[eiser] , v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juni 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft op 27 juni 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2023 op zitting behandeld. De eiser en zijn gemachtigde zijn – zonder bericht van verhindering – niet verschenen. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris bereid is om, naar aanleiding van het ingediende beroep, schade te vergoeden voor de periode vanaf 24 juni 2023 tot 27 juni 2023 voor het verblijf in een huis van bewaring. Daarnaast is de staatssecretaris bereid de proceskosten te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op wat onder 3. is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van € 400,- (€ 100,- per dag wegens verblijf in een huis van bewaring).
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 400,-;
- veroordeelt staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.