ECLI:NL:RBDHA:2024:10169

ECLI:NL:RBDHA:2024:10169, Rechtbank Den Haag, 02-07-2024, NL24.25398

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-07-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.25398
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring. Beroep ongegrond. Zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet. Staatssecretaris werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De stelling dat eiser de uitzet niet actief frustreert treft geen doel. Terecht geen lichter middel opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.25398

geboren op [geboortedatum],

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 27 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2024, met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, aldaar bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 juni 2024 (in de zaak NL24.21248) volgt, dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek, dat aan die uitspraak ten grondslag lag, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 31 mei 2024.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Standpunten eiser

3. Eiser stelt dat het voortduren van de maatregel van bewaring na 31 mei 2024 onrechtmatig is, omdat deze in strijd met de wet moet worden geacht. Eiser stelt voorts dat bij afweging van alle betrokken belangen het voortduren van de maatregel na 31 mei 2024 in redelijkheid niet is gerechtvaardigd.

Eiser betoogt dat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Hiertoe voert eiser aan dat er nog geen presentatie in persoon is gepland, terwijl een andere Algerijnse vreemdeling binnen één maand na aanvang van de maatregel wel is gepresenteerd. Eiser voert verder aan, dat hij geen documenten in zijn bezit heeft, maar dat hij zijn zus heeft verzocht eventuele documenten, die zij heeft naar hem toe te sturen. Eiser stelt voorts dat gedocumenteerde Algerijnen eerder en sneller worden uitgezet, maar dat dit voor ongedocumenteerde Algerijnen niet het geval is. Eiser stelt dat het niet in de verwachting ligt dat hij binnen een redelijke termijn zal kunnen terugkeren naar het land van herkomst nu hij al vier maanden in bewaring zit en er nog geen presentatie in persoon is gepland.

Oordeel rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek één keer gerappelleerd op de laissez passer (lp) aanvraag, te weten op 18 juni 2024 en één vertrekgesprek met eiser gevoerd, te weten op 13 juni 2024. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris ter zitting heeft toegelicht dat de Algerijnse vreemdeling, die binnen een maand zou zijn gepresenteerd een gedocumenteerde Algerijn betrof, terwijl eiser een ongedocumenteerde Algerijn is. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel aldus niet slaagt.

Ten aanzien van het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. Dit geldt eveneens voor ongedocumenteerde vreemdelingen zoals eiser. Ter zitting heeft de staatssecretaris cijfers overgelegd van afgegeven lp’s voor ongedocumenteerde Algerijnen. Zo zijn er in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 mei 2024 zes lp’s verstrekt voor ongedocumenteerde Algerijnen. Eiser werkt daarnaast ook niet actief en voldoende mee aan zijn uitzetting. Deze medewerking mag wel van hem worden verwacht, zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 13 januari 2022 en 2 augustus 2022. Het betoog van eiser dat hij de uitzetting niet actief frustreert treft geen doel. De rechtbank is dan ook van oordeel, dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen en specifiek voor eiser niet ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser blijkt, dat hij niet wil terugkeren naar Algerije en dat eiser dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zijn eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F. Sijens

Griffier

  • mr. K.E. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?