RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.21898
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 december 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw ) 2000 opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen in het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig een telefonische tolk. Zij namen deel aan de zitting door middel van telehoren. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 juli 2023 (in de zaak NL23.18765), waarin het beroep gericht tegen het verlengingsbesluit ongegrond is verklaard, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 7 juli 2023 het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
4. Namens eiser het volgende aangevoerd. De nationaliteit van eiser is al in april 2023 bevestigd. Thans zijn ruim drie maanden verstreken en is er nog steeds geen laissez passer (lp) verstrekt en is eveneens onduidelijk wanneer dat wel het geval zal zijn. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er onvoldoende zicht is op uitzetting van eiser binnen afzienbare termijn. Het voortduren van de detentie valt eiser zeer zwaar en het punt is aangebroken dat zijn belangen zwaarden dienen te wegen dan het belang van verweerder bij de voortduring van de vreemdelingenbewaring.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vreemdelingenbewaring van eiser, die aansluitend op een strafrechtelijke detentie van vier maanden is opgelegd, op één dag na acht maanden duurt. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder sinds 7 juli 2023 eenmaal op 11 juli 2023 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op 21 juli 2023 alleen schriftelijk heeft gerappelleerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verrichte handelingen onvoldoende om tot de uitzetting van eiser te komen. Hiervoor acht de rechtbank het volgende van belang. Op 5 juli 2023 heeft een algemeen gesprek plaatsgevonden met de ambassadeur van Marokko over lopende zaken. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat het gesprek heeft geresulteerd in een toezegging door de Marokkaanse autoriteiten, namelijk dat zodra de Marokkaanse nationaliteit van een persoon is vastgesteld dat dan niet in alle gevallen een presentatie is vereist. Tussen partijen is niet in geschil dat de Marokkaanse nationaliteit van eiser is vastgesteld en dat, gelet op de hiervoor genoemde toezegging, een lp dus mogelijk zonder presentatie kan worden afgegeven. Ter zitting is gebleken dat verweerder niet heeft onderzocht of er in het geval van eiser een presentatievereiste geldt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de lange duur van de bewaring van eiser, wel in de rede had gelegen. Voor zover een presentatie in eisers geval wel noodzakelijk zou zijn, merkt de rechtbank op dat verweerder tijdens de behandeling van de vorige procedure heeft aangegeven dat wordt getracht om de Marokkaanse consul naar het detentiecentrum te laten komen om eiser aldaar te presenteren. In onderhavige procedure is ter zitting echter gebleken dat verweerder sinds 7 juli 2023 hieromtrent nog geen enkele actie heeft ondernomen. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder sinds 7 juli 2023 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat daarom de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen.
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank acht de maatregel van bewaring met ingang van 7 juli 2023 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor de 38 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 38 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum) = € 3.800,--.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.