202106483/1/V1.
Datum uitspraak: 1 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 oktober 2021 in zaak nr. NL19.26537 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 15 april 2022 heeft de staatssecretaris het besluit van 1 november 2019 ingetrokken en de vreemdeling opgenomen in de nationale asielprocedure.
Bij brief van 11 mei 2022 heeft de vreemdeling de Afdeling meegedeeld dat zij het door haar ingestelde hoger beroep handhaaft als de Afdeling de staatssecretaris niet veroordeelt in de bij haar opgekomen proceskosten.
Overwegingen
Belang bij een uitspraak op het rechtsmiddel
1. De vreemdeling heeft geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het ingetrokken besluit van 1 november 2019. Daarom verklaart de Afdeling dit hoger beroep niet-ontvankelijk.
2. Daarnaast heeft de staatssecretaris de vreemdeling met het besluit van 15 april 2022 alsnog in de nationale asielprocedure opgenomen, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, is verstreken. Omdat de vreemdeling daarmee haar doel heeft bereikt, heeft zij ook geen belang bij een beroep tegen dat besluit. Daardoor is tegen dat besluit geen beroep van rechtswege ontstaan als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Proceskosten
3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:599) moet zij vervolgens bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het belang, een reden bestaat over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een reden kan zijn dat het bestuursorgaan aan de vreemdeling is tegemoetgekomen. Met overeenkomstige toepassing van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb is dan een proceskostenveroordeling mogelijk.
3.1. Die situatie doet zich hier niet voor. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is in deze zaak geen tegemoetkoming, maar alleen een gevolg van tijdsverloop. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 3 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:658.
4. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Keeman-Folador, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Keeman-Folador
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2022
862