RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/746914 / HA ZA 24-188
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eiser tot verificatie,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
tegen
mr. [curator] ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van wijlen [gedaagde],
(hierna te noemen: [gedaagde] ),
te [woonplaats] ,
verweerder tot verificatie,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. T.G.H. Coppens.
1. De zaak in het kort
In deze procedure gaat het ten eerste om de vraag of een door de curator betwiste vordering alsnog als schuld moet worden erkend in het faillissement. Daarnaast gaat het om de vraag of andere in deze procedure genoemde vorderingen die de curator in het geheel niet op een schuldlijst heeft genoteerd (noch als betwist, noch als onbetwist) als schuldvordering erkend moeten worden. De rechtbank beantwoordt die vragen ontkennend.
Voor de betwiste vordering bestaat onvoldoende grondslag, de andere vorderingen hadden eerder moeten worden aangemeld.
Daarnaast gaat het in deze procedure om de vraag of de vorderingen die de curator in reconventie heeft ingesteld toewijsbaar zijn. De rechtbank komt op basis van de betalingen over en weer, doorbetalingen aan derden in het kader van de zakelijke samenwerking tussen partijen en contante stortingen op de rekening van [gedaagde] tot het voorlopig oordeel dat de curator in reconventie niets te vorderen heeft. Partijen mogen hierop reageren.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het uittreksel van het proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van [gedaagde] , met de verwijzing door de rechter-commissaris van de door de curator betwiste schuldvordering van € 14.820,- van [eiser] naar de handelsrol van 28 februari 2024 voor deze renvooiprocedure,
- de conclusie van eis tot verificatie/tevens wijziging van eis, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het tussenvonnis van 4 september 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 november 2024 en de daarin genoemde processtukken (waaronder de akte houdende vermeerdering van eis van [eiser] ), waarin de rechtbank heeft bepaald dat beide partijen aan de rechtbank bankafschriften in het geding mogen brengen (die alleen aan de rechtbank worden verstrekt) en een exceloverzicht (dat ook aan de wederpartij wordt verstrekt) waaruit blijkt welke bedragen wanneer van en naar de privérekening van [gedaagde] zijn gegaan,
- de akte houdende wijziging van eis tevens akte overlegging productie van de curator, met een productie,
- de akte van depot van [eiser] ,
de akte overlegging producties van [eiser] , met producties,
- de brief van 4 februari 2025, waarin de curator bezwaar heeft gemaakt tegen de akte van [eiser] en de bijgevoegde producties,
- de reactie van [eiser] van 7 februari 2025,
- de rolbeslissing van 26 februari 2025 waarin is bepaald dat in het te wijzen vonnis op het bezwaar van de curator zal worden beslist en waarin is bepaald dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de eiswijziging van de curator,
- de antwoordakte tevens verzet tegen wijziging/vermeerdering van eis van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
De rechtbank zal eerst ingaan op de verschillende processuele punten die in dit geschil aan de orde zijn.
beslissing over extra producties [eiser]
[eiser] heeft na de mondelinge behandeling niet alleen conform de instructie van de rechtbank een exceloverzicht en bankafschriften overgelegd, maar ook andere producties overgelegd (producties 33 tot en met 38) . De curator heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar is nog niet beslist.
Het betreft:
Bankafschriften en een overzicht van betalingen over en weer tussen [gedaagde] en [eiser] , waaruit volgt dat bedragen die [gedaagde] op 16 december 2020 en op 22 december 2020 aan [eiser] heeft betaald diezelfde dag door [eiser] zijn aangewend voor betalingen aan derden en volgens [eiser] waren bedoeld voor de aankoop van winkelbedrijven ten behoeve van de oprichtende partijen van Pets and Brands Holding B.V. (producties 33 en 34) en niet bedoeld waren als een lening aan [eiser] zoals de curator stelt;
Verdere stukken.
