RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8485
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Benayad),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 januari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Het onderzoek in het eerdere beroep tegen de voortduring van de maatregel is gesloten op 9 februari 2023. Nu staat ter beoordeling of sinds deze datum het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan eisers uitzetting. Eiser zit al bijna drie maanden in bewaring en is nog steeds niet uitgezet, terwijl hij aan zijn uitzetting meewerkt en wenst terug te keren naar Marokko. De gezondheid van eiser gaat achteruit en dit maakt dat de situatie niet langer draagbaar is voor eiser. Bij afweging van de belangen dient het belang van eiser te worden geprevaleerd.
5. Uit het voortgangsrapport blijkt dat sinds de sluiting van het vorige onderzoek op 7 maart 2023 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd, dat op 24 februari en 15 maart 2023 schriftelijk is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en dat op 20 maart 2023 bericht van de Consul-Generaal is ontvangen dat eisers nationaliteit en identiteit is bevestigd. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 7 maart 2023 blijkt voorts dat verweerder met eiser heeft besproken hoe hij zijn uitzetting kan bespoedigen en dat bekeken wordt wat de mogelijkheden zijn voor een financiële bijdrage. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Marokko.
6. In de uitspraak van 23 januari 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats al een oordeel gegeven over de doeltreffendheid van een lichter middel en de daarbij behorende belangenafweging. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn gezondheid zodanig achteruit is gegaan dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Tevens wijst de rechtbank erop dat in het detentiecentrum medische zorg en faciliteiten aanwezig zijn. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is en dat eisers belang bij invrijheidsstelling zwaarder weegt dan verweerders belang bij voortduring van de bewaring om eisers uitzetting te bewerkstelligen.
7. De rechtbank ziet ten slotte ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.