RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20555
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 21 juli 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5359. Vervolgens is er al twee keer eerder een vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7294, en 7 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10151. Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag, dat is 6 juli 2023. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Er worden kennelijk vrijwel geen laissez-passers afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten. De doorlooptijd van een gemiddelde laissez-passeraanvraag bedraagt zes maanden, terwijl een maatregel van bewaring behoudens bijzondere omstandigheden niet langer dan zes maanden mag duren. Eiser zit al maanden vast en de Marokkaanse autoriteiten hebben in zijn zaak nog niets concreets ondernomen. Verweerder heeft bij de Marokkaanse autoriteiten aandacht gevraagd voor de lopende zaken, maar of dat iets heeft opgeleverd is niet inzichtelijk.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968, geoordeeld dat kan worden uitgegaan van een concreet zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanknopingspunten om daarvan niet langer uit te gaan. Uit de voortgangsgegevens volgt dat de algemeen directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek op 5 juli 2023 in een gesprek met de ambassadeur van Marokko aandacht heeft gevraagd voor de lopende zaken, waaronder die van eiser. Ook is er op 17 juli 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder de vinger aan de pols houdt. De enkele omstandigheid dat er tot op heden nog geen reactie is gekomen op de laissez-passeraanvraag, die op 3 april 2023 aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko is toegezonden, is op dit moment onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat een concreet zicht op uitzetting ontbreekt. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 17 juli 2023 opnieuw geen bereidheid heeft getoond om zelf zijn uitzetting te bespoedigen.
6. Verder ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.