ECLI:NL:RBDHA:2022:10768

ECLI:NL:RBDHA:2022:10768, Rechtbank Den Haag, 19-04-2022, NL22.5611

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-04-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL22.5611
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:1322
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring, eerste beroep, verweerder heeft niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting, negen dagen voordat een eerste vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, belangenafweging, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5611

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 8 april 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1992] .

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Bewaringsgronden

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op

vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist.

Inspanningsverplichting

5. Eiser voert aan dat verweerder de tijd die eiser voorafgaand aan zijn vreemdelingrechtelijke inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht niet heeft gebruikt om te werken aan de overdracht van eiser. De overdracht van eiser had eerder plaats kunnen vinden als verweerder wel al tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser voorbereidingshandelingen had verricht. Door dit niet te doen, heeft verweerder zijn inspanningsverplichting geschonden.

6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft direct voorafgaand aan de maatregel van bewaring in strafrechtelijke detentie gezeten. De strafrechtelijke detentie van eiser begon op 27 maart 2022. Verweerder had tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser een inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na afloop van die detentie in bewaring moest worden gesteld.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het voor verweerder mogelijk geweest om in de periode van 27 maart 2022 tot en met 31 maart 2022 (in ieder geval) een vertrekgesprek met eiser te voeren. Nu heeft het namelijk negen dagen geduurd voordat dit gesprek heeft plaatsgevonden en dat is in de gegeven omstandigheden te lang. Door na te laten dit vertrekgesprek eerder te voeren, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting.

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 Artikel A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

7. Dit oordeel leidt er echter niet automatisch toe dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting moet er een belangenafweging plaatsvinden.4

8. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Eiser heeft de gronden van de maatregel, waaronder de zware gronden en 3a, 3b en 3d, niet betwist. Deze gronden rechtvaardigen al het vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden in combinatie met de relatief korte duur van de strafrechtelijke detentie, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Het geconstateerde gebrek in het voortraject geeft de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskosten vergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 april 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.G. Nicholson

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?