62 x 39 millimeter,
- 12 kogelpatronen in het kaliber 6.35 millimeter Browning,
- 4 gaspatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.P.V. en
- 33 knalpatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.K.
voorhanden heeft gehad;
feit 2:
op 8 november 2020 te [plaats] een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
feit 3:
op 8 november 2020 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;
feit 4:
op 8 november 2020 te [plaats] wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk
- een veerdrukpistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool van het merk Colt, type 1911 Al-special en
- een veerdrukmachinepistool dat een sprekende gelijkenis vertoont met een machinepistool van het merk Brugger en Thomet, type MP9-N
voorhanden heeft gehad.”
Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen en bewijsoverweging van de rechtbank bevestigd en aangevuld (met weglating van voetnoten):
“Bewijsmiddelen
Naar aanleiding van TCI-informatie, dat [verdachte] uit [plaats] in het bezit zou zijn van (vuur)wapens, werd op 8 november 2020 binnengetreden in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . In de slaapkamer aan de achterzijde van de woning werd een handschoen met daarin 12 patronen, een patroonhouder en 4 patronen aangetroffen.
Op een schap in de kelder werd onder meer een laser en een ploertendoder aangetroffen. Op de foto's behorende bij het proces-verbaal bevindingen van doorzoeking is te zien dat de etui met daarin de laser naast een fles wasmiddel lag en de ploertendoder direct in het zicht op een plank boven een doos met afwasmiddel lag.
In de keuken werden 37 patronen aangetroffen. Op de foto's is te zien dat deze patronen in een keukenkast lagen waarin ook levensmiddelen zoals een fles frisdrank stonden.
In de schuur werd een klein handvuurwapen aangetroffen.
De 12 patronen zaten in een vest in de kast en werden in beslag genomen en onderzocht. Dit betroffen 12 kogelpatronen in het kaliber 6.35 millimeter Browing, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.
De 4 patronen werden in beslag genomen en onderzocht. Dit betroffen 4 kogelpatronen in het kaliber 7.62 x 39 millimeter, munitie van categorie lIl van de Wet wapens en munitie.
De taser werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een stroomstootwapen. Met dit voorwerp kunnen personen door een elektrische stroomstoot weerloos worden gemaakt of pijn toegebracht. Dit stroomstootwapen betrof een wapen van categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie.
De ploertendoder werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een wapen van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie.
De 37 patronen werden in beslag genomen en onderzocht. Dit betroffen 33 knalpatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.K. en 4 gaspatronen in het kaliber 9 millimeter P.A.P.V., munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.
Het kleine handvuurwapen zat in een handschoen en werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een pistool van het merk Bruni, model 315 Auto in het kaliber 6.35 Browning met inscriptietekst ‘BBM Mod 315 Auto' en betrof een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Dit kleine handvuurwapen werd bemonsterd aan de ruwe delen aan de trekker (AANV1574NL). In deze bemonstering werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker een man. Er werd een DNA-hoofdprofiel afgeleid dat overeenkwam met het DNA-profiel van [betrokkene 1] .
[betrokkene 1] heeft dezelfde geboortedatum en SKN-nummer als de verdachte.
In de SKDB staat vermeld dat [verdachte] de naam [betrokkene 1] in het verleden heeft gebruikt.
Naar aanleiding van TCl-informatie werd op 8 november 2020 eveneens binnengetreden in een garagebox aan de [b-straat 1] te [plaats] .
Halverwege de garagebox lag op de grond een jute tas met daarin meerdere vuurwapens, dan wel op vuurwapens gelijkende voorwerpen. Bij één van de vuurwapens was de hamer gespannen en stond deze in de achterste stand. Het betroffen de volgende (vuur)wapens.
Een alarmpistool van het merk Zoraki.
Dit pistool werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een semiautomatisch gaspistool van het merk Zoraki, model 914, kaliber 9 millimeter P.A.K., een wapen van categorie III, onder I, van de Wet wapens en munitie.
Een pepperspray pistool van het merk Jet Protector.
Dit pistool werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een wapen van categorie III, sub I, van de Wet wapens en munitie.
Een bibigun.
Ook deze werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een veerdrukpistool dat qua vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vormt met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Colt type 1911 A1-special. Dit veerdrukpistool is een wapen van categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie.
Een tweede bibigun.
Ook deze werd in beslag genomen en onderzocht. Dit betrof een veerdrukmachinepistool dat qua vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een machinepistool van het merk Brugger en Thomet, type MP9-N. Derhalve is dit veerdrukpistool een wapen van categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie.
[getuige 2] heeft over deze garagebox het volgende verklaard.
Het huurcontract van de garagebox nummer […] aan de [b-straat] in [plaats] stond op naam van [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 en was op 1 juni 2020 afgesloten. Een getinte vriend van [getuige 1] was erbij toen het contract werd afgesloten en betaalde vermoedelijk de laatste tijd de huur. De naam die bij de betaling stond vermeld was [betrokkene 2] .
[betrokkene 2] woont aan de [c-straat 1] in [plaats] . De woning aan de [c-straat] betreft de woning van de moeder van de verdachte.
