ECLI:NL:RBAMS:2018:153

ECLI:NL:RBAMS:2018:153, Rechtbank Amsterdam, 11-01-2018, 13/751294-17

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 11-01-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/751294-17
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0016664 CELEX:32002F0584 CELEX:32009F0299 EU:32002F0584 EU:32009F0299

Samenvatting

De opgeëiste persoon is in Polen in twee strafzaken veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke straf. Hij is bij de inhoudelijke behandeling van de ene strafzaak aanwezig geweest en voor de inhoudelijke behandeling van de andere strafzaak in persoon gedagvaard. Nadien heeft de Poolse rechter, buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen gelast. Gelet op het arrest Ardic van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2017:1026) overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat procedures waarin de Poolse rechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen heeft gelast, betrekking hadden op de vraag of de opgeëiste persoon gedurende de proeftijd de aan hem opgelegde voorwaarden had overtreden. De beslissingen van the Local Court in Bialogard houden in dat de opgeëiste persoon de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen alsnog in hun geheel moet ondergaan en hebben daarom noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straffen gewijzigd. Om die reden vallen voornoemde procedures, niet onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel. De weigeringsgrond ex artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751294-17

RK nummer: 17/4799

Datum uitspraak: 11 januari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juli 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 februari 2017 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. O.P. Kuit als vervanger van zijn kantoorgenoot mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft op voormelde datum het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst omdat de rechtbank op 28 september 2017 bij tussenuitspraak in de zaak Ardic prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) zou voorleggen (ECLI:NL:RBAMS:2017:7037). Het antwoord van het Hof van Justitie zou mogelijk relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Op 22 december 2017 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak Ardic (C-571-17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026).

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 11 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. H.F. van Kregten, advocaat te Waddinxveen en door een tolk in de Poolse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen, gewezen door the Local Court in Białogard op respectievelijk 10 oktober 2013 (II K 242/13) en 23 april 2014 (II K 654/13)

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat. Deze straffen zijn opgelegd bij voornoemde vonnissen, voor de duur van elk één jaar.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die als volgt zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB:

II K 242/13: Between 10 and 22 March 2013 in Karlino, Zachodniopomorskie Province, at the premises of recreational gardens “ [naam 2] ”, after breaking the lock in the door he broke into a garden shed no. [nummer] , and took from inside, with the aim of appropriating, some scrap metal and a barrel worth PLN 100 by which he acted to the detriment of [naam 1] (11 K 242/13),

II K 654/13:

On 11 September 2013 in Karlino, Zachodniopomorskie Province, acting in short time intervals at the shop floor of [shop] , acting together with an established person, in order to execute a previously made goal of taking some property with the aim of appropriating, by twisting the padlocks securing the front door they broke into to [the] warehouse buildings, where there were some metal elements, which they failed to take due to excessive size of the objects, then they entered to the shop floor and they broke into a basket with lpg gas cylinders standing there by twisting the protective padlock, from which they took with the aim of appropriating four gas cylinders worth PLN 750, acting to the detriment of [shop] Department in Karlino.

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Aan het EAB liggen twee onherroepelijke vonnissen ten grondslag.

Volgens onderdeel d) van het EAB en aanvullende informatie van 13 september 2017

is de opgeëiste persoon in persoon verschenen op het proces dat tot het vonnis van 10 oktober 2013 (II K 242/13) heeft geleid en

is de opgeëiste persoon niet in persoon verschenen op het proces dat op het vonnis van 23 april 2014 (II K 654/13), maar heeft hij de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen persoonlijk in ontvangst genomen.

Uit onderdeel f) van het EAB blijkt het volgende:

Initially in cases II K 242/13 and II K 654/13 a prison sentence was adjudged against [opgeëiste persoon] with a conditional suspension of its execution for a probation period, however, by the force of the subsequent enforceable decisions of the Local Court in Bialogard their execution was ordered due to the fact that the person evaded the duties imposed on him and committed another similar offence during the probation period.

Blijkens informatie van de Poolse justitiële autoriteit van 28 september 2017 is de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig geweest bij de terechtzittingen waarop de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen is bevolen.

De rechtbank heeft op 28 september 2017 de volgende vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd in de zaak Ardic:

Indien de opgeëiste persoon onherroepelijk in een in zijn aanwezigheid gevoerde procedure schuldig is bevonden en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging onder voorwaarden is opgeschort, is de latere procedure waarin de rechter buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon de herroeping van die opschorting gelast wegens het niet naleven van voorwaarden en het zich onttrekken aan het toezicht en de leiding van een reclasseringsambtenaar een ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ als bedoeld in artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ?

In rechtsoverweging 86 oordeelt het Hof van Justitie

Hoe dan ook is het uniform toe te passen relevante criterium in het kader van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, dat van de aard van de daarin bedoelde „beslissing”, zoals volgt uit de punten 75 tot en met 77 van het onderhavige arrest.

Rechtsoverwegingen 75 tot en met 77 luiden als volgt:

Hoewel de onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene wordt veroordeeld, met inbegrip van die tot vaststelling van de vrijheidsstraf die de betrokkene moet ondergaan, duidelijk onder artikel 6 van het EVRM valt, volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat die bepaling daarentegen niet van toepassing is op kwesties inzake de tenuitvoerlegging of de toepassing van een dergelijke vrijheidsstraf (…).

Dat is slechts anders wanneer na een beslissing waarin uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en de betrokkene tot een vrijheidsstraf is veroordeeld, een nieuwe rechterlijke beslissing wordt gegeven waarbij de aard of de maat van de eerder uitgesproken straf wordt gewijzigd, hetgeen het geval is wanneer een gevangenisstraf wordt vervangen door uitzetting (…).

In het licht van het bovenstaande moet dus worden geoordeeld dat het in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 voorkomende begrip „beslissing” voor de doelstellingen van dat artikel niet ziet op een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, behalve wanneer die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte (…).

De rechtbank stelt vast dat de procedures waarin de Poolse rechter de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen heeft gelast, betrekking hadden op de vraag of de opgeëiste persoon gedurende de proeftijd de aan hem opgelegde voorwaarden had overtreden.

De beslissingen van the Local Court in Bialogard houden in dat de opgeëiste persoon de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraffen alsnog in hun geheel moet ondergaan en hebben daarom noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straffen gewijzigd.

Om die reden vallen voornoemde procedures, niet onder het begrip ‘proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel.

De weigeringsgrond ex artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.

5. Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

II K 242/13: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

II K 654/13: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen

en

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen), ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de twee vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Klomp

Griffier

  • mr. Y.M.E. Jurgens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?