RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.26537
[Naam 1] , eiseres, V-nummer: [Nummer 1], mede namens haar minderjarige kinderen [Naam 2], geboren [Geb. datum 1] 2018, en [Naam 3], geboren [Geb. datum 2] 2020
(gemachtigde: mr. drs. C.G. Matze),
en
(gemachtigde: mr. D. Vos en mr. E. van Hoof).
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit verzoek bij uitspraak van 10 maart 2020 toegewezen (zaaknummer NL19.26538).
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië.
Partijen hebben op verzoek van de rechtbank gereageerd op de beslissing van het EHRM.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2021 ter zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geb. datum 3] 1991 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat de autoriteiten van Italië verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening).
3. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat verweerder de behandeling van haar asielaanvraag aan zich moet trekken omdat de uiterste overdrachtstermijn zoals bedoeld in de Dublinverordening is verstreken. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats, van 10 maart 2020 is de voorlopige voorziening getroffen dat eiseres niet mag worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de uiterste overdrachtstermijn is geschorst zoals bedoeld in artikel 27 van de Dublinverordening. Anders dan eiseres stelt, geldt daarbij geen maximumduur van achttien maanden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 1 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1929) geoordeeld dat het in gevallen als dezen niet onredelijk is dat de overdrachtstermijn wordt geschorst voor een periode die uiteindelijk langer kan blijken te zijn dan de in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde maximale termijn van 18 maanden die geldt voor de situatie dat de betrokkene onderduikt.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij een bijzonder kwetsbare asielzoeker is als bedoeld in het arrest van het EHRM van 4 november 2014 inzake Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:EU:ECHR:2014:1104JUD002921712). Daarbij wijst zij erop dat zij inmiddels moeder is van twee minderjarige kinderen. Daarnaast voert eiseres aan dat er gebreken zijn in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië. Ter onderbouwing daarvan wijst eiseres op het rapport ‘Country Report: Italy. 2019 Update’ van AIDA van 27 mei 2020 en op e-mails aan VluchtelingenWerk Nederland van [Naam 4], werkzaam bij het [Naam forum].
6. Op 15 april 2021 heeft het EHRM de beslissing in de zaak M.T. tegen Nederland (ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519) bekendgemaakt. Uit deze beslissing volgt dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ook waar het gaat om bijzonder kwetsbare asielzoekers. De door eiseres aangehaalde bronnen zijn hierdoor achterhaald.
7. Voorts voert eiseres aan dat Nederland de asielaanvraag aan zich moet trekken gelet op de uitgangspunten van de Dublinverordening en het feit dat de procedure al lange tijd duurt. Hierbij verwijst eiseres naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 november 2018 in de zaak X. en X. tegen Nederland (ECLI:EU:C:2018:900).
8. Hoewel de Dublinverordening ervan uitgaat dat er snel duidelijkheid moet worden geboden over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor een asielaanvraag, biedt deze verordening ook uitdrukkelijk de mogelijkheid om de termijn waarbinnen een vreemdeling moet worden overgedragen op te schorten door middel van een in het nationaal recht geregeld rechtsmiddel (artikel 27). In het onderhavige geval is de uiterste overdrachtstermijn opgeschort door de eerdergenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2020. Voordat de rechtbank partijen heeft verzocht om te reageren op de bovengenoemde beslissing van het EHRM, heeft eiseres de rechtbank niet verzocht om de zaak te behandelen. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat er vanwege tijdsverloop geen overdracht meer kan plaatsvinden. Uit het door eiseres aangehaalde arrest kan niet het tegendeel worden afgeleid.
9. Verweerder heeft tot slot evenmin aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening vanwege het feit dat eiseres in april 2021 in Nederland slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van eiseres om als benadeelde partij de strafrechtelijke procedure in Nederland bij te wonen, is dit onvoldoende reden om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. Dit geldt temeer nu geenszins duidelijk is op welke termijn de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal plaatsvinden.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.