Tijdens het binnentreden van de politie op 8 november 2020 werd de verdachte in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] aangetroffen. Uit de SKDB-staat van de verdachte d.d. 31 oktober 2024 blijkt dat hij van 29 juni 2020 tot 20 april 2021, en derhalve ook op 8 november 2020, op dat adres stond ingeschreven.
Ter terechtzitting van 2 april 2024 heeft de verdachte verklaard dat hij op 8 november 2020 ingeschreven stond in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , dat hij samen met [getuige 1] de huur voor de woning betaalde, dat de slaapkamer aan de achterzijde van de woning zijn kamer was en dat in die slaapkamer, in zijn kledingkast, kleding die van hem was, hing. Tevens heeft hij ter terechtzitting van 4 november 2022 verklaard dat de huur van de garagebox betaald werd via zijn moeder en dat hij de garagebox gebruikte om spullen in op te slaan. Hij had daar nog spullen staan, zoals een step. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting van 4 november 2022 verklaard dat [getuige 1] de hoofdbewoner van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] was en dat de verdachte er ook woonde. De verdachte gebruikt tijdens deze zitting het woord ‘thuis' wanneer hij het heeft over de woning aan de [a-straat] .
Bewijsoverweging
Uitganspunt
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en munitie vereist is dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de woning en de daarbij behorende schuur. De bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie ervan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat als algemene ervaringsregel heeft te gelden dat een bewoner van een huis zich bewust moet zijn van hetgeen zich in zijn huis bevindt.
Daarnaast is vereist dat het wapen en de munitie zich in de machtssfeer van de verdachte bevond. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat deze zich in de directe nabijheid van de verdachte bevinden.
De wapens en munitie in de woning en de schuur
Ten tijde van de inval stond de verdachte, samen met de medeverdachte, ingeschreven in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Hij betaalde een deel van de huur van die woning. De verdachte was ook in de woning aanwezig toen de politie binnentrad. De wapens en munitie zijn aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte, in de kelder en de keuken van de woning en in de schuur behorend bij de woning.
Plekken aldus die vrij toegankelijk zijn en doorgaans ook gebruikt worden door de bewoners van het pand, te meer nu die wapens en munitie ook nog eens zijn aangetroffen in de directe nabijheid van dagelijkse gebruiksvoorwerpen, zoals wasmiddel en levensmiddelen.
Bij het voorgaande komt dat op het pistool (merk Bruni, aangetroffen in de schuur van de woning) het DNA van de verdachte zat, hetgeen een daderspoor betreft.
De voornoemde redengevende feiten en omstandigheden -die alleszins wijzen op het daderschap van de verdachte- behoeven een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring van de verdachte.
Verklaring verdachte
De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de wapens en de munitie ontkend.
Ter terechtzitting van 4 november 2022 heeft de verdachte verklaard dat hij in de bedoelde woning woonde, omdat het thuis een tijdje onrustig was. Ter terechtzitting van 2 april 2024 heeft de verdachte verklaard dat het wel zijn (slaap)kamer betrof waarin de patroonhouder en munitie zijn aangetroffen, en dat kleding van hem in de kast hing, maar dat hij daar alleen af en toe was om te studeren en daar maar twee keer heeft geslapen. Zodoende was hij niet op de hoogte van de aanwezigheid van de wapens en de munitie in de woning en de schuur.
Over het aangetroffen DNA op het wapen heeft de verdachte pas ter terechtzitting van 4 november 2022 verklaard dat dit mogelijk via secundaire overdracht via de handschoen op het wapen terecht kan zijn gekomen. Hij heeft in het verleden wel eens handschoenen gedragen toen hij in het huis aan het werk was.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij daar niet woonde maar slechts een paar keer verbleef onaannemelijk. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen op het tegendeel. Hij stond daar immers ingeschreven, betaalde een deel van de huur en werd daar tijdens de inval door de politie ook aangetroffen. Zijn verklaring omtrent het aangetroffen DNA maakt evenmin indruk op de rechtbank. Op geen enkel moment werd immers geconcretiseerd hoe het DNA van de verdachte op het wapen terecht kan zijn gekomen. Het enkel in algemene termen stellen dat het wel via de secundaire overdracht moet zijn gebeurd, is onvoldoende om die concreetheidseis te halen. Het aangetroffen daderspoor van de verdachte vraagt om meer dan slechts algemeenheden. Het vraagt om een duidelijk scenario door de verdachte geschetst nu zijn daderspoor op hel pistool is aangetroffen. En dat is uitgebleven.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte een alternatieve verklaring heeft voor het aantreffen van zijn DNA op het wapen in de schuur. Het DNA van de verdachte zou via secundaire overdracht op dat wapen zijn terechtgekomen. De raadsman brengt als alternatief scenario naar voren dat het DNA van de verdachte waarschijnlijk in de - door hem gedragen - handschoen zat. Doordat het wapen in de schuur in die handschoen is gedaan, is het DNA van de verdachte op de ruwe delen van het wapen terechtgekomen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de deskundigenrapportage van het TMF d.d. 10 november 2020 is komen vast te staan dat het DNA van de verdachte op de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen in de schuur van zijn woning is aangetroffen en dat het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Het aantreffen van dit daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte mogelijk op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dan ook niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.
Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat het de verdachte is geweest die het wapen, aangetroffen in de schuur, zelf in handen heeft gehad en op die manier zijn DNA op het wapen heeft achtergelaten en dat hij ook de overige in de woning en de schuur aangetroffen wapens en munitie voorbanden heeft gehad.
Dit maakt dat de rechtbank het aan de verdachte onder feit 1 tenlastegelegde feit bewezen acht.
De wapens in de garagebox
In de garagebox zijn vier wapens, dan wel op wapens gelijkende voorwerpen, aangetroffen. De garagebox werd gehuurd door de medeverdachte, maar de huur werd, gelet op de verklaring van [getuige 2] , betaald door de verdachte, via de bankrekening van zijn moeder. De verdachte was aanwezig bij het afsluiten van het huurcontract en bovendien stonden er goederen in de garagebox die aan de verdachte toebehoorden.
Ook hier geldt dat van de verdachte een ontzenuwende verklaring mag worden verlangd. De verklaring van de verdachte, dat hij na een bepaalde datum geen toegang meer had tot de garagebox, vindt geen steun in het dossier en acht de rechtbank daarom ongeloofwaardig, te meer nu hij, ook in de periode dat hij geen toegang meer zou hebben, de huur van deze garagebox betaalde.
Derhalve houdt de rechtbank de verdachte verantwoordelijk voor hetgeen in de garagebox is aangetroffen en acht bewezen dat de verdachte ook deze wapens voorhanden heeft gehad.”
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts overwogen:
“Aanvullende bewijsoverweging
Aan de bewijsoverwegingen van de rechtbank wordt het volgende toegevoegd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, in reactie op het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen en later weer ingetrokken standpunt dat de verklaring van [getuige 1] op pagina 163 van het eindproces-verbaal, naast de reeds door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten van belang is, een verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] als getuige. Gelet hierop begrijpt het hof dit verzoek van de verdediging als een voorwaardelijk verzoek.
Aan een beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek wordt niet toegekomen, nu aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is geformuleerd, dat de verklaring van [getuige 1] op pagina 163 van het eindproces-verbaal voor het bewijs zal worden gebezigd, niet is voldaan.”
3. Het eerste en het tweede middel
Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om de [getuige 1] te horen. Het tweede middel klaagt over een schending van het ondervragingsrecht ten aanzien van de [getuige 1] . De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025 houdt onder meer het volgende in:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
(…)
De voorzitter maakte al melding van het feit dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij in de woning aan de [a-straat] woonde en dat is ook van belang voor het bewijs. Daarnaast is ook de verklaring van [getuige 1] , opgenomen in het politiedossier op pagina 163, van belang. Hij beschrijft daar welke kamer in de woning van wie was en wie waar in de woning kon komen, alsook dat hijzelf en de verdachte daar vaak verbleven. Dat kan ik slecht plaatsen in de verklaring van de verdachte die hij vandaag op de zitting heeft afgelegd, inhoudende dat hij er alleen kwam om te studeren.
(…)
Het valt op dat de verdachte wisselend heeft verklaard en heeft gezwegen op alle relevante vragen. Gedurende de procedure is de verdachte steeds meer gaan verklaren en nu in hoger beroep is hij niet meer af te remmen. Hij wisselt in zijn verklaringen met name over het feit of hij nu wel of niet woonde in de woning aan de [a-straat] . (…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
(…)
Ik hoor de advocaat-generaal zeggen dat [getuige 1] een getuige is die nog steeds extreem belangrijk is voor het bewijs en dan wil ik dus [getuige 1] nog steeds horen. (…) Nu de advocaat-generaal hier zegt dat zij delen van de verklaring van [getuige 1] als belastend bewijsmiddel wil gebruiken, vraag ik uw hof om hem als getuige te horen over de wijze waarop cliënt en hij de woning bewoonden. Je kunt zijn eerdere verklaring begrijpen als dat er echt sprake was van wonen, maar als de woning gebruikt wordt om te studeren dan ben je er ook veel. Voor eten, drinken en slapen was cliënt bij zijn moeder en daarnaast huurde hij dat andere pand. De covidpandemie was in volle gang en hij had ruimte nodig om rustig te studeren. Dat viel samen met [getuige 1] die ook een ruimte zocht. In tegenstelling tot cliënt had [getuige 1] echt zijn feitelijke verblijfplaats in de woning maar cliënt wilde daar alleen studeren. Als daarvan uitgaan wordt, dan worden de vragen over de wetenschap en de feitelijke macht over de ten laste gelegde wapens en munitie van een andere kleur. Als je aanneemt dat het verhaal van cliënt dat hij daar uitsluitend kwam om te studeren juist is, moet hij dan weten wat er overal in die woning ligt? In de kamer die als slaapkamer van cliënt is aangewezen, had hij volgens de politieverklaring van [getuige 1] niets liggen op een paar kleine dingen na, zie pagina 163 van het politiedossier. (…)
In het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 4 november 2022 staat als verklaring van cliënt dat [getuige 1] de hoofdbewoner was, maar dat hij er ook woonde omdat het thuis onrustig is, voorts dat hij naar dit adres ging om aan zijn opdrachten te werken en dat zij samen de huur betaalden. Cliënt vult daar dus in op welke wijze hij er woonde. Hij stond daar ook ingeschreven, maar op de vraag hoe hij feitelijk van de woning gebruik maakte, zegt hij telkens dat hij daar kwam om te studeren en meer niet. Er wordt naar mijn mening te weinig waarde gehecht aan de foto van de uitgestorven kledingkast met daarin slechts twee truien. Als cliënt daar slaapt, verwacht je meer kleding in de kast.
(…)
Ik hoor de voorzitter zeggen dat zij meent dat [getuige 1] ten tijde van de politie-inval niet in de woning aanwezig was. Ik zal later de vindplaats van mijn eerdere opmerkingen noemen. Mijn cliënt krijgt daardoor wel alle blaam maar waarom is dat zo? Wat is de rol van die twee andere personen? [getuige 1] heeft aan mijn cliënt voorgehouden dat die twee personen hem onder druk zetten en verwijst daarvoor naar zijn aangifte, onder meer inhoudende dat hij onder hun druk banden moest gaan stelen. Op pagina 2 van die aangifte zegt [getuige 1] : ‘Op de avond na de inval waren [betrokkene 3] en [betrokkene 4] bij mij. Ik hoorde dat [betrokkene 3] tegen mij zei dat ik echt niet mocht zeggen dat het wapen in de schuur lag’. De datum die hij noemt lijkt betrekking te hebben op de diefstal, maar ligt vóór de datum van de inval. Hij zegt dat hij zag dat cliënt het wapen in de schuur legde en de advocaat-generaal wil zijn verklaring voor het bewijs gebruiken. [getuige 1] lijkt iedereen tegen elkaar uit te spelen, inclusief mijn cliënt. [betrokkene 5] en de andere getuige verklaren dat [getuige 1] met een wapen rondloopt, terwijl [getuige 1] bij zijn eerste verklaring zegt dat hij niets van wapens weet.
Het klopt dat cliënt zich in zijn eerste verklaring op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maar [getuige 1] verklaart steeds wisselend, terwijl vaststaat dat hij rondloopt met wapens. Is dat nou zo ongeloofwaardig? De verklaring van cliënt staat daar lijnrecht tegenover. Hij was student en wist niets over het reilen en zeilen in de woning. (…)
Ik wil primair [getuige 1] horen als getuige maar als uw hof dat verzoek passeert, vraag ik om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
De advocaat-generaal repliceert als volgt.
De raadsman heeft deels een punt met betrekking tot [getuige 1] , maar die bevestigt in feite wat de verdachte eerder heeft verklaard, namelijk dat hij daar woonde. Iedereen weet wat onder ‘wonen’ wordt verstaan. De half lege kledingkast zegt mij niet veel. De verdachte bevestigt daarmee wel dat dat zijn kast was op die kamer. Die kast was van hem zodat we dus eigenlijk die verklaring van [getuige 1] kunnen wegstrepen.”
Blijkens de onder randnummer 3.2 weergegeven passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 2025, heeft de advocaat-generaal in haar requisitoir gewezen op het belang van de verklaring van [getuige 1] . Dit in het kader van de beantwoording van de vraag of de verdachte de woning waarin de wapens en munitie zijn aangetroffen bewoonde. De getuige beschrijft, aldus de advocaat-generaal, “welke kamer in de woning van wie was en wie waar in de woning kon komen, alsook dat hijzelf en de verdachte daar vaak verbleven”.
In reactie hierop heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat hij “de advocaat-generaal [hoort] zeggen dat [getuige 1] een getuige is die nog steeds extreem belangrijk is voor het bewijs, en dan (…) dus [getuige 1] nog steeds [wil] horen”.
Bij repliek brengt de advocaat-generaal naar voren dat [getuige 1] in zijn verklaring in feite bevestigt wat de verdachte eerder heeft verklaard, namelijk dat hij in het betreffende pand woonde. Na een korte weergave van de verklaring van de verdachte stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de verklaring van [getuige 1] eigenlijk weggestreept kan worden.
Het hof heeft over het verzoek tot het horen van [getuige 1] in zijn arrest van 16 april 2025 als volgt geoordeeld (reeds weergegeven onder randnummer 2.3, maar hier voor het lezersgemak herhaald):
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, in reactie op het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen en later weer ingetrokken standpunt dat de verklaring van [getuige 1] op pagina 163 van het eindproces-verbaal, naast de reeds door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten van belang is, een verzoek gedaan tot het horen van [getuige 1] als getuige. Gelet hierop begrijpt het hof dit verzoek van de verdediging als een voorwaardelijk verzoek.
Aan een beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek wordt niet toegekomen, nu aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is geformuleerd, dat de verklaring van [getuige 1] op pagina 163 van het eindproces-verbaal voor het bewijs zal worden gebezigd, niet is voldaan.”
In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof het verzoek tot het horen van [getuige 1] heeft afgewezen, omdat het hof dit niet noodzakelijk acht. De motivering van deze afwijzing zou in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, tekortschieten.
Anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, heeft het hof het verzoek tot het horen van [getuige 1] niet afgewezen, omdat het hof het horen van de getuige niet-noodzakelijk achtte. Het hof heeft de verklaring van de getuige niet voor het bewijs gebezigd, en is daarmee aan een beoordeling van het (voorwaardelijk) verzoek niet toegekomen. Het eerste middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
Dat het hof het verzoek van de verdediging heeft opgevat als een voorwaardelijk verzoek, is onderwerp van bespreking in middel 2. Daarin wordt gesteld dat het ondervragingsrecht is geschonden, omdat het hof de verdediging niet de gelegenheid heeft gegeven om een ont- dan wel belastende getuige te ondervragen, en de betrouwbaarheid van diens verklaringen te toetsen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting leid ik af dat de raadsman zijn verzoek tot het horen van [getuige 1] heeft gekoppeld aan de stelling van de advocaat-generaal dat deze verklaring van groot belang is voor het bewijs. De raadsman stelt immers “Ik hoor de advocaat-generaal zeggen dat [getuige 1] een getuige is die nog steeds extreem belangrijk is voor het bewijs en dan wil ik dus [getuige 1] nog steeds horen”. In het vervolg van zijn pleidooi maakt de raadsman weliswaar enkele opmerkingen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] en de innerlijke tegenstrijdigheden in zijn verklaring, maar aan die vaststellingen koppelt de raadsman geen verzoek. Uit het proces-verbaal leid ik niet af dat het verzoek tot het horen van [getuige 1] is gedaan in het kader van het toetsen van de betrouwbaarheid van zijn belastende verklaringen, dan wel in het kader van een mogelijk af te leggen ontlastende verklaring. Het hof heeft het verzoek van de verdediging niet onbegrijpelijk opgevat als een voorwaardelijk verzoek. Nu het hof de belastende verklaring van de getuige niet voor het bewijs heeft gebezigd, was het hof ook niet gehouden tot een nadere toelichting op de afwijzing van dit verzoek.
In de toelichting op het eerste middel worden voorts nog twee andere punten naar voren gebracht. Het eerste daarvan houdt in dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, omdat het openbaar ministerie ontlastende informatie (betreffende verklaringen van derden, waaronder [getuige 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) buiten het dossier heeft gehouden. Het hof had, aldus de steller van het middel, moeten onderzoeken of er ontlastend materiaal is achtergehouden en had dit moeten betrekken bij de beoordeling van het bewijs en de betrouwbaarheid van de verklaringen. Het tweede punt betreft een ‘bewijsaanbod’, dan wel verzoek tot terugwijzing van de zaak in verband met het horen van voornoemde drie getuigen.
Ten aanzien van beide punten geldt dat ik in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025 niet lees dat een verzoek is gedaan tot voeging van stukken of inzage in stukken, dan wel tot het horen van de in de cassatieschriftuur genoemde getuigen (anders dan [getuige 1] ). Ook leid ik uit het proces-verbaal niet af dat op andere wijze verweer is gevoerd ten aanzien van het achterhouden van stukken door het openbaar ministerie. Dergelijke verzoeken/verweren kunnen niet voor het eerst in cassatie naar voren worden gebracht, zodat het middel ook ten aanzien van deze punten faalt.
Het eerste en het tweede middel falen.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt over de verwerping door het hof van een door de verdediging gepresenteerd alternatief scenario, inhoudende dat het DNA van de verdachte door secundaire overdracht via een handschoen op het wapen terecht is gekomen.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025 hebben de verdachte en de raadsman hierover het volgende aangevoerd:
“Op vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt.
(…)
De handschoenen die zijn aangetroffen, heb ik in het begin aan gehad om in de tuin te werken. Ik heb die handschoenen gebruikt om tuinwerkzaamheden mee te doen, zoals tegels sjouwen. Die handschoenen lagen daar nog van toen.
U deelt mij mede dat [getuige 1] bij de politie heeft verklaard dat hij er niets mee te maken heeft, dat de doos in de kelder waarin een taser is aangetroffen van mij zou zijn, dat een week voor de inval het slot van de garagebox is vervangen, dat hij de tweede sleutel aan mij heeft gegeven en dat ik die ook weer kwijt ben geraakt. Ik heb een filmpje waarop te zien is dat [getuige 1] aan het slijpen is om een nieuwe slot te maken. Ik begrijp dat hij van alles kan verklaren en dat hij misschien onder druk van anderen staat. Ik was voor hem gewaarschuwd. Hij heeft waarschijnlijk in een busje dat is gebruikt voor de verhuizing grondstoffen vervoerd. Hij zat in het criminele circuit zonder dat ik dat wist.
Ik denk dat ‘ [betrokkene 3] ’ (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) en ‘ [betrokkene 4] ’ (het begrijpt: [betrokkene 4]) daarbij betrokken waren. Ik heb gezegd dat hij bij die jongens uit de buurt moest blijven. Ik denk dat hij werd bedreigd om iets in die handschoen te doen die ik aan heb gehad. Ik begrijp dat nu pas.
