RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45146
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 augustus 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 22 november 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1994.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voorgang daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of vanaf 18 oktober 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Tunesië. Ondanks diverse rappels in oktober en in november, is er niets gebleken over een LP-afgifte of over een presentatie bij de autoriteiten van Tunesië. Ook een rappel op zaaksniveau heeft tot niets geleid. Gelet hierop druist de bewaring volgens eiser in tegen het evenredigheidsbeginsel en is deze niet langer proportioneel. Het belang van eiser om te worden vrijgelaten weegt volgens hem daarom zwaarder dan het belang van verweerder om de maatregel van bewaring voort te zetten.
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. De enkele vaststelling dat de Tunesische autoriteiten tot op heden niet op de LP-aanvraag hebben gereageerd is hiervoor onvoldoende. Uit de verslagen van de met eiser op 2 en 31 oktober 2024 gevoerde vertrekgesprekken blijkt niet dat eiser zelf aantoonbare inspanningen heeft verricht om een LP-afgifte te versnellen. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Tunesische autoriteiten ondanks persoonlijke inspanningen van eiser niet bereid zullen zijn om voor hem een LP af te geven.
6. Het vooralsnog uitblijven van een reactie op de LP-aanvraag voor eiser leidt als zodanig niet tot de conclusie dat het voortduren van de maatregel disproportioneel is. Eiser heeft daarbuiten geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de maatregel onevenredig bezwarend is in verhouding tot het ermee te dienen doel. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 31 oktober 2024 blijkt daarentegen wel onverminderd van de noodzaak van de maatregel, nu eiser heeft verklaard naar Frankrijk te willen afreizen in plaats van naar Tunesië. Het belang van verweerder om de maatregel van bewaring voort te laten duren weegt daarom zwaarder dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld.
7. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om het voortduren van de maatregel na 18 oktober 2024 op enig moment onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.