De rechtbank onderkent dat deze stukken buiten de door de rechtbank gegeven opdracht vallen. De producties 33 en 34 sluiten echter aan bij het ter zitting reeds gevoerde verweer en zijn voor de beoordeling relevant, zodat de rechtbank deze stukken toch zal toelaten. De curator zal wel in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.
Op voorhand merkt de rechtbank over deze producties nog het volgende op. In het overzicht van productie 33 wordt een betaling van € 70.000 van [eiser] aan HB Future vermeld, die op de in productie 34 opgenomen bankafschriften van de ABN Amro Bank niet voorkomt, althans niet geheel zichtbaar is. Op bladnummer 12 van het bankafschrift met datum 31-12-2020 en volgnummer 12 is wel terug te vinden dat een betaling aan HB Future B.V. is gedaan met als omschrijving ‘Fee instap Opzet winkels’. De rechtbank heeft in de door [eiser] overgelegde bankafschriften op bladnummer 11 van hetzelfde bankafschrift de bijbehorende afschrijving kunnen terugvinden en kunnen vaststellen dat het inderdaad gaat om een afschrijving van € 70.000,-
beslissing over eisvermeerdering in reconventie van de curator
De curator heeft na de mondelinge behandeling zijn eis in reconventie gewijzigd en [eiser] heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen is de eiser in een dagvaardingsprocedure bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen (artikel 130 Rechtsvordering). In een renvooiprocedure ligt dat anders, zoals hierna onder 5.6 aan de orde komt. De tegenvordering van de curator is echter geen renvooivordering, zodat eiswijziging mogelijk is.
De rechtbank staat de eiswijzigingen toe, omdat deze niet in strijd zijn met de goede
procesorde. De eiswijzigingen zijn tijdig gedaan, namelijk voordat eindvonnis is gewezen
Ook inhoudelijk zijn de wijzigingen van de eis in de hoofdzaak niet van een zodanige aard dat [eiser] zich daartegen niet voldoende heeft kunnen verweren. De wijziging houdt direct verband met het debat zoals dat tussen partijen ook in de processtukken al is gevoerd en het door de rechtbank gegeven bevel om de over en weer gedane betalingen te inventariseren en te onderbouwen met (alleen aan de rechtbank te overleggen) bankafschriften. [eiser] wordt nog in de gelegenheid gesteld op de eiswijziging te reageren.
3. De feiten
Partijen
[eiser] heeft volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) vanaf 1 januari 2017 een eenmanszaak gedreven onder de naam [bedrijf] . Op 31 mei 2021 is geregistreerd dat de onderneming per diezelfde datum is opgeheven.
[eiser] , [gedaagde] en de heer [naam] hebben in 2020 besloten om samen in verschillende plaatsen dierenspeciaalzaken te gaan exploiteren onder de naam Pets and Brands (steeds gevolgd door de plaatsnaam van de vestiging). Daartoe is per 1 maart 2021 Pets and Brands Holding B.V. opgericht, waarvan de drie partners via hun holding indirect aandeelhouder werden.
Op 1 februari 2023 is het faillissement van [gedaagde] uitgesproken, waarbij de curator als curator is aangesteld. Tijdens het faillissement is [gedaagde] komen te overlijden.
Overboekingen tussen [gedaagde] en [eiser]
Uit bankafschriften van [gedaagde] en van [eiser] volgt dat vanaf oktober 2019 tientallen bedragen over en weer zijn gegaan tussen verschillende bankrekeningen van [gedaagde] (bij ABN Amro, Rabo en Bunq) en een bankrekening op naam van [bedrijf] van [eiser] (bij ABN Amro). Op een enkele latere betaling na is dit gebeurd in de periode oktober 2019 tot en met februari 2021.
Enkele specifieke boekingen op de bankrekeningen van [gedaagde] en [eiser]
Op 16 december 2020 heeft [gedaagde] € 134.060,- aan [eiser] overgemaakt met de omschrijving ‘lening’. Diezelfde dag heeft [eiser] € 134.060,- overgemaakt naar Veterinary Enterprises Europe B.V. met als omschrijving: ‘Investering in merken en concept’.
