RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van De Haag, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/4266
en
(gemachtigde: mr. A.M. Buijs).
Procesverloop
Bij brief van 3 augustus 2018 heeft eiser een verzoek om handhaving ingediend bij verweerder.
Bij besluit van 15 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiser afgewezen.
Bij besluit van 21 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via een Skypeverbinding plaatsgevonden op 19 augustus 2021. Eiser is telefonisch gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaar deze zaak over ?
1. Eiser wil dat handhavend wordt opgetreden, omdat op het parkeerterrein aan het [straat] in [plaats] parkeerbeugels zijn geplaatst met een nieuw verkeersbord, zonder een verkeersbesluit. Verweerder zegt dat handhaving niet kan omdat het parkeerterrein geen openbare weg is maar privéterrein.
Wat vinden partijen in beroep ?
2 Eiser vindt dat het (parkeer)terrein een openbare weg is en verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 april 2000 (199902940/1) waarin dit is bepaald. Het plaatsen van verkeersborden en -tekens op de openbare weg, zonder dat daarvoor een verkeersbesluit is genomen, is volgens eiser onrechtmatig.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De vraag ligt voor of sprake is van een overtreding op basis waarvan verweerder bevoegd is tot handhaving over te gaan. Daartoe is van belang dat het op grond van artikel 2:10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Den Haag verboden is zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Het is inmiddels vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter
dat bij de vaststelling van een overtreding op grond van artikel 2:10, eerste lid, van de APV van belang is of het gaat om een openbare weg in de zin van de Wegenwet. Het college is immers slechts tot handhavend optreden jegens rechthebbenden op de weg wegens door hen aangebrachte belemmeringen bevoegd indien daarmee het stelsel van de Wegenwet en de daarin vervatte waarborgen voor de rechthebbenden niet worden doorkruist.
Het parkeerterrein waar het hier over gaat is eigendom van Staedion. Staedion is daarmee rechthebbende op het terrein. Dit betekent dat als de verkeersborden op de eigen grond van Staedion zijn geplaatst en het terrein geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden tegen Staedion.
Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet wordt een weg geen openbare weg als tenminste een jaar kenbaar is gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Volgens artikel 4, derde lid, van de Wegenwet kan dit kenbaar maken geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.
Staedion heeft op het parkeerterrein sinds 2000 borden geplaatst met de aanduidingen ‘particulier terrein’, ‘wegsleepregeling van kracht’ en ‘verboden toegang’. Deze rechtbank heeft in 2019 bepaald dat het standpunt van verweerder dat de aanwezigheid van dergelijke borden voldoende aanwijzing is dat het terrein geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, correct is en dat het college daarom niet tot handhavend optreden bevoegd is. Dit standpunt is eind 2019 bevestigd door de Afdeling.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook in deze zaak terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen bevoegdheid tot handhaving is omdat het (parkeer)terrein aan het [straat] geen weg meer is in de zin van artikel 2:10, eerste lid, van de APV.
De uitspraak van de Afdeling van 27 april 2000 waar eiser zich op beroept, is achterhaald. Het betoog van eiser slaagt niet.
Voor zover eiser stelt dat desondanks een verkeersbesluit ten grondslag moet liggen aan het plaatsen van het bord, dan wel het plaatsen van parkeerbeugels, is de rechtbank van oordeel dat daartoe mede gezien het bepaalde in artikel 15, eerste en tweede lid, van de WvW 1994 geen verplichting bestaat. Dat op verzoek van Staedion door de gemeente verkeersbesluiten zijn genomen, zoals voor een gehandicaptenparkeerplaats, betekent nog niet dat het parkeerterrein daardoor het karakter van openbare weg heeft verkregen.
Conclusie
4 Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek om handhaving op goede gronden gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.
5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Dit is de uitspraak van mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2021.
griffier rechter
de rechter is verhinderd te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak ?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Afschrift verzonden aan partijen op: