ECLI:NL:RVS:2025:275

ECLI:NL:RVS:2025:275, Raad van State, 28-01-2025, 202401119/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202401119/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:2595
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 13 zaken
Aangehaald door 6 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0005075 BWBR0006297 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32008L0115 EU:32008L0115

Samenvatting

Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

202401119/1/V3.

Datum uitspraak: 28 januari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 februari 2024 in zaak nr. NL24.3997 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 13 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat in Amerongen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdeling heeft de Tunesische nationaliteit. De politie heeft hem op 30 januari 2024 tijdens een algehele surveillanceronde staande gehouden, omdat hij voor een synagoge heen en weer liep. Vervolgens hebben zij zijn identiteit gecontroleerd. De vreemdeling kon geen geldig identiteitsbewijs overleggen, maar wel een ander document waar zijn naam op stond. Uit een controle in de politiesystemen bleek dat de vreemdeling als gesignaleerd en als "verwijderbaar" geregistreerd stond. De politie heeft de vreemdeling aangehouden op grond van de Wet op de identificatieplicht en overgedragen aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, waarna hij in vreemdelingenbewaring is gesteld.

Het oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het proces-verbaal van bevindingen niet duidelijk blijkt op basis van welke bevoegdheid de staandehouding heeft plaatsgevonden. Volgens de rechtbank hebben de verbalisanten niet voldoende toegelicht wat zij precies hebben waargenomen en hoe lang, en waarom zij het gedrag van de vreemdeling bij de synagoge opvallend vonden. Bij deze onduidelijkheid moet het er volgens de rechtbank voor worden gehouden dat de staandehouding en de identiteitscontrole vreemdelingenrechtelijk van aard waren. Omdat uit het proces-verbaal van bevindingen niet blijkt dat sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf (artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000), was de staandehouding onrechtmatig, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. De rechtbank wijst er terecht op dat uit het proces-verbaal van bevindingen moet blijken wat de aanleiding was voor de staandehouding, om te kunnen beoordelen op grond van welke bevoegdheid deze heeft plaatsgevonden. Zij heeft niet onderkend dat in dit geval voldoende concreet uit het proces-verbaal blijkt dat de vreemdeling is staande gehouden in het kader van de uitoefening van een algemene politietaak. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat de staandehouding heeft plaatsgevonden tijdens een algehele surveillance. De verbalisanten zagen de vreemdeling opvallend heen en weer lopen voor een synagoge. De zinsnede "Ambtshalve is ons bekend dat er in de huidige situatie in de wereld hier een dreiging op kan staan.", geeft er blijk van dat de verbalisanten het gedrag van de vreemdeling vervolgens hebben uitgelegd in het licht van de actuele maatschappelijke context. Die context ziet, zoals de minister uitlegt in zijn hogerberoepschrift, op verhoogde alertheid in het kader van dreiging in de richting van onder meer Joodse instellingen. Onder die omstandigheden betoogt de minister terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de informatie in het proces-verbaal, ook zonder een nadere concretisering van de waargenomen gedragingen, voldoende blijkt dat sprake was van een

niet-vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Dat betekent dat de bewaringsrechter zich niet kan uitlaten over de rechtmatigheid van de staandehouding. Vergelijk de uitspraak van 27 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD6144, onder 2.2.

De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden

4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de minister in zijn tweede grief heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

5. De vreemdeling betoogt dat zicht op uitzetting naar Tunesiƫ ontbreekt. Dit betoog faalt. Uit de uitspraak van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990, onder 1, volgt namelijk dat de Tunesische autoriteiten laissez-passers verstrekken en dat er uitzettingen met een laissez-passer naar Tunesiƫ hebben plaatsgevonden. De vreemdeling voert niet aan waarom dat in zijn geval anders zou zijn.

6. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.

Conclusie beroep

7. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 februari 2024 in zaak nr. NL24.3997;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025

644-1017

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.M. Wissels
  • mr. J.M. Willems
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. J. van de Kolk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?