Op 22 december 2020 zijn op de ABN Amro-rekening van [gedaagde] om 15:17 uur respectievelijk om 15:26 uur stortingen gedaan van € 59.390,- en € 36.010,-.
Op 22 december 2020 zijn op de Rabobankrekening van [gedaagde] tussen 15.35 uur en 15:58 uur de navolgende contante stortingen gedaan:
€ 10.950,-
€ 6.340,-
€ 10.000,-
€ 10.000,-
€ 9.430,-
€ 9.700.-
€ 8.720,-
€ 3.600,-
€ 1.460,-
Totaal € 70.110,-.
Op 22 december 2020 heeft [gedaagde] bedragen van € 95.510,-, € 50.000,- en € 20.000,- overgemaakt naar [eiser] met omschrijving ‘Lening’. Op diezelfde datum heeft [eiser] drie betalingen gedaan aan HB Future B.V. als volgt:
€ 70.000,- met omschrijving ‘Fee instap Opzet winkels
€ 66.270,- met omschrijving ‘Aanbetaling opzet winkels’
€ 29.240,- met omschrijving ‘Restand aanbetaling’.
WhatsAppberichten tussen [eiser] en [gedaagde]
Op 14 december 2021 heeft [eiser] in een Whatsapp-bericht aan [gedaagde] geschreven:
“Nou dan nog 70-80k van mij gekregen
Ik teken wel verklaring voor je
Ben mn bank toch al kwijt
Wat willen ze doen lol
(..)
en ik kan wel 70/80K gepind hebben
Want nam alles op voor [bedrijf]
Van paar jaar
En dan de verkoop papegaaien”
Op 8 december 2022 heeft [gedaagde] aan [eiser] via Whatsapp geschreven:
“ En waar komt al dat contante geld vandaan
Waarmee je mij hebt afbetaald en wat ik als lening terug in het bedrijf heb gestoken via [bedrijf] ?
Blijkbaar niet via je bedrijven.”
Verklaring [naam] over contante betalingen op 22 december 2021
[eiser] heeft in deze procedure een verklaring van [naam] overgelegd waarin [naam] heeft verklaard dat hij op 22 december 2020 aanwezig is geweest in de winkel van Pets and Brands Breda en dat hij heeft gezien dat [eiser] contant € 85.000,- aan de [gedaagde] heeft overgedragen. Hij heeft verder verklaard dat [gedaagde] en [eiser] daarna samen naar de bank zijn gegaan om dit te storten op de rekening van [gedaagde] .
Correspondentie tussen de curator en [eiser] ten aanzien van over en weer gepretendeerde vorderingen
Bij e-mail van 4 april 2023 heeft de curator van [eiser] een bedrag van € 220.455,93 inclusief rente gevorderd op grond van leningen van in hoofdsom € 209.760,- die [gedaagde] aan [eiser] zou hebben verstrekt.
In reactie daarop heeft een door [eiser] ingeschakelde advocaat de curator bericht dat er geen vordering is van [gedaagde] op hem, maar juist een vordering van [eiser] op [gedaagde] bestaat van € 44.258,-. De curator is verzocht die vordering te voldoen.
Daarna heeft [eiser] op 22 augustus 2023 de curator gemaild dat hij [gedaagde] aansprakelijk stelt voor € 14.820,-, omdat hij door de bank is aangesproken voor een vordering van € 44.460,- waarvoor [gedaagde] , [eiser] en [naam] ieder hoofdelijk aansprakelijk waren.
De curator heeft de vordering van € 14.820,00 op de lijst van betwiste vorderingen geplaatst.
