RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/219724-24
Datum uitspraak: 23 januari 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats]
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
9 januari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ben Tarraf, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. drs. J.I. L’Homme, advocaat te Amsterdam, namens slachtoffer [slachtoffer] , naar voren heeft gebracht.
De strafzaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen zijn medeverdachte, [medeverdachte 1] (parketnummer 13/219672-24). In deze strafzaken wordt gelijktijdig uitspraak gedaan.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 6 juli 2024 in Amsterdam en/of Duivendrecht heeft schuldig gemaakt aan
feit 1:
medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] ;
feit 2:
medeplegen van diefstal met geweld van onder andere een mobiele telefoon, twee bankpassen, een rijbewijs en een geldbedrag van 190 euro, toebehorende aan [slachtoffer] ;
feit 3:
medeplegen van afpersing van onder andere een mobiele telefoon, twee bankpassen, een rijbewijs en een geldbedrag van 190 euro, toebehorende aan [slachtoffer] ;
feit 4:
medeplegen van het voorhanden hebben van een revolver van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 knal (omgebouwd naar .22 Long) en zes patronen van het merk Industrias Tecnos, kaliber .22 Long Rifle.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Feit 1:
Het onder 1 tenlastegelegde kan worden bewezen, omdat uit de inhoud van het dossier volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) op aanwijzing van verdachte, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) onder schot heeft gehouden met een revolver in een rijdende auto. [slachtoffer] kon geen kant op en hij had geen andere mogelijkheid dan te blijven zitten. [medeverdachte 1] heeft zich hiermee tezamen en in vereniging met onder meer verdachte schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit de inhoud van het dossier blijkt immers dat verdachte telkens instructies heeft gegeven terwijl [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] het feit gezamenlijk hebben uitgevoerd met een auto waarover zij via verdachte konden beschikken.
Feiten 2 en 3:
Gelet op de aangifte en de verklaring van [medeverdachte 1] , kan worden bewezen dat verdachte en medeverdachten tezamen en in vereniging eigendommen van [slachtoffer] heeft weggenomen. Uit de aangifte blijkt dat die eigendommen zijn weggenomen. Dat maakt dat het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen en verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.
Feit 4:
Tot slot kan het onder 4 tenlastegelegde worden bewezen. Het vuurwapen werd immers bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, die heeft verklaard dat het vuurwapen en de munitie in de auto lagen, de auto die door verdachte ter beschikking is gesteld en waarover verdachte dus kon beschikken, zodat hij ook beschikkingsmacht had over het vuurwapen en de munitie. Dat die voorwerpen ten tijde van de inbeslagneming niet bij hem zijn aangetroffen, doet daar niet aan af.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Feit 2 en 3:
Verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde geldbedrag van 190,00 euro, omdat dit geldbedrag enkel door aangever is genoemd maar verder niet voorkomt in het dossier. Bovendien heeft [medeverdachte 1] verklaard dat er geen geld was.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Feit 4:
Tot slot moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. De Snapchatberichten die over een “P” gaan, maken niet dat kan worden geconcludeerd dat verdachte de beschikkingsmacht had over een vuurwapen. Dat verdachte beschikte over het voertuig waarin een vuurwapen zou hebben gelegen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij daarmee ook beschikkingsmacht over het vuurwapen had.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Wederrechtelijke vrijheidsberoving:
Op grond van de aangifte, die wordt ondersteund door de beschrijving van de verschillende camerabeelden, de spullen van aangever die in de auto van verdachte worden aangetroffen en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover de politie, oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat [slachtoffer] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd, door hem in de auto te laten stappen en vervolgens weg te rijden, aan hem een vuurwapen te tonen en zijn telefoon af te pakken. De uitvoering hiervan vindt plaats volledig in overeenstemming met de instructies die verdachte aan de beide uitvoerders heeft gegeven via snapchat. Uit die berichten volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte een auto met daarin een vuurwapen ter beschikking heeft gesteld aan de uitvoerders en dat de uitvoerders deze naderhand weer bij hem hebben ingeleverd. Niet alleen volgt uit die berichten dat de uitvoerders het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer] moesten zetten (“ze p tegen m”), maar ook dat één van de uitvoerders van plan was [slachtoffer] met het vuurwapen te slaan (“k ga m kolfen he”).