[getuige 1] heeft ook de patroonhouder en de munitie op mijn kamer in de woning gelegd. Ook de anonieme tip is afkomstig van die jongens. Zij wisten dat ik niet wilde dat [getuige 1] met hen omging en daarom hebben zij dit zo opgezet. Van de andere wapens in de woning en in de garagebox wist ik ook niets. Beneden in de woning was een wasruimte waar ik nooit kwam.
U vraagt mij of die jongens die mij erin wilden luizen ook achter de andere wapens zitten die zijn aangetroffen. Het gaat nu om de anonieme tip en het vuurwapen in de handschoen. Ik wist daar niets vanaf en ook niet van de andere wapens.
U vraagt mij wat het verhaal is over [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en over het feit dat [getuige 1] aangifte van bedreiging door die twee jongens heeft gedaan, welke aangifte ook in het procesdossier is gevoegd. [getuige 1] heeft [betrokkene 3] toen handschoentjes uit de keuken gegeven en zag dat hij die meenam. Ik ben er niet bij geweest.
U vraagt mijn reactie op de inhoud van de verklaringen van de ter terechtzitting van de rechtbank gehoorde getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 3] . Iedereen wijst naar elkaar, liegt en probeert er onderuit te komen. [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij met die jongens moest gaan stelen en dat hij daartoe onder druk is gezet. Ik probeerde hem daarvan af te houden. De politie heeft niet onderzocht of zijn verklaring klopt dat ze bij de haven in [plaats] banden hebben gestolen.
U deelt mij mede dat [betrokkene 3] dus als getuige heeft verklaard dat het wapen dat in de handschoen is aangetroffen niet van hem is en vraagt mij wat het hof nu moet met mijn verhaal dat hij dat wapen in die handschoen heeft gedaan en in de schuur heeft gelegd. Ik denk dat hij onder druk is gezet en is bedreigd.
U deelt mij mede dat uit DNA-onderzoek aan de ruwe delen en de trekker van het wapen en aan de handschoen een DNA-hoofdprofiel van [betrokkene 1] naar voren is gekomen. [betrokkene 1] was mijn naam voordat ik [verdachte] heette.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
(…)
Met betrekking tot het DNA-spoor wordt in het vonnis gezegd dat wij onvoldoende concreet hebben gemaakt hoe het DNA-materiaal is overgegaan op het wapen. Dat DNA-materiaal zat in de handschoen van mijn cliënt en we bedoelden dus te zeggen dat dat vanuit de handschoen waarschijnlijk terecht is gekomen op dat vuurwapen toen dat wapen in die handschoen is gedaan door [betrokkene 3] . Daarbij is dat DNA-spoor van cliënt op de ruwe delen van het wapen terecht gekomen.
Ik meen dus dat ook het aantreffen van dat DNA-spoor nog niet maakt dat er een veroordeling van cliënt kan volgen.
(…)
De raadsman dupliceert als volgt.
Over de DNA-overdracht hebben wij steeds hetzelfde verklaard. Het is mogelijk dat degene die het wapen in de handschoen deed het wapen eerst schoon heeft gemaakt en dat er vervolgens DNA-materiaal van cliënt vanuit de handschoen op het wapen over is gegaan en niet van de persoon die het wapen in de handschoen heeft gedaan.”
In zijn (schriftelijke) laatste woord vult de verdachte aan:
“Ten eerste wil ik benadrukken dat ik in geen enkel opzicht bewust betrokken was bij het voorhanden hebben van het wapen dat in de woning werd gevonden. Ik begrijp dat de rechtbank het DNA-bewijs als een belangrijk onderdeel van de zaak beschouwt, maar ik wil graag een logische verklaring bieden voor hoe mijn DNA op het wapen terecht is gekomen, wat door omstandigheden die ik zal uitleggen, goed te begrijpen is.
Het is duidelijk dat ik onterecht ben geluisd en dat mijn betrokkenheid niet opzettelijk of met kwade bedoelingen was. Mijn DNA is per ongeluk op het wapen terechtgekomen, doordat mijn handschoen, die ik zelf gebruikte voor tuinieren, is gebruikt door mijn medebewoner, [getuige 1] , zonder mijn toestemming en onder dwang.
Dwang en Ontwetendheid Ik had geen idee dat mijn handschoen door [getuige 1] zou worden gebruikt om het wapen in te stoppen. Deze handschoen was alleen voor tuinieren bedoeld, en ik was er niet van op de hoogte dat hij later in verband met criminele activiteiten zou worden gebruikt. Ik heb niemand het recht gegeven om mijn bezittingen op deze manier te gebruiken. Dit is belangrijk, omdat er geen enkele reden is waarom ik bewust betrokken zou zijn bij het wapen of de criminele activiteiten eromheen.
[getuige 1] heeft onder dwang gehandeld. Hij werd bedreigd door anderen om mijn handschoen te gebruiken voor een doel waar ik niets van wist. Is wat hij zegt. Dit is een cruciaal punt, omdat het bewijs van mijn onbewuste betrokkenheid onderstreept. De verklaring van [getuige 1] , waarin hij zelf aangeeft onder bedreiging te hebben gehandeld, ondersteunt zijn onschuld. Ik ben duidelijk niet bewust bij deze situatie betrokken.
