ECLI:NL:RBDHA:2023:5352

ECLI:NL:RBDHA:2023:5352, Rechtbank Den Haag, 12-04-2023, NL23.9781

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-04-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL23.9781
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:3007
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011825

Samenvatting

Bewaring – ambtshalve – eiser is in het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel niet met een registertolk in de moedertaal gehoord, maar “gewoon” in de Engelse taal omdat de verbalisant en eiser die “in voldoende mate beheersen”- het is niet aan de verbalisant om te beoordelen of het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel in de Engelse taal kan plaatsvinden en ook niet aan de verbalisant om te beoordelen of eiser die taal voldoende machtig is - het horen met behulp van een registertolk in “de eigen taal” is een essentiële waarborg is die moet worden nageleefd in een gehoor dat voorafgaat aan een mogelijke inbewaringstelling - niet is gebleken van feiten en omstandigheden die het niet bieden van deze waarborgen rechtvaardigen en bovendien ontbreekt elke motivering in de maatregel op dit punt - dit is een dusdanig groot gebrek dat de oplegging van de maatregel van bewaring reeds daarom van aanvang af onrechtmatig is - aan de bespreking van de gronden en andere aspecten van de maatregel komt de rechtbank niet toe – opheffing & invrijheidstelling - sv en pkv – beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

Zitting hebben:

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.9781

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 12 april 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Mr. S. van Lokven rechter

mr. K.M.R.L. Kamp griffier

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 12 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E.Y. Nizova. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 april 2023;

- gelast de invrijheidstelling van eiser met ingang van 12 april 2023;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.730,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Ter zitting heeft verweerder zware grond 3f en lichte grond 4a laten vallen.

4. Eiser heeft ter zitting zowel de zware als de lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd bestreden. Ook stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan.

5. De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de gronden en overweegt allereerst ambtshalve het volgende. In het proces-verbaal van gehoor bij bewaring (de M110) is vermeld dat eiser op 27 maart 2023, voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, is gehoord op het politiebureau in Amsterdam. Het gehoor heeft plaatsgevonden in de Engelse taal “welke door mij, verbalisant en de vreemdeling in voldoende mate beheerst wordt”. Dit proces-verbaal van gehoor is op 27 maart 2023 op ambtseed opgemaakt. In het proces-verbaal is het navolgende vermeld:

“V: Wilt u een Moldavische tolk?

A: Nee, ik versta en begrijp u goed in de Engelse taal. Als mij iets niet duidelijk is dan zal ik het vragen.”

6. Het recht van eiser om tijdens het gehoor te worden bijgestaan door een registertolk in de moedertaal is een essentiële waarborg voor een zorgvuldige procedure waarvan slechts in zeer beperkte omstandigheden en gemotiveerd kan worden afgeweken. Zeker nu het een gehoor betreft op grond waarvan wordt beslist of tot vrijheidsontneming zal worden overgegaan, moet dit gehoor zo zorgvuldig mogelijk plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser gehoord had moeten worden in zijn eigen taal met behulp van een registertolk. Een motivering van de beslissing waarom is gehoord in het Engels en of het in dit geval noodzakelijk was om het gehoor zonder registertolk te houden ontbreekt.

7. Verweerder heeft zich, nadat de rechtbank dit heeft voorgelegd aan partijen en heeft besproken, op het standpunt gesteld aan alle waarborgen te hebben voldaan. Aan eiser is aangeboden om hem te horen met een tolk in zijn moedertaal en als eiser daarvan geen gebruik wenst te maken is er geen sprake van een gebrek. De rechtbank volgt dit dus niet. Het is niet aan eiser om te verzoeken om een registertolk in de eigen taal en het is ook niet aan eiser om, indien hij naar zijn mening hieromtrent wordt gevraagd, aan te geven of een gehoor in de Engelse taal volstaat. Het is aan verweerder, indien hij eiser gaat horen over een mogelijke inbewaringstelling en dus ontneming van de vrijheid, zorg te dragen voor een registertolk in de taal die eiser als moedertaal spreekt. Slechts in de omstandigheid dat een registertolk niet binnen de termijn om eiser te horen beschikbaar is, kan hier onder omstandigheden van worden afgeweken. In dat geval dient – in de maatregel- te worden gemotiveerd dat sprake is van dergelijke omstandigheden, welke keuze vervolgens is gemaakt en waarom die keuze is gemaakt. Van dit alles blijkt niet. Het proces-verbaal is, zoals verweerder terecht heeft aangegeven, op ambtseed opgemaakt en er zijn geen indicaties dat de verbalisant de Engelse taal niet machtig is. Dit is echter niet relevant nu de verbalisant zich er -kennelijk- geen rekenschap van heeft gegeven dat uitgangspunt is dat hij dient zorg te dragen voor een registertolk en het niet aan hem is om te beoordelen of het gehoor voorafgaand aan oplegging van de maatregel in de Engelse taal kan plaatsvinden en ook niet aan hem is om te beoordelen of eiser die taal voldoende machtig is. Dat eiser zelf aangeeft akkoord te gaan met deze wijze van horen en ook de Engelse taal spreekt en verstaat acht de rechtbank, gelet op de concrete feiten en omstandigheden, niet relevant. De rechtbank overweegt hierbij dat een vreemdeling in die situatie meerdere motieven kan hebben om aan te geven geen bezwaar te hebben en het ook maar de vraag is of de vreemdeling daadwerkelijk in staat is om te overzien of hij deze taal in voldoende mate beheerst. Juist daarom dient het gehoor in deze situatie plaats te vinden met bijstand van een registertolk.

De rechtbank concludeert dat het horen met behulp van een registertolk in “de eigen taal” een essentiële waarborg is die moet worden nageleefd in een gehoor dat voorafgaat aan een mogelijke inbewaringstelling en overweegt dat niet gebleken is van feiten en omstandigheden die het niet bieden van deze waarborgen rechtvaardigen en bovendien elke motivering in de maatregel op dit punt ontbreekt. Dit is een dusdanig groot gebrek dat de oplegging van de maatregel van bewaring reeds daarom van aanvang af onrechtmatig is. Aan de bespreking van de gronden en andere aspecten van de maatregel komt de rechtbank niet toe.

Conclusie

8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 12 april 2023, zijnde de dag van de behandeling van het beroep ter zitting.

9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 17 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 16 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.730,-. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de standaardmatige toegekende bedragen en ziet geen aanleiding deze vergoeding te matigen.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

11. De rechtbank heeft melding gemaakt van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en de termijn die daarvoor geldt.

Deze uitspraak is aldus uitgesproken in het openbaar op 12 april 2023 door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 12 april 2023

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Griffier

  • mr. K.M.R.L. Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?