De rechtbank stelt dan ook vast dat de auto geheel volgens de instructie van verdachte, vrijwel direct nadat [slachtoffer] was ingestapt wegreed en dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem het vuurwapen toonde. Vanaf dat moment bevond [slachtoffer] zich niet langer vrijwillig in het voertuig en kon hij zich niet meer uit die situatie verwijderen zonder geweld te ondergaan. Hij had geen andere mogelijkheid dan te blijven zitten. Hierdoor werd [slachtoffer] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd.
Medeplegen:
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering door [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] en dat de uitvoering verliep volgens de instructies van verdachte. Verdachte heeft via Snapchat het plan om [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven uitgelegd en uiteengezet voor de medeverdachten. Hij onderhield voortdurend, ook tijdens de uitvoering daarvan, contact met hen en bleef hen aansturen. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat het gebruikte voertuig op naam staat van de moeder van verdachte. In de snapchatberichten heeft hij het ook over ‘zijn’ whip (de rechtbank begrijpt dat dit een ander woord is voor auto) en vraagt hij of [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn whip nog terug zullen brengen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte over het voertuig beschikte en dit ter beschikking heeft gesteld voor het plegen van het tenlastegelegde. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een materiële en intellectuele bijdrage van verdachte aan dit feit die van zodanig gewicht is, dat verdachte als medepleger aan het tenlastegelegde moet worden aangemerkt.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de voor het medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.
Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Feiten 2 en 3
Vrijspraak van feit 3:
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet dat de telefoon en tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer] , door hem zijn afgegeven. Dat maakt dat geen sprake is van afpersing, zoals bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Feit 2:
De rechtbank oordeelt dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen. Anders dan de raadsman heeft bepleit, geldt dat ook voor de diefstal het geldbedrag van 190,00 euro. Uit de bevindingen van de politie volgt immers dat bij de doorzoeking van de auto een zwarte heuptas in beslag is genomen, met daarin een notitieblokje en contant geld in biljetten ter waarde van 210,00 euro.
Ook ten aanzien van dit feit acht de rechtbank bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor al onder feit 1 over medeplegen heeft overwogen.
Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Feit 4:
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde vuurwapen en de ten laste gelegde munitie samen met [medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad. De rechtbank wijst allereerst op hetgeen hiervoor is overwogen over het medeplegen met betrekking tot feit 1. Sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, die ook betrekking had op het voorhanden hebben en tonen van het vuurwapen. Hoewel het vuurwapen alleen bij [medeverdachte 1] werd aangetroffen is de rechtbank daarbij van oordeel dat verdachte daar ook de beschikkingsmacht over had.
Uit een Snapchatgesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] van 6 juli 2024 blijkt dat verdachte aan [medeverdachte 1] vraagt of hij en medeverdachte [medeverdachte 2] de spullen nog terug zullen brengen. [medeverdachte 1] vraagt ‘Die [naam] ’? Waarop verdachte antwoordt ‘en me whip’. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zowel het voertuig als het vuurwapen, geladen met munitie, ter beschikking heeft gesteld aan de medeverdachten en daarmee zelf ook beschikte over de macht van het vuurwapen en de munitie. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het vuurwapen zich al in het voertuig bevond en dit voertuig op naam staat van de moeder van verdachte. Zoals hiervoor reeds overwogen verwijst verdachte in de chats ook naar dit voertuig als zijn auto (whip).