[eiser] is per brief van 16 oktober 2023 uitgenodigd voor de verificatievergadering in het faillissement van [gedaagde] , die op 29 november 2023 zou worden gehouden. In de uitnodigingsbrief stond dat de vordering van € 14.820,- op de lijst van voorlopig betwiste concurrente vorderingen was genoteerd. Verder stond in die brief dat als [eiser] het niet eens was met het bedrag en/of de notering van de vordering, hij uiterlijk op 15 november 2023 diende aan te geven wat volgens hem de correcte aard en/of het bedrag van de vordering was.
[eiser] heeft niet op deze brief van de curator gereageerd.
Op 21 november 2023 heeft de curator [eiser] per brief geïnformeerd over het feit dat de lijsten van voorlopig erkende en betwiste vorderingen in het faillissement van [gedaagde] inmiddels ter griffie van de rechtbank waren gedeponeerd. [eiser] heeft daarna verzocht om toezending van die lijsten. Dat is gebeurd. Op de lijst van voorlopig betwiste concurrente vorderingen was alleen de vordering van [eiser] van € 14.820,- opgenomen.
Op 29 november 2023 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden. [eiser] was daarbij niet aanwezig. De betwiste vordering van € 14.820,- is verwezen naar deze renvooiprocedure.
4. Het geschil
in conventie
[eiser] heeft in de conclusie van eis tot verificatie/tevens wijziging van eis gevorderd – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis:
voor recht verklaart c.q. bepaalt dat de betwisting van de curator ongegrond is en dat de vorderingen van [eiser] op [gedaagde] erkend moeten worden door plaatsing van deze schuldvorderingen op de lijst van erkende schuldvorderingen;
de vordering van [eiser] op [gedaagde] van € 44.258,- voor zoveel nodig plaatst op de lijst van erkende schuldvorderingen;
[gedaagde] c.q. de curator in de proceskosten veroordeelt.
[eiser] heeft aan die vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] heeft twee vorderingen op [gedaagde] , de hij in het faillissement van [gedaagde] ter verificatie heeft ingediend. De curator heeft een vordering van € 14.840,- op de lijst van betwiste vorderingen gezet. Een vordering van € 44.258,- is ten onrechte niet op de lijst van erkende schuldvorderingen, maar ook niet op de lijst van betwiste schuldvorderingen genoteerd. De vordering van € 14.840,- betreft een regresvordering. De vordering van € 44.258,- betreft een door [eiser] van [gedaagde] te vorderen bedrag vanwege betalingen over en weer. Het bedrag van € 44.258,- is het saldo van € 206.518 uitgeleend aan [gedaagde] door [eiser] (waarvan € 85.000,- contant en € 121.518,- per bank), en € 162.260,- uitgeleend door [gedaagde] aan [eiser] .
Bij akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering van eis heeft [eiser] gevorderd – naar de rechtbank begrijpt – dat de door de curator nog helemaal niet genoteerde vordering van € 44.258,- niet voor dat bedrag, maar voor een bedrag van € 45.630,- op de lijst van erkende schuldvorderingen wordt geplaatst, en dat daarnaast nog een extra vordering van € 9.514,84 op de lijst van erkende schuldvorderingen wordt geplaatst in verband met gemaakte kosten om de vordering erkend te krijgen. [eiser] vordert vergoeding van de werkelijke proceskosten.
De curator voert verweer. De curator handhaaft zijn betwisting voor wat betreft de vordering van € 14.820,-. Voor zover er toch een vordering van € 14.820 op [gedaagde] zou zijn, doet de curator een beroep op verrekening met de vordering van € 209.760,- (exclusief rente) die [gedaagde] op [eiser] heeft. De eiswijziging en eisvermeerdering zijn volgens de curator niet mogelijk. Voor het geval dit toch mogelijk zou zijn, voert de curator daartegen inhoudelijke bezwaren aan. Die komen er kort gezegd op neer dat de curator betwist dat [eiser] € 206.518,- heeft uitgeleend aan [gedaagde] en dat [eiser] een vordering op [gedaagde] heeft. Hij heeft als curator van [gedaagde] juist een vordering op [eiser] die in reconventie wordt gevorderd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
De curator vordert na eisvermeerdering – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [eiser] veroordeelt tot betaling aan de curator van:
primair € 353.670,- , met rente,
subsidiair € 342.920, met rente,
en meer subsidiair € 209.760,-,
en voorts buitengerechtelijke incassokosten van € 3.539,60.
