202303014/1/V3.
Datum uitspraak: 11 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 april 2023 in zaak nr. NL22.10920 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Op 4 april 2022 heeft de vreemdeling bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving van 30 maart 2022 van haar voorgenomen feitelijke overdracht aan [persoon] op 5 april 2022.
Bij besluit van 13 mei 2022 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.
Bij uitspraak van 18 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor zover de grieven gaan over een kostenvergoeding in bezwaar omdat de voorgenomen feitelijke overdracht niet is doorgegaan, heeft de rechtbank namelijk terecht geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 30 maart 2022 niet heeft herroepen vanwege aan hem te wijten onrechtmatigheid. De vreemdeling heeft verschillende keren en consequent geweigerd mee te werken aan een voor overdracht aan [persoon] noodzakelijke coronatest. Zij is ook gewaarschuwd voor de consequentie daarvan, namelijk dat de vlucht mogelijk zou worden geannuleerd. Los van de vraag welke gevolgen dit uiteindelijk heeft voor de overdrachtstermijn, die nu niet aan de orde is, is daardoor niet voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris niet gehouden was de door de vreemdeling in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.
2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2023
18-985