De Anonieme Tip Wat betreft de anonieme tip: deze moet worden gezien als een bewuste opzet om mij in de val te lokken. Het wapen werd in mijn handschoen gestopt, en de tipgever had gedetailleerde kennis over de situatie. De tip noemde bijvoorbeeld de 6mm, een specifiek detail dat de betrokkenheid van de tipgever bewijst, evenals het feit dat ze over informatie beschikten die alleen iemand die direct betrokken was, zou weten.
Deze details werden niet alleen genoemd in de tip, maar het onderzoeksteam bevestigde achteraf de juistheid van deze informatie, wat betekent dat de tipgever daadwerkelijk kennis van de zaak had. Het is duidelijk dat er opzet in het spel is en dat ik erin ben geluisd.
(…)
Conclusie In conclusie wil ik nogmaals benadrukken dat ik geen enkele intentie had om betrokken te raken bij criminele activiteiten. Mijn DNA op het wapen is alleen te verklaren door de acties van [getuige 1] , die onder dwang mijn bezittingen heeft gebruikt. De anonieme tip en het bewijs van de bedreiging die [getuige 1] onderging, bevestigen dat ik onterecht ben betrokken geraakt in deze zaak.”
Het hof heeft het alternatieve scenario in zijn arrest van 16 april 2025 als volgt verworpen (reeds weergegeven onder randnummer 2.2):
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte een alternatieve verklaring heeft voor het aantreffen van zijn DNA op het wapen in de schuur. Het DNA van de verdachte zou via secundaire overdracht op dat wapen zijn terechtgekomen. De raadsman brengt als alternatief scenario naar voren dat het DNA van de verdachte waarschijnlijk in de – door hem gedragen – handschoen zat. Doordat het wapen in de schuur in die handschoen is gedaan, is het DNA van de verdachte op de ruwe delen van het wapen terechtgekomen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de deskundigenrapportage van het TMFI d.d. 10 november 2020 is komen vast te staan dat het DNA van de verdachte op de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen in de schuur van zijn woning is aangetroffen en dat het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Het aantreffen van dit daderspoor van de verdachte vraagt om meer uitleg dan een enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte mogelijk op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte dan ook niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.”
Het hof heeft vastgesteld dat op diverse onderdelen van het vuurwapen – dat zich in de schuur van de woning van de verdachte bevond – het DNA van de verdachte is aangetroffen, en dat het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Het hof heeft uit deze omstandigheden – onder verwerping van het alternatieve scenario, dat ik hieronder bespreek – afgeleid dat de verdachte het wapen zelf in handen heeft gehad en op die manier zijn DNA op het wapen heeft achtergelaten (en zodoende het wapen opzettelijk voorhanden had).
Het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario houdt in dat de verdachte niet zelf het wapen heeft aangeraakt, maar enkel de handschoen waarin het wapen is aangetroffen. Die handschoen zou de verdachte hebben gebruikt bij het tuinieren. Een medebewoner, de eerdergenoemde [getuige 1] , zou gedwongen zijn om het wapen in de handschoen die door de verdachte was gebruikt te stoppen, om de verdachte ‘erin te luizen’.
Het hof heeft het alternatieve scenario als ‘niet aannemelijk’ terzijde geschoven. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat het aantreffen van het daderspoor van de verdachte op een wapen in de schuur bij zijn woning om meer uitleg vraagt dan de enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte mogelijk op het wapen terecht zou kunnen komen.
Hoewel ik meen dat het gepresenteerde alternatieve scenario iets meer inhoudt dan een enkele suggestie over hoe het DNA van de verdachte op het wapen terecht zou zijn gekomen, vind ik de verwerping van het alternatieve scenario door het hof niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. In de beoordeling van het alternatieve scenario heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het zelf in handen hebben gehad van het wapen door de verdachte een meer waarschijnlijke verklaring biedt voor het aantreffen van het daderspoor (een DNA-hoofdprofiel dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, afkomstig van de ruwe delen en de trekker van het wapen, met andere woorden van onderdelen van het wapen die passen bij het in handen hebben van het wapen) dan het scenario waarin een ander het wapen in een door de verdachte gedragen handschoen heeft gedaan. Dat oordeel kan ik goed volgen, nu het wapen in de schuur bij de woning van de verdachte werd aangetroffen (het hof stelt vast dat de verdachte stond ingeschreven op het adres van de woning, een deel van de huur betaalde en tijdens de inval door de politie in de woning werd aangetroffen). Doorgaans wijst het aantreffen van een daderspoor in (een ruimte behorend bij) de woning van de verdachte, waarvan het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte, toch sterk op de betrokkenheid van de dader ten aanzien van het voorwerp waarop het spoor is aangetroffen. Daartegenover staat in het onderhavige geval een scenario van de verdediging dat maar weinig handen en voeten krijgt. Daarbij merk ik op dat de verdachte pas ter terechtzitting van de rechtbank van 4 november 2022 een verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op het wapen (namelijk dat dit door secundaire overdracht via de handschoen zou hebben plaatsgevonden), en pas op de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025 enige nadere invulling heeft gegeven aan dit scenario.
Het derde middel faalt.