De curator heeft aanvankelijk aan de vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] bedragen heeft uitgeleend aan [eiser] , die zijn vastgelegd in twee leningovereenkomsten: een leningovereenkomst van 8 oktober 2020 van € 83.670,- (leningovereenkomst I) en een tweede geldleningsovereenkomst van 1 maart 2021 van € 209.760,-, waarin de eerste geldlening is opgenomen (leningovereenkomst II). Nadat de rechtbank partijen heeft opgedragen de over en weer betaalde bedragen in een overzicht (onderbouwd met aan de rechtbank te overleggen bankafschriften) in het geding te brengen, heeft de curator zijn primaire standpunt aangepast. Hij houdt vast aan de authenticiteit van leningovereenkomst I, maar de betalingen daarna moeten als betalingen in rekening-courant worden beschouwd waarbij [gedaagde] meer aan [eiser] heeft betaald dan [eiser] aan [gedaagde] . Dit resulteert in een vordering van € 353.670,- Subsidiair vordert de curator het saldo van de betalingen over en weer, resulterend in een bedrag van € 342.920,- dat [gedaagde] meer heeft betaald dan hij van [eiser] heeft ontvangen. Meer subsidiair vordert de curator betaling van € 209.760,- op grond van leningovereenkomst I en II.
[eiser] voert verweer. Volgens [eiser] zijn de leningsovereenkomsten vals. Er zijn wel bedragen over en weer gegaan, maar per saldo heeft [eiser] een vordering op [gedaagde] zoals in conventie gevorderd. Voor enkele grotere bedragen die [gedaagde] heeft gestort, geldt dat die bedoeld waren voor de aankoop van dierenwinkels en dat volgt ook uit het feit dat die bedragen meteen zijn doorgestort aan derden.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
In conventie vordert [eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat de betwisting van de curator ongegrond is en dat twee vorderingen van [eiser] op [gedaagde] op de lijst van erkende schuldvorderingen moeten worden geplaatst. De rechtbank gaat eerst in op de vordering van € 14.840,- die door de curator op de lijst van betwiste schuldvorderingen is genoteerd.
De betwiste vordering van € 14.840,-,
Over de vordering van € 14.800,- heeft [eiser] gesteld dat dit een regresvordering betreft. Er was een financiering bij CMF Finance B.V. (CMF Finance, door [eiser] ook aangeduid als Pinfinance), waarbij voor hoofdelijke aansprakelijkheid in privé is getekend door [gedaagde] , [naam] en [eiser] . Het restant van de vordering van € 44.460,- is door CMF Finance opgeëist en geheel door [eiser] aan CMF Finance voldaan. Een derde is voor rekening van [gedaagde] , dus € 14.820,-. [eiser] is gesubrogeerd in de rechten van CMF Finance en hij heeft dus een regresvordering op [gedaagde] van 14.820,-.
De curator heeft betwist dat CMF Finance de financiering heeft opgeëist en dat [gedaagde] het gestelde bedrag van € 44.460,- heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering terecht door de curator is betwist en niet alsnog op de lijst van erkende schuldvorderingen moet worden geplaatst.
