ECLI:NL:RBDHA:2024:9584

ECLI:NL:RBDHA:2024:9584, Rechtbank Den Haag, 17-06-2024, NL24.23308

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.23308
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 6 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0007149 BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting naar Algerije, voortvarend handelen, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.23308

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

Procesverloop

De staatssecretaris heeft op 12 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 28 maart 2024.

De staatssecretaris heeft de rechtbank op 5 juni 2024 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de staatssecretaris verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de staatssecretaris een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 juni 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. Uit de uitspraak van 28 maart 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 26 maart 2024, rechtmatig is.

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

3. Eiser voert aan dat er weinig beweging is in het kader van uitzetting naar Algerije en dat zicht op uitzetting op korte termijn ontbreekt. Uit het Model 120 blijkt niet dat uitzetting op korte termijn mogelijk is. De autoriteiten van Algerije hebben namelijk bevestigd dat geen nationaliteitsverklaring is afgegeven. Daarnaast worden er aan ongedocumenteerden in detentie minimaal laissez-passers (lp’s) afgegeven.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de staatssecretaris op 11 april 2024 een lp heeft aangevraagd voor eiser. Hierop is op 16 april en 7 mei 2024 schriftelijk gerappelleerd. Hieruit blijkt dat de staatssecretaris wel degelijk uitzettingshandelingen verricht. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 mei 2024 geoordeeld dat (weer) zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. In deze uitspraak maakt de Afdeling geen onderscheid tussen gedocumenteerde en ongedocumenteerde vreemdelingen. Verder blijkt uit de rechtspraak sindsdien dat in januari 2024 van zes ongedocumenteerden de Algerijnse nationaliteit is bevestigd op basis van dacty en de afgifte van een lp is toegezegd, waardoor ook voor ongedocumenteerden zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat de Algerijnse autoriteiten hebben bevestigd dat geen nationaliteitsverklaring zal worden afgegeven. Ook hebben de autoriteiten niet aangegeven dat zij geen lp zullen vertrekken.

Ambtshalve toetsing

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de

staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan

de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.W.B. Heijmans

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?