ECLI:NL:RBDHA:2017:3623

ECLI:NL:RBDHA:2017:3623, Rechtbank Den Haag, 06-04-2017, C/09/524537 / FT RK 16/2752 (dwangakkoord) en

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-04-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C/09/524537 / FT RK 16/2752 (dwangakkoord) en
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001860

Samenvatting

Dwangakkoord / art. 48 WCK. Buitengerechtelijke schuldregeling uitgevoerd door [X], vestigingsmanager bij Oxyz. Behoort niet tot kring vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK. Tol is niet door gemeente gemandateerd en valt niet onder groep van personen vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder c WCK. Ook geen sprake van aanwijzing bij amvb als vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder d WCK. Is aan regering en niet aan rechtbank deze kring uit te breiden. Verweer dat in bestuur van Oxyz zitting heeft [Z] en dat hij registeraccountant is als bedoeld in artikel 288 lid 2 aanhef en onder b Fw j° artikel 48 lid 1 aanhef en onder c WCK, slaagt niet. [Z] heeft niet zélf minnelijk traject uitgevoerd. Ook verklaring dat Oxyz volgens gedragscode NVVK heeft gewerkt maakt dit niet anders. Vereiste ex artikel 285 Fw j° 288 lid 2 sub b Fw is dwingendrechtelijk voorgeschreven

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummers: C/09/524537 / FT RK 16/2752 (dwangakkoord) en

C/09/524538 / FT RK 16/2753 (WSNP)

vonnis van 6 april 2017

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats]

tegen

1. Geldvoorelkaar.nl (gevestigd te Rhenen (vertegenwoordigd door Flanderijn Van Eck),

2. DBV Finance (vertegenwoordigd door Stater), en

3. ING (vertegenwoordigd door Vesting Finance Fiditon),

verweersters.

Verzoeker zal hierna worden aangeduid als [verzoeker] en verweersters zullen worden aangeduid als ‘geldvoorelkaar.nl’, ‘DBV Finance’ en ‘ING’.

1. De procedure

Op 30 december 2016 heeft [verzoeker] tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) (“dwangakkoord”).

Ter terechtzitting van 23 maart 2017 is [verzoeker] hierover gehoord. Tevens zijn verschenen en gehoord[X l (schuldhulpverlener Oxyz),[Z]n (registeraccountant Oxyz) en mr. R.P. van der Vliet (advocaat van [verzoeker]).

Vesting Finance heeft bij brief van 9 januari 2017 namens ING bericht alsnog in te stemmen met het minnelijke voorstel.

DBV Finance en geldvoorelkaar.nl zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Uit de crediteurenlijst bij de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw blijkt dat [verzoeker] drie preferente schuldeisers heeft, en elf concurrente schuldeisers. De vordering van ING (nr. 11) is niet vermeld en de lijst bevat geen totaalbedrag. Het achtergevoegde schuldenoverzicht bevat een handgeschreven totaalbedrag. Uit de schriftelijke toelichting blijkt dat na aanbieding nog gebleken is van twee schulden. Gekozen is het beschikbare bedrag met hulp van familie te verhogen in plaats van het akkoord open te breken. “De achterste lijst is juist, voor een totaal van € 94.980,11 inclusief ons honorarium van € 2.790,--.”, aldus [X] in zijn e-mail van 15 maart 2017.

Door het bericht vermeld onder 1.3 dat ING alsnog akkoord is gegaan met de aangeboden schuldregeling, is deze schuldeiser geen partij meer in deze procedure.

De vordering van geldvoorelkaar.nl op [verzoeker] bedraagt € 30.932,09, zijnde 32,57% van de totale schuldenlast. De vordering van DBV Finance bedraagt € 4.772,28, zijnde 5,02% van de totale schuldenlast.

Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoeker]

een maandelijks inkomen uit eigen onderneming heeft. Het vrij te laten bedrag vermeldt

bij ‘overige netto-inkomens’ een bedrag van € 2.118,--. Blijkens de toelichting bestaat

dit uit inkomsten uit verhuur van de eigen woning van € 1.200,--. Daarnaast heeft hij

door zijn fulltime werk inkomsten uit de onderneming van € 918,-- per maand.

In de vtlb-berekening is voorts een extra correctie opgevoerd van € 398,86 voor

vakantiegeld en bijdrage woonkosten (vanwege het inwonen bij zijn moeder). Er is een

vrij te laten bedrag berekend van € 1.639,89, zodat onder de huidige omstandigheden

maandelijks een bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar is van € 478,11.