Ten eerste volgt uit een door de curator overgelegde herfinancieringsovereenkomst van 1 augustus 2022 dat het bedrag van € 44.460,- niet is betaald, maar is geherfinancierd. Uit de herfinancieringsovereenkomst volgt dat Pets and Bugs B.V. en Pets Branding B.V. met CMF Finance een nieuwe financiering hebben afgesloten, waarin het bedrag van € 44.460,- is meegenomen (en niet is afgelost). [eiser] heeft daarbij wel voor hoofdelijke aansprakelijkheid getekend, maar híj is niet de financiering aangegaan; Dat waren Pets and Bugs B.V. en Pets Branding B.V. Verder blijkt uit niets dat CMF de financiering heeft opgeëist en dat [eiser] een bedrag van € 44.460,- aan CMF Finance heeft betaald, terwijl het gelet op de gemotiveerde betwisting van de curator op de weg van [eiser] had gelegen zijn stellingen hierover nader te onderbouwen. De vordering van [eiser] om voor recht te verklaren dat de betwisting ongegrond is en dat de vordering van € 14.820,- op de lijst van erkende crediteuren moet worden geplaatst, wordt dus afgewezen.
De niet genoteerde vordering, eiswijziging en eisvermeerdering
Voor wat betreft de overige vorderingen die [eiser] op de lijst van erkende vorderingen geplaatst wil zien (zoals bij eiswijziging en bij eisvermeerdering gevorderd, zie 4.1 en 4.3), geldt dat het systeem van de Faillissementswet daaraan in de weg staat.
Een eiswijziging in een renvooiprocedure is alleen toelaatbaar indien daarmee niet getreden wordt buiten de grenzen van hetgeen partijen ten overstaan van de rechter-commissaris verdeeld hield (HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1057 (ING Lease Vastgoed/Hermsen q.q., rechtsoverweging 3.2). Daar is hier niet aan voldaan. De vordering van € 44.258,- noch de later bij eisvermeerdering van [eiser] genoemde vorderingen zijn niet op de lijst van betwiste schuldvorderingen geplaatst en daarom geen onderwerp van debat op de verificatievergadering geweest.
[eiser] is per brief van 16 oktober 2023 uitgenodigd voor de verificatievergadering die op 29 november 2023 zou worden gehouden. In de uitnodigingsbrief stond dat als [eiser] het niet eens was met het bedrag of de notering van de vorderingen, hij uiterlijk op 15 november 2023 diende aan te geven wat volgens hem de correcte aard en/of het bedrag van de vordering was. Het was dus aan [eiser] geweest om uiterlijk op 15 november 2023 de curator te informeren over zijn vordering, zodat deze op de crediteurenlijsten zou zijn geplaatst en onderwerp van debat had kunnen zijn op de verificatievergadering. Nu dat niet is gebeurd, moet [eiser] in zijn eiswijziging en eisvermeerdering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vervolg
Omdat in reconventie nog geen eindbeslissing kan worden gegeven, worden alle beslissingen in conventie aangehouden tot het eindvonnis.
in reconventie
Tussen de rekeningen van [gedaagde] en [eiser] zijn veel bedragen over en weer gegaan. Volgens de curator zijn in dat verband twee leningovereenkomsten opgesteld, die volgens [eiser] echter vervalst zijn. Verder volgt volgens de curator hoe dan ook uit de bankafschriften dat er per saldo veel meer door [gedaagde] aan [eiser] is betaald dan andersom. Conform zijn primaire standpunt neemt de curator leningovereenkomst I tot uitgangspunt, verhoogd met de betalingen in rekening-courant van daarna (zie 4.7).
