RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20520
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
(gemachtigde: S. Soerdjpal).
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 juni 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 20 juli 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op 16 juli 1988 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 juli 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 28 juni 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
5. Eiser voert, zo begrijpt de rechtbank, aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om tot een uitzetting te komen.
6. In het voortgangsrapport staat vermeld dat verweerder al op 2 september 2022 een LP-aanvraag heeft verstuurd aan de Nigeriaanse autoriteiten. Daarna is vijftien keer schriftelijk gerappelleerd, laatstelijk nog op 29 juni 2023. Verder staat in dit voortgangsrapport dat verweerder laatstelijk nog op 4 juli 2023 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. De rechtbank is van oordeel dat uit deze informatie van verweerder niet blijkt dat hij onvoldoende voortvarend handelt. De lange duur van de LP-aanvraag komt met name doordat eiser niet wil meewerken aan een presentatie aan de Nigeriaanse vertegenwoordiging, zodat dit volledig voor rekening van eiser komt.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.