5. Het vierde middel
Het vierde middel houdt in dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2025, heeft de verdachte op die zitting onder meer het volgende verklaard:
“Ik heb nooit alcohol of drugs gebruikt. Een gevangenisstraf zou betekenen dat ik in de problemen
zou komen met mijn studie en met mijn eigen bedrijf dat cosmetica maakt voor beautysalons. Ik heb dat bedrijf met twee buitenlandse medestudenten in 2023 opgezet. Ik doe de communicatie van het bedrijf in het Nederlands. Er zouden veel problemen ontstaan als ik gevangen kom te zitten en dan zou ik mijn studie ook niet kunnen vervolgen. Ik kan aan uw hof een uittreksel van de Kamer van Koophandel overhandigen. Ik heb ook een honing met superfood uitgebracht die goed is voor de spieropbouw en die veel gezonder is dan de supplementen die je in de winkel kunt kopen. Ik heb ook een TikTok-account met veel volgers en ik moet ook vandaag nog vele bestellingen op de post doen. Dat zou allemaal in gevaar komen door een gevangenisstraf.”
De raadsman van de verdachte heeft in zijn pleidooi onder meer op de volgende voor de strafoplegging relevante omstandigheden gewezen:
“Ik vind dat we cliënt zouden moeten volgen in zijn verhaal. Hij is de oudste man in huis. Zijn moeder is vroeg weduwe geworden en zij is de Nederlandse taal niet machtig. Bij de andere kinderen komt niet veel uit handen. De moeder van cliënt heeft veel hulp nodig en cliënt zet daarvoor een groot deel van zijn leven ‘on hold’. Om die reden woont hij ook bij zijn moeder in. Dat betekent dat cliënt als inschrijfadres de woning van zijn moeder heeft.
(…)
Als uw hof toch tot bewezenverklaring komt, dan verzoek ik om oplegging van een geheel
voorwaardelijke straf. We zijn ondertussen 4 jaar en 2 à 3 maanden verder en de advocaat-
generaal stelt dat een strafkorting van 1 maand passend is, maar komt dan niet met een voorwaardelijke straf als eis. De Hoge Raad zegt dat er in een dergelijk geval meer korting moet worden gegeven. Wij hebben in eerste aanleg gevraagd om het horen van getuigen maar die hebben we zelf meegenomen naar de zitting. Het heeft dus niet aan ons gelegen dat het in eerste aanleg zo lang heeft geduurd. Ik wil primair [getuige 1] horen als getuige maar als uw hof dat verzoek passeert, vraag ik om oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.”
Het hof heeft over de op te leggen straf het volgende overwogen:
“Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving, omdat het bezit van wapens en munitie maar al te vaak leidt tot daadwerkelijk gebruik daarvan, met alle vaak onherstelbare gevolgen van dien. Het hof betrekt daarbij in strafverzwarende zin dat de munitie die werd aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte geschikt was om te worden afgevuurd met het wapen dat zich in de schuur bij de woning bevond, waarop het DNA van de verdachte werd aangetroffen, en dat in de slaapkamer van de verdachte ook een daarbij passende patroonhouder werd aangetroffen. Voorts weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat zich onder de aangetroffen wapens in de garagebox ook twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen bevonden.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 31 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt weliswaar dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar voor andersoortige delicten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook daarmee heeft het hof rekening gehouden.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent met name aannemelijk geworden dat de verdachte bij zijn moeder woont, een opleiding volgt en een eigen bedrijf(je) heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de beslissing omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof tevens kennis genomen van de binnen de rechtspraak ontwikkelde LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten geven thans als indicatie voor de op te leggen straf bij het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (in een woning): een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor het voorhanden hebben van een gaspistool, zoals ten aanzien van de twee andere onder feit 1 tenlastegelegde wapens is bewezenverklaard, telkens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. Voor de overige aangetroffen wapens en munitie kunnen als indicatie geldboetes worden opgelegd.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft in een zaak als dit als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 9 november 2020 – vonnis wijst. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een langere termijn dan twee jaar in dit geval heeft te gelden of het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk voor rekening van de verdachte doen komen is het hof niet gebleken. Nu de rechtbank op 16 april 2024 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met een jaar en ongeveer 5 maanden. In hoger beroep is geen sprake van schending van de redelijke termijn.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest. Het hof ziet, met name gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, onvoldoende grond om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals de raadsman heeft bepleit.”
Het middel, dat zoals gezegd inhoudt dat het hof de aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet in zijn beoordeling heeft betrokken, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk acht geslagen op de ter terechtzitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte (inhoudende dat de verdachte bij zijn moeder woont, een opleiding volgt en een eigen bedrijf(je) heeft), maar deze hebben – zo begrijp ik het arrest van het hof – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot de andere feiten geen aanleiding gegeven om een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, op te leggen. Het hof heeft vervolgens uitgebreid toegelicht op welke wijze het tot (de hoogte van) de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gekomen, mede in het licht van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Tot een nadere motivering was het hof, mede beschouwd tegen de achtergrond van hetgeen ter terechtzitting door de verdediging naar voren is gebracht, niet gehouden.
Het vierde middel faalt.
6. Slotsom
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G