Tot slot is op het vuurwapen ook DNA aangetroffen van verdachte.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde bewezen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1:
op 6 juli 2024 te Amsterdam en Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] in een auto te laten stappen en vervolgens weg te rijden en die [slachtoffer] een vuurwapen te tonen en/of voor te houden en de telefoon van die [slachtoffer] af te pakken;
feit 2:
op 6 juli 2024 te Amsterdam en Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon en twee bankpassen (SNS en KNAB) en een rijbewijs en gezinsfoto's en een schoudertas inhoudende een PSA kaart en een geldbedrag van 190 euro, die geheel aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] in zijn, verdachte's, auto in te laten stappen en vervolgens weg te rijden en die [slachtoffer] een vuurwapen te tonen en/of voor te houden en die [slachtoffer] met dat vuurwapen tegen het hoofd en rug te slaan;
feit 4:
op 6 juli 2024 te Amsterdam en Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 knal (omgebouwd naar .22 Long)
en
munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
zes, patronen, van het merk Industrias Tecnos, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie voorhanden hebben gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft hij de officier van justitie geëist dat daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit in de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte niet de intellectuele dader was, maar dat hij het plan dat hij van een onbekend gebleven persoon heeft vernomen, slechts heeft doorgegeven.
Daarnaast heeft de raadsman verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Er is bij verdachte sprake van een onrijpe ontwikkeling die niet past bij zijn leeftijd. Dit blijkt uit zijn gedrag en taalgebruik ter terechtzitting, maar ook uit het feit dat hij impulsief en lichtzinnig handelt.
Verder heeft de raadsman betoogd dat, indien geen toepassing wordt gegeven aan het adolescentenstrafrecht, het van belang is dat aan verdachte een straf wordt opgelegd die zijn opleiding niet doorkruist. De raadsman stelt voor in plaats daarvan voor een hoger voorwaardelijk strafdeel op te leggen dan is geëist.
Tot slot merkt de raadsman op dat sprake is van eendaadse samenloop.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst en aard van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en wapenbezit. Verdachte is degene die het plan aan de medeverdachten heeft uitgelegd en instructies heeft gegeven. Toen het slachtoffer, een kwetsbare man op leeftijd, in een voertuig werd gelokt en de auto wegreed, toonde de medeverdachte een vuurwapen en heeft hij hem daarmee uiteindelijk op zijn voorhoofd en op zijn rug geslagen. De telefoon en tas met inhoud van het slachtoffer zijn weggenomen en het slachtoffer werd vervolgens uit de auto gezet. Het slachtoffer heeft verklaard ontzettend bang te zijn geweest. De gedragingen hebben een grote impact op hem gehad, zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaring. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Ook heeft hij geen respect getoond voor het eigendom van anderen en heeft hij zijn eigen financieel gewin vooropgezet. Verdachte heeft verklaard dat hij handelde uit geldnood en dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij zou moeten zorgen voor zijn jongere broer en zus en had het geld dat hij van zijn vader had gekregen aan andere zaken uitgegeven. Dat bij de doorzoeking van zijn slaapkamer een contant geldbedrag is aangetroffen van 750 euro, waarover verdachte heeft verklaard dat het zijn spaargeld betreft, maakt deze verklaring over zijn handelen naar het oordeel van de rechtbank evenwel onaannemelijk. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat het door het uitblijven van een verklaring, voor het slachtoffer nog altijd niet duidelijk is waarom juist hij die dag moest worden ontvoerd.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 december 2024, waaruit blijkt dat hij in het verleden eerder is veroordeeld voor wapenbezit en meermalen is veroordeeld voor diefstal met geweld. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsrapporten, waaronder de meest recente van 6 januari 2025, opgemaakt door J. Mihajlovic en 3 januari 2025, opgemaakt door S. Eggink. De reclassering maakt zich zorgen over het sociale netwerk van verdachte, aangezien dit vermoedelijk bestaat uit pro criminele personen. Verdachte heeft het over een nieuwe start en wil afstand doen van zijn sociale netwerk. Wegens veel afwezigheid heeft verdachte zijn opleiding niet afgemaakt, maar hij is nu voornemens dezelfde opleiding opnieuw te doen in Zaandam. Voorts geeft de reclassering aan dat verdachte sinds 2021 onder toezicht staat bij de Jeugdreclassering. Dit toezicht verliep sinds november 2023 moeizaam, omdat hij geen volledige openheid gaf, waardoor geen vooruitgang werd geboekt. In goed overleg is zijn behandeling bij De Waag beëindigd, omdat het vanwege zijn houding geen meerwaarde leek te hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij achteraf meer uit die behandeling had kunnen halen en zich bij een vervolgbehandeling meer open zal stellen. Verdachte stelt zich over het algemeen meewerkend op richting hulpverlening.
