ECLI:NL:RVS:2012:BY4691

ECLI:NL:RVS:2012:BY4691, Raad van State, 26-11-2012, 201210124/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 26-11-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201210124/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002367 BWBR0005537 BWBR0007149 BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

De minister heeft de Rb. in kennis gesteld van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Deze kennisgeving wordt geacht een beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 september 2012 te zijn. Niet in geschil is dat de vreemdeling dit beroep heeft ingetrokken. Hierna heeft hij op 4 oktober 2012 beroep ingesteld. Door zich te baseren op art. 69, lid 1 van de Vw 2000 voor de beoordeling of het op 4 oktober 2012 door de vreemdeling ingestelde beroep ontvankelijk is, heeft de Rb. miskend dat dit artikellid niet van toepassing is. Nu sprake is van een vrijheidsbenemende maatregel is in dit geval het derde lid van dit artikel van toepassing. Hierin is neergelegd dat het instellen van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel niet aan enige termijn is gebonden. De Rb. heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het beroep eerst na afloop van de beroepstermijn is ingediend en heeft ten onrechte het op 4 oktober 2012 door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

201210124/1/V3.

Datum uitspraak: 26 november 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 22 oktober 2012 in zaak nr. 12/31694 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2. Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is, voor zover thans van belang, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht het instellen van beroep, als bedoeld in de artikel 94 en 96, tegen een besluit, als bedoeld in artikel 93, niet aan enige termijn gebonden.

2.1. De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Deze kennisgeving wordt geacht een beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 september 2012 te zijn. Niet in geschil is dat de vreemdeling dit beroep heeft ingetrokken. Hierna heeft hij op 4 oktober 2012 beroep ingesteld.

Door zich te baseren op artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 voor de beoordeling of het op 4 oktober 2012 door de vreemdeling ingestelde beroep ontvankelijk is, heeft de rechtbank miskend dat dit artikellid niet van toepassing is. Nu sprake is van een vrijheidsbenemende maatregel is in dit geval het derde lid van dit artikel van toepassing. Hierin is neergelegd dat het instellen van beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel niet aan enige termijn is gebonden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het beroep eerst na afloop van de beroepstermijn is ingediend en heeft ten onrechte het op 4 oktober 2012 door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 22 oktober 2012 in zaak nr. 12/31694;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2012

395.

Verzonden: 26 november 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?