Namens [verzoeker] is bij brief van 30 augustus 2016 een schuldregeling

aangeboden. Die regeling houdt in dat aan de concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 29,03% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen, en aan de preferente schuldeisers het dubbele percentage.

Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting is gebleken dat [verzoeker] een BBZ-krediet van de gemeente Den Haag heeft gekregen van € 36.000,-onder voorwaarde van het slagen van de schuldsanering en het vormbehoud. Hiervan is € 31.000,-- ter beschikking gesteld van de crediteuren.

Met uitzondering van geldvoorelkaar.nl en DBV Finance hebben alle schuldeisers het

aanbod van [verzoeker] aanvaard.

Bij de stukken bevindt zich de verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f, Fw. Hierin staat

onder andere vermeld:

“Hierbij verklaart [X], Vestigingsmanager, werkzaam voor Oxyz, te Huizen, dat er

geen reële mogelijkheden zijn dat de verzoeker […] tot een buitengerechtelijke

schuldregeling komt met zijn crediteuren.”

3. Standpunt van de partijen

Verzoeker] stelt dat geldvoorelkaar.nl en DBV Finance in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden. Zonder schuldenregeling zal de gemeente het BBZ-krediet niet beschikbaar stellen, waardoor zijn – nu levensvatbare – onderneming ten dode is opgeschreven. Ondanks zijn HBO-opleiding en zijn werkervaring binnen de eigen onderneming schat [verzoeker] zijn kansen op de arbeidsmarkt voor werk in loondienst uiterst gering in. Als hij moet stoppen met zijn bedrijf zal hij ook zijn eigen woning moeten verkopen en genoegen moeten nemen met lager betaalde ‘passende’ arbeid. Voor het ontstaan van zijn schulden kan hem geen ernstig verwijt worden gemaakt, zo blijkt ook uit de IMK-rapportage die bij het verzoekschrift is gevoegd. Investeren betekent risico’s nemen, en daarmee bestaat de kans voor investeerders dat een te goeder trouw opererende ondernemer niettemin in de problemen komt, aldus [verzoeker].

Geldvoorelkaar.nl heeft blijkens het verweerschrift van 16 maart 2017 aan haar

weigering kort samengevat ten grondslag gelegd dat het voorstel niet goed is

gedocumenteerd, dat zij het aanbod te laag vindt, dat zij met haar aandeel van 37% in de

totale schuldenlast een veel groter belang heeft dan de andere schuldeisers, dat [verzoeker] zijn schuld niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden, dat niet duidelijk is of de schulden te goeder trouw zijn ontstaan en dat zij, bij gebrek aan onderbouwing, er niet van overtuigd is dat het aanbod het maximaal haalbare is.

DBV Finance heeft blijkens de e-mail van Stater van 17 oktober 2016 aan haar

weigering kort samengevat ten grondslag gelegd dat er onduidelijkheid is over de

hypotheek(rente)schuld, de restschuld en de eventuele verkoop van de eigen woning.

4. De beoordeling

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of geldvoorelkaar.nl en DBV Finance in

redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Zij wijst het verzoek toe indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat deze schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van [verzoeker] dat door de weigering wordt geschaad.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat

100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden

regeling voorziet in een lagere uitkering dan volledige voldoening van de vordering, staat in beginsel het belang van de schuldeisers vast.

Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw. zullen – onder meer – de

volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G

Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.):

- is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst

(bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);

- is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd.

Ter beantwoording van de vraag of het akkoord dat [verzoeker] in het

buitengerechtelijke schuldregelingstraject aan zijn schuldeisers heeft aangeboden door

een onafhankelijke en deskundige partij is getoetst, overweegt de rechtbank als volgt.

Het 287a-verzoek vormt een onderdeel van een WSNP-verzoek. Het WSNP-verzoek

moet volledig zijn. Dit brengt met zich dat bij het WSNP-verzoek een verklaring moet

zijn gevoegd inhoudende dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een

buitengerechtelijke schuldregeling te komen (art. 285 lid 1, aanhef en sub f Fw). Die

verklaring moet zijn afgegeven door een in artikel 48 lid 1 van de Wet op het

consumentenkrediet (WCK) aangewezen persoon of instantie. Artikel 288 lid 2, aanhef

en onder b Fw bepaalt dat een WSNP-verzoek moet worden afgewezen indien de

poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon

of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 WCK. De wetgever heeft met deze

verwijzing naar artikel 48 lid 1 WCK het oog gehad op personen en instellingen

genoemd in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c en d WCK en dus niet op de onder a in artikel 48 lid 1 WCK bedoelde bemiddelaars die hun diensten om niet verrichten.