De reclassering acht toezicht met bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling gericht op het voorkomen van delictgedrag noodzakelijk om verdachte te ondersteunen bij het stabiliseren van zijn leven en te werken aan een delictvrij bestaan. Bij een veroordeling adviseren zij daarom een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht bij de reclassering; 2) ambulante behandeling; 3) contactverbod; 4) locatiegebod met elektronische monitoring; 5) dagbesteding, en 6) geen andere huisvesting zonder toestemming.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het Multidisciplinair Pro Justitia Rapport van 4 december 2024, opgemaakt door S.A Moonen, psycholoog, en M.M. Sprock, psychiater. Zij rapporteren dat verdachte enkel antisociaal gedrag vertoont ten aanzien van het op ‘gemakkelijke wijze geld verdienen’, maar dat er geen regelovertredend of onverantwoordelijk gedrag naar voren komt op andere gebieden. De ouders van verdachte beschikken over voldoende pedagogische vaardigheden en hebben hem een goed normbesef bijgebracht. Rapporteurs concluderen dat er geen sprake is van een stoornis. Wel zien zij een zorgelijke ontwikkeling in de antisociale keuzes die hij maakt.
Adolescentenstrafrecht
Ten aanzien van het al dan niet toepassen van het jeugdstrafrecht rapporteren zowel de reclassering als de gedragsdeskundigen als volgt. Volgens hen maakt verdachte een leeftijdsconforme indruk, wordt hij in staat geacht de risico’s van zijn handelen in voldoende mate in te kunnen schatten en functioneert hij daarnaast zonder problemen in volwassendetentie. Daarnaast geven de deskundigen aan dat hoewel verdachte thuiswonend was, hij ook bezig was om zijn leven wat meer buiten het gezin vorm te geven. Gelet op het voorgaande concluderen de deskundigen dat verdachte een jongvolwassene is die eerder een praktische aanpak behoeft dan een pedagogische omgeving en bejegening. Zij zien daarom onvoldoende indicaties om te adviseren tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
Gelet op hetgeen de deskundigen overwegen, ziet de rechtbank, anders dan de raadsman heeft bepleit, onvoldoende aanleiding tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.
Straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een gevangenisstraf passend is. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gelet op straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De rechtbank houdt daarbij in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank acht het strafblad van verdachte zorgwekkend, hetgeen nog versterkt wordt door wat de reclassering heeft bericht over het sociale netwerk van verdachte en de zich daarin bevindende personen met een pro criminele houding, terwijl verdachte zich in november 2023 niet langer meer openstelde voor hulpverlening vanuit De Waag. Dat verdachte nu verklaart zich weer open te willen stellen voor hulpverlening is positief. De rechtbank ziet het voorwaardelijk strafdeel daarvoor als belangrijke stok achter de deur en zal daaraan de na te noemen bijzondere voorwaarden koppelen. Daarmee komt de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf dan geëist, enerzijds omdat de rechtbank rekening houdt met de aanwijzingen die het dossier bevat, dat het initiatief tot de ontvoering niet van verdachte kwam, en anderzijds houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat verdachte een jong volwassene is.
9. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerp in beslag genomen:
nr. 1 – 750 euro (PL1300-2024159054-6524102);
nr. 2 – 1 STK Munitie (PL1300-2024159054-6524097, Zilver, merk: kogelpatroon);
nr. 3 – 1 STK Wapen (PL1300-2024159054-6524095, Zwart, merk: Vuurwapen);
nr. 4 – 1 STK Munitie (PL1300-2024159054-6524521, Kogelpatroon), en
nr. 5 – 1 STK Vuurwerk (PL1300-2024159054-6524412, COBRA6).
