RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10920
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
Verweerder heeft eiseres bij brief van 30 maart 2022 medegedeeld dat hij voornemens is eiseres en haar minderjarige kinderen op 5 april 2022 om 11:50 uur per vliegtuig (vluchtnummer [vluchtnummer] ) over te dragen aan Malta.
Eiseres heeft op 4 april 2022 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting en verzocht de geplande overdracht niet door te laten gaan.
Op 4 april 2022 is de geplande overdracht. In het besluit van 13 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting kennelijk niet- ontvankelijk verklaard, omdat de vlucht is geannuleerd. Er bestaat volgens verweerder geen aanleiding tot vergoeding van de gemaakte bezwaarkosten omdat het besluit van 30 maart 2022 niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen. De gemachtigde van eiseres heeft zich vlak voor de zitting afgemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986.
Griffierecht
2. Eiseres heeft gesteld dat zij niet genoeg geld heeft om het griffierecht te betalen en daarom heeft zij gevraagd om een vrijstelling daarvan. De rechtbank beslist dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet voldoende inkomen of vermogen heeft om het griffierecht te betalen. Daarom hoeft eiseres geen griffierecht te betalen.
Procesbelang
3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat geen sprake is van procesbelang, omdat de feitelijke uitzetting niet heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft verweerder aangevuld dat eiseres wel belang heeft bij de beantwoording van de vraag of aan eiseres in bezwaar een vergoeding van haar proceskosten had moeten worden toegekend.
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat het procesbelang van eiseres is gelegen in het verzoek om toekenning van proceskosten voor het bezwaar.1
Proceskosten in bezwaar
5. In geschil is waarom op 4 april 2022 de overdracht van eiseres en haar minderjarige kinderen aan Malta op 5 april is geannuleerd. Als het besluit van 30 maart 2022 is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, dan heeft eiseres recht op toekenning van de proceskosten in bezwaar op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
6. Eiseres voert aan dat de overdracht aan Malta is geannuleerd wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid en daarom had verweerder de proceskosten in bezwaar moeten toekennen. Volgens eiseres is de overdracht geannuleerd omdat toegang tot Malta voor één van haar minderjarige kinderen niet was gegarandeerd wegens het ontbreken van benodigde stukken. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de uitspraak over de inbewaringstelling van eiseres van 4 april 2022 van zittingsplaats Den Bosch2 en de bijbehorende zittingsaantekeningen.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overdracht is geannuleerd omdat eiseres een coronatest weigerde. Ter onderbouwing wijst verweerder op dezelfde uitspraak van zittingsplaats Den Bosch en de verslaglegging van (vertrek)gesprekken tussen eiseres en een medewerker van de Dienst Terugkeer en Vertrek op 18 februari 2022, 16 maart 2022,
28 maart 2022 en 29 maart 2022. Uit deze stukken volgt dat eiseres meermaals heeft geweigerd mee te werken aan een coronatest, de laatste keer op 4 april 2022.3
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit van 30 maart 2022 niet heeft herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank is namelijk met verweerder van oordeel uit de vertrekgesprekken en het standpunt dat eiseres in de procedure betreffende de bewaring blijkt dat zij weigerde een coronatest te doen, omdat zij niet terug wil keren naar Malta. Uit de brief van 4 april 2022 van verweerder aan de autoriteiten van Malta waarbij de vlucht werd geannuleerd, blijkt ook dat
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 augustus 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2025, r.o. 3.1.
2 ECLI:NL:RBDHA:2022:3130.
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:3130, r.o. 4.
dit de reden was om de vlucht te annuleren. Daarin staat immers dat de vlucht is geannuleerd omdat de betrokkenen weigeren een coronatest te ondergaan. Hiermee heeft verweerder voldoende onderbouwd dat hij de overdracht van eiseres en haar minderjarige kinderen aan Malta op 5 april 2022 heeft geannuleerd omdat eiseres weigerde mee te werken aan een coronatest. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht is geannuleerd wegens het ontbreken van benodigde stukken waardoor toegang tot Malta niet zou zijn gegarandeerd. Haar verwijzing naar de uitspraak van 4 april 2022 van zittingsplaats Den Bosch is onvoldoende, omdat daarin is beoordeeld of de inbewaringstelling moest worden opgeheven. Er is dus sprake van een andere toets. Verweerder was dus niet gehouden om de gemaakte bezwaarkosten te vergoeden.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2023
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.