Dit alles maakt dat ter beantwoording van de hiervoor (onder 4.4) vermelde vraag moet

worden bezien of het minnelijk schuldsaneringstraject moet zijn uitgevoerd door een

persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK.

Deze laatste vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Voor de toewijsbaarheid van

een 287a-verzoek is de toewijsbaarheid van het WSNP-verzoek weliswaar geen

voorwaarde, maar dit laat onverlet dat een 287a-verzoek vergezeld dient te gaan van

een volledig WSNP-verzoek ter bevordering van een efficiënte rechtsgang en om te

bewerkstelligen dat de rechter ten behoeve van de oordeelsvorming over een compleet

dossier beschikt.

Een volledig WSNP-verzoek houdt in, een verzoek dat (onder meer) is voorzien van

een verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke

schuldregeling te komen. Een dergelijke verklaring kan pas worden gegeven na

uitvoering van een buitengerechtelijk schuldregelingstraject dat is uitgevoerd door een

in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK bedoelde persoon of instelling. Het is

niet aan de rechtbank om deze kring van personen uit te breiden. Een dergelijke

uitbreiding is blijkens het bepaalde in 48 lid 1, aanhef en onder d WCK aan de regering

voorbehouden en van de rechter kan niet worden gevergd dat deze in elk concreet

geval waarin het buitengerechtelijke schuldregelingstraject is uitgevoerd door een

persoon of instelling die niet onder artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK valt,

uitzoekt of die uitvoering van voldoende kwaliteit is geweest.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor een onafhankelijke en deskundige

toetsing van een buitengerechtelijk akkoord onder meer nodig is dat de

buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door een persoon of instelling

genoemd in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK. In het onderhavige

verzoek is hiervan niet gebleken. De buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door [X], vestigingsmanager bij Oxyz. Deze persoon respectievelijk instelling behoren niet tot de kring vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder b, c of d WCK. [X] is immers – zo heeft (de advocaat van) [verzoeker] bevestigd – niet door de gemeente gemandateerd. Tol valt ook niet onder de groep van personen vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder c WCK. Tot slot is gesteld noch gebleken dat sprake is van een aanwijzing bij amvb als vermeld in artikel 48 lid 1, aanhef en onder d WCK.

Aangevoerd is dat in het bestuur van Oxyz onder anderen zitting heeft [Z]

A en dat hij registeraccountant is als bedoeld in artikel 288 lid 2 aanhef en onder b

Fw j° artikel 48 lid 1 aanhef en onder c WCK. Echter,[Z]n heeft niet zélf het

minnelijk traject uitgevoerd. Hij heeft zelf de stukken, zoals de 285-verklaring, niet

ondertekend. Dat hij niet alleen bestuurstaken uitvoert, maar onder andere ook

verantwoordelijk is voor procedures binnen Oxyz, zelf regelmatig controles uitvoert en

(eind)verantwoordelijk is voor de derdenrekening die bij Oxyz in gebruik is, doet daar

niet aan af. Anders dan[X]l kan hij niet op elk door hem nodig geacht moment

instrueren, interveniëren of (bij)sturen. Ook is zijn bemoeienis of ingrijpen

(wellicht) niet op elk moment tijdens het traject mogelijk. Of zijn betrokkenheid

desalniettemin van voldoende kwaliteit is en voldoende waarborgen biedt voor de

uitvoering van het minnelijk traject, is niet ter beoordeling aan de rechtbank. Het

betoog stuit af op het vorenstaande onder 4.7.

Ook de verklaring dat Oxyz volgens de gedragscode van het NVVK heeft gewerkt

maakt een en ander niet anders. Het vereiste ex artikel 285 Fw j° 288 lid 2 sub b Fw is

dwingendrechtelijk voorgeschreven.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot het oordeel dat er niet van kan

worden uitgegaan dat het akkoord door een onafhankelijke en deskundige partij is

getoetst. Dit maakt dat het 287a-verzoek zal worden afgewezen.

De rechtbank komt hierdoor niet toe aan de beoordeling van de standpunten van

partijen vermeld onder 3.1 en 3.2.

Ter terechtzitting heeft [verzoeker] verklaard niet in de WSNP te willen en zijn WSNP-

verzoek niet te willen handhaven. De rechtbank beschouwt zijn WSNP-verzoek daarom als ingetrokken.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven.

Gewezen door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2017 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.I. Batelaan-Boomsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?