Teruggave aan de rechthebbende
De rechtbank zal, zoals gevorderd door de officier van justitie, de teruggave gelasten van het geldbedrag – te weten nr. 1– aan de rechthebbende, namelijk verdachte.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de voorwerpen – te weten nrs. 2 tot en met 5 – onttrekken aan het verkeer. Dit zijn voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
10. De vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert 1.940,00 euro aan vergoeding van materiële schade en 3.000,00 euro aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Standpunt van de Officier van Justitie
De officier van justitie stelt dat het volledige bedrag hoofdelijk kan worden toegewezen ter vergoeding van de materiële en immateriële schade, met uitzondering van de vergoeding van toekomstige materiële schade. De benadeelde partij dient voor dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor het overige vordert de officier van justitie de vordering toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij in de gevorderde toekomstige medische kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade. Daarnaast heeft hij, nu de diagnose PTSS niet is vastgesteld, de rechtbank verzocht om de vergoeding van immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van 2.000,00 euro, gelet op jurisprudentie en de consultatieversie september 2024 van de Rotterdamse Schaal Ordening van smartengeldbedragen bij letsel.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Zo is zijn mobiele telefoon weggenomen. Nu namens de benadeelde partij ter terechtzitting is toegelicht dat de weggenomen telefoon een Samsung telefoon was en dergelijke telefoons zelfs tweedehands gemiddeld 400,00 euro kosten, hetgeen onvoldoende gemotiveerd is betwist, acht de rechtbank deze schadepost voldoende onderbouwd. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid zal zij het gevorderde bedrag van 400,00 euro aan materiële kosten toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (te weten 6 juli 2024).
Verder is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in de gevorderde kosten voor bloemen en toekomstige medische kosten niet-ontvankelijk is, nu onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten. Aanhouding van de procedure om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting op van het strafproces.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding oordeelt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij is op andere wijze in de persoon aangetast, zoals wordt bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Met de beschrijving van het journaal van de huisarts is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij kampt met ernstige slapeloosheid en angst. Voor zijn klachten gaat hij in behandeling bij een psycholoog. Op grond van artikel 6:106 BW, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Gelet op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de consultatieversie september 2024 van de Rotterdamse Schaal Ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen stelt de rechtbank de vergoeding van immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van 2.000,00 euro. De vordering zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van 2.000,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (te weten 6 juli 2024) en voor het overige worden afgewezen.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van 2.400,00 euro, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 34 dagen.
De betaling die door verdachte is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij het onder 1 en 2 bewezenverklaarde drie personen betrokken zijn geweest. Nu de verdachte en zijn twee medeverdachten ieder een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij en proceskosten dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de volgende artikelen:
14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, en
26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van onder 1 en 4:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
ten aanzien van onder 2 :
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij de reclassering:
Verdachte meldt zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102, 1824 DX in Alkmaar. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
2. Ambulante behandeling:
Verdachte laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
3. Contactverbod slachtoffer:
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de heer [slachtoffer] zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
4. Contactverbod mededaders
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de medeverdachten – te weten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] – zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
5. Locatiegebod (met elektronische monitoring):
Verdachte is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start van het locatiegebod hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat minimaal 2 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
6. Dagbesteding:
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
7. Geen andere huisvesting zonder toestemming:
Verdachte vestig zich niet op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
nr. 1 – 750 euro (PL1300-2024159054-6524102).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van:
nr. 2 – 1 STK Munitie (PL1300-2024159054-6524097, Zilver, merk: kogelpatroon);
nr. 3 – 1 STK Wapen (PL1300-2024159054-6524095, Zwart, merk: Vuurwapen);
nr. 4 – 1 STK Munitie (PL1300-2024159054-6524521, Kogelpatroon), en
nr. 5 – 1 STK Vuurwerk (PL1300-2024159054-6524412, COBRA6).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] , gedeeltelijk toe tot een bedrag van 2.400,00 (tweeduizend vierhonderd) euro, bestaande uit 400,00 (vierhonderd) euro aan materiële schade en 2.000,00 (tweeduizend) euro aan immateriële schade,
Wijst af het meergevorderde ten aanzien van de immateriële schade,
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen,
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd,
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] 2.400,00 (tweeduizend vierhonderd) euro, bestaande uit 400,00 (vierhonderd) euro aan materiële schade en 2.000,00 (tweeduizend) euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal worden 34 (vierendertig) dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.A. Segbedzi, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en A.K. Glerum rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2025.