Saldo van betalingen over en weer is bepalend voor de vraag of de curator een vordering heeft jegens [eiser]
Niet in geschil is dat dat [eiser] , [gedaagde] en [naam] bezig waren met het opzetten van een keten van dierenwinkels, en dat in het kader van die samenwerking tussen partijen over en weer gelden zijn betaald. De rechtbank laat de vraag naar de authenticiteit van de geldleningovereenkomsten in het midden. Er kan ook als deze authentiek is alleen een vordering bestaan op [eiser] als [gedaagde] meer heeft betaald aan [eiser] dan andersom, zoals de curator stelt en [eiser] betwist. De omschrijving van elk van de tussen partijen verrichte betalingen kan buiten beschouwing blijven. [gedaagde] , [naam] en [eiser] hebben op informele wijze en kennelijk op basis van vertrouwen met elkaar zaken gedaan met het oog op de op te richten keten van winkels, waarbij aankopen van winkels, voorraden en dergelijke werden gedaan met privégelden, welke aankopen bedoeld waren om in op te richten vennootschappen in te brengen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het al dan niet aanwezig zijn van de omschrijving ‘lening’ of ‘aflossing’ niet relevant.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat beide partijen aan de rechtbank bankafschriften in het geding mogen brengen en een exceloverzicht waaruit blijkt welke bedragen wanneer van en naar de privérekening van [gedaagde] zijn gegaan.
Conclusies partijen bankafschriften
Volgens de curator volgt uit de de saldi van de bankafschriften bij ABN Amro, de Rabobank en Bunq dat [gedaagde] € 342.920,- van [eiser] heeft te vorderen (dit is de subsidiaire vordering van de curator, zie 4.7).
Volgens [eiser] daarentegen volgt uit een door hem overgelegd exceloverzicht dat hij een vordering op [gedaagde] heeft van € 65.593,-. Ook [eiser] heeft een overzicht gemaakt op basis van de bankafschriften, maar in dit exceloverzicht heeft [eiser] niet de bedragen meegenomen die hij van [gedaagde] heeft ontvangen en meteen daarna zijn doorbetaald aan derden, namelijk aan HB Future en Veterinary Enterprises Europe B.V. Volgens [eiser] waren die bedragen bedoeld voor de aankoop van dierenwinkels.
Dit betreft de bedragen als genoemd in de producties 33 en 34 van [eiser] en zijn genoemd in 3.5 en 3.8. In totaal gaat het om betalingen en doorstortingen van € 299.570,-. Verder heeft [eiser] , anders dan de curator heeft gedaan, in het door hem overgelegde exceloverzicht een contante betaling aan [gedaagde] opgenomen van € 85.000,- op 22 december 2020.
Correcties op saldi
De rechtbank heeft voor het vaststellen van het feitelijk saldo van bij- en afschrijvingen het overzicht van de curator tot uitgangspunt genomen, omdat dit overzicht per bank de bij- en afschrijvingen weergeeft en daardoor redelijk eenvoudig is te controleren met behulp van de bankafschriften.
5.15.. Op het overzicht van de curator staan enkele boekingen die niet op de bankafschriften staan (en dus ook niet op het overzicht van [eiser] ). Het gaat ten eerste om de volgende boekingen die bij vergissing dubbel te lijken te zijn genoteerd in het exceloverzicht van de curator met betrekking tot de bij- en afschrijvingen op de ABN Amro rekening van [gedaagde] met nummer [rekeningnummer] .
correctie
2-11-2020
-1000
wel op lijst curator, maar niet op bank
-1000
12-11-2020
40
wel op lijst curator, maar niet op bank
40
13-11-2020
-150
wel op lijst curator, maar niet op bank
-150
13-11-2020
80
wel op lijst curator, maar niet op bank
80
13-11-2020
70
wel op lijst curator, maar niet op bank
70
17-11-2020
300
wel op lijst curator, maar niet op bank
300
19-11-2020
-200
wel op lijst curator, maar niet op bank
-200
20-11-2020
-260
wel op lijst curator, maar niet op bank
-260
Totaal
-1120
Verder zijn er ten aanzien van de ABN Amro rekening nog twee boekingen verkeerd genoteerd:
correctie
29-12-2020
-22500
in de lijst curator moet zijn: - 2500
-20000
1-1-2021
4000
in de lijst curator moet zijn: -4000
8000
Totaal
teveel
-12000
Ook ten aanzien van de Rabobankrekening zijn er enkele kleine verschillen:
correctie
6-10-2020
-1200
niet op bank, wel op lijst curator
-1200
13-10-2020
-1500
niet op bank, wel op lijst curator
-1500
29-10-2020
-1000
niet (2x) op bank (maar 1x), wel op lijst curator
-1000
29-10-2020
-500
niet op overzicht curator, wel op bank
500
Verschil totaal
-3200
Per saldo leidt dit tot een correctie van - (1.120 + 12.000 + 3.200) = - € 16.320,- ten opzichte van het door de curator berekende saldo, dat met die correctie dus uitkomt op € 326.600,- in plaats van € 342.920,-. Het feitelijk saldo van bij- en afschrijvingen is dus € 326.600,-. Op basis van de bij- en afschrijvingen zou de curator dus een vordering op [eiser] hebben van € 326.600,-.
