ECLI:NL:RBDHA:2020:2545

ECLI:NL:RBDHA:2020:2545, Rechtbank Den Haag, 20-03-2020, NL20.5874

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-03-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL20.5874
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2020:2546

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5874

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. de Jong),

en

(gemachtigde: mr. J.P. Guérain).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting zou tezamen met de behandeling van de zaak NL20.5875 plaatsgevonden hebben op 10 maart 2020. Met toestemming van de partijen is in verband met de maatregelen die zijn genomen om verspreiding van het coronavirus te gaan, uitspraak gedaan zonder zitting.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

2. Niet in geschil is dat Italië in beginsel de verantwoordelijke lidstaat is. Eiser voert in beroep aan dat verweerder zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen, omdat het algemeen bekend is dat in Italië sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Eiser wijst in dit kader, naar de rechtbank begrijpt, op het rapport van Asylum Information Database (AIDA) van 16 april 2019, en het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 8 mei 2019. Volgens eiser kan niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraken van onder meer 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957) heeft geoordeeld, kan verweerder ten aanzien van Italië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat hij ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rapporten die eiser heeft aangehaald zijn reeds door de Afdeling beoordeeld.

3. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. In dit kader brengt hij naar voren dat in Italië zijn asielverzoek is afgewezen, dat in Italië de kans bestaat dat hij op straat moet slapen en dat na overdracht de Italiaanse autoriteiten hem zullen overdragen aan Gambia waar hij vreest voor schendingen van artikel 3 van het EVRM. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat hij niet kan worden overgedragen aan Italië gezien de huidige gezondheidssituatie als gevolg van het coronavirus.

Verweerder heeft in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven achten die maken dat eisers overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft niet aangetoond dat Italië zijn vrees voor (indirecte) refoulement niet zorgvuldig zal beoordelen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het voorgaande niet anders is, nu Italië het terugnameverzoek niet expliciet heeft geaccepteerd. Het niet tijdig reageren op een terugnameverzoek als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening, staat gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek en de garantie dat eisers asielverzoek wordt behandeld. Italië is daarbij gehouden toepassing te geven aan de Terugkeerrichtlijn, de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Daarnaast ligt het op de weg van eiser om eventuele schendingen door Italië van zijn internationale verplichtingen kenbaar te maken bij de Italiaanse (hogere) autoriteiten en indien nodig, bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Ten aanzien van de overdracht in verband met het coronavirus heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op de tijdelijke stop van Dublinoverdrachten aan Italië. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit niet als bijzondere omstandigheid heeft hoeven aanmerken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zolang de overdrachtstermijn als genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening nog niet is verstreken en de omstandigheden dit toelaten, tot overdracht kan worden overgegaan.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. P.R. de Man, griffier.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?