ECLI:NL:RBDHA:2024:19903

ECLI:NL:RBDHA:2024:19903, Rechtbank Den Haag, 29-11-2024, NL24.46085

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.46085
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:5321
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.46085

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Drenth),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van

artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij

heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder desgevraagd een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het

onderzoek op 28 november 2024 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum]

1998.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de

maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel

96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of

een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft

getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 oktober 2023. Vervolgens zijn al eerder vervolgberoepen beoordeeld. Hierbij wordt

verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 december 2023,

26 januari 2024, 18 maart 2024, 4 juni 2024, 16 augustus 2024, 2 oktober 2024 en 12 november 2024. Daarnaast heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 april 2024 het verlengingsbesluit beoordeeld en geoordeeld dat de duur van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig is verlengd. Daarom staat nu ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 11 november 2024, rechtmatig is.

4. Eiser voert allereerst aan dat de voortgangsrapporten geen datum van ondertekening vermelden. Gelet hierop heeft eiser onvoldoende gelegenheid gehad hierop te reageren. Verder voert hij aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn en dat de afgifte van een lp binnen een redelijke termijn ook niet te verwachten is. Hij verblijft nu meer dan een jaar in vreemdelingenbewaring. Alleen in het begin heeft eiser een zitting gehad. Sindsdien zit hij in het detentiecentrum, zonder zitting en zonder verantwoording of toelichting van verweerder op de vraag of er nog sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Bovendien staat in de voortgangsrapportage dat voor het onderzoek van de zaak drie tot vier weken nodig is. Deze termijn is inmiddels verstreken, zonder dat er uitsluitsel is gegeven. Verder werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan het vertrek van eiser. Het uitvoeren van de standaard uitzettingshandelingen is hiervoor niet voldoende. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. De maatregel is, gelet op het voorgaande, niet meer evenredig en proportioneel. Het voortdurend wachten op een reactie van de Gambiaanse overheid kan niet meer doorslaggevend gewicht geven en het belang van eiser om zijn lp-aanvraag in vrijheid af te wachten weegt dan ook zwaarder.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Uit de dossierinformatie blijkt dat het laatste voortgangsrapport bij de rechtbank is

ingediend op 24 november 2024 en is bijgewerkt tot en met 22 november 2024. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor de conclusie dat het verslag niet actueel of volledig is. Eiser is ook voldoende in de gelegenheid geweest op dit rapport te reageren. Verder is van belang dat verweerder de mogelijkheid heeft om een verweerschrift in te dienen, ook zonder verzoek van de rechtbank daartoe en dat uit de eerdere uitspraken van de rechtbank blijkt dat zij zelf geen aanleiding zag om te vragen om een nadere toelichting op de voortgangsrapportages van verweerder.

6. Voorts blijkt uit de dossierinformatie en het verweerschrift, dat in onderhavige zaak wel is ingediend op verzoek van de rechtbank, dat verweerder eind oktober 2024 een Identificatiemissie heeft uitgezet en dat inmiddels is opgeschaald naar de hoogste autoriteit binnen het MFA in Gambia, in opvolging van de GID. Weliswaar laten de resultaten van de Identificatiemissie langer op zich wachten dan verwacht, maar de liaisons officer voert daarover het gesprek met de Gambiaanse autoriteiten. Gelet op deze (forse) opschaling van de Identificatiemissie in Gambia is er nog altijd voldoende zicht op uitzetting. Dit geldt te meer nu van de Gambiaanse autoriteiten niet het bericht is ontvangen dat zij voor eiser geen lp willen verstrekken.

7. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het voortgangsrapport van 24 november 2024 en de verslagen van de vertrekgesprekken van 19 augustus 2024, 27 augustus 2024 en 18 september 2024 blijkt dat eiser in het geheel niet mee werkt aan de voorbereiding van zijn terugkeer. Eiser heeft reeds vier maal geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een voor hem geplande presentatie. Het uitblijven van een fysieke presentatie is dan ook te wijten aan de houding van eiser. De rechtbank benadrukt dat eiser een verplichting heeft om actief mee te werken aan alle maatregelen die nodig zijn om zijn uitzetting te realiseren. Eiser heeft tot op heden niet aan die verplichting voldaan en daarmee zijn uitzetting gefrustreerd. Anders dan