De curator wordt in de gelegenheid gesteld op de juistheid van deze correcties te reageren.
Correcties in verband met specifieke boekingen
De volgende vraag is of het saldo nog verder gecorrigeerd moet worden:
voor bedragen die zijn betaald aan [eiser] en meteen daarna zijn doorgestort aan derden;
voor een bedrag van € 85.000,- dat volgens [eiser] door hem contant aan [gedaagde] is betaald en vervolgens op de bankrekening van [gedaagde] is gestort.
Voorlopig oordeel
Uitgaande van de onder 5.15 en 5.16 vermelde correcties heeft [gedaagde] € 326.600,-. meer aan [eiser] betaald dan [eiser] aan [gedaagde] .De rechtbank is voorlopig van oordeel dat voor zover kan worden aangenomen dat de door [eiser] ontvangen betalingen zijn aangewend in het kader van de zakelijke samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] en [naam] , doordat deze zijn doorgestort naar HB Future B.V. of Veterinary Enterprises Europe B.V, dit niet als lening van [gedaagde] aan [eiser] kan worden beschouwd.
Beide partijen moeten op dit punt nog nader hun visie geven. Als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de in productie 33 genoemde bedragen buiten beschouwing blijven, leidt dat tot een vermindering van de vordering van de curator met € 299.570,-, zodat daarvan resteert € 27.030,-.Als de rechtbank vervolgens voor een bedrag van € 85.000,- of € 70.110,- rekening houdt met een contante betaling van [eiser] aan [gedaagde] , heeft de curator per saldo geen vordering.
Voor wat betreft deze gestelde contante betaling door [eiser] van € 85.000,- wordt als volgt overwogen. Uit de bankafschriften van de ABN Amro bank en van de Rabobank volgt dat op 22 december 2020 in de middag in totaal € 95.400,- op de ABN Amro-bankrekening van [gedaagde] is gestort en € 70.110,- op de Rabobankrekening van [gedaagde] . Gelet op de verklaring van [naam] , de overgelegde bankafschriften en de Whatsappberichten is het voorlopig oordeel van de rechtbank dat voldoende vaststaat dat [eiser] ten minste € 70.110,- aan [gedaagde] in contanten heeft betaald op 22 december 2010.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld ook op dit voorlopig oordeel te reageren. Zij zullen elk een akte moeten nemen en daarna elk een antwoordakte. Bij de antwoordakte mogen geen producties worden gevoegd.
Partijen wordt in overweging gegeven met elkaar in overleg te treden.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
in conventie
houdt alle beslissingen aan,
in reconventie
verwijst de zaak naar de rol van 12 november 2025 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] om te reageren op de eiswijziging die is vermeld onder 2.10 en om te reageren op het onder het onder 3.19 en 5.20 gegeven voorlopig oordeel
en voor het gelijktijdig nemen van een akte door de curator over de onder 5.17 genoemde correcties en het onder 3.19 en 5.20 genoemd voorlopig oordeel,
daarna gelijktijdige antwoordakte van beide partijen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, bijgestaan door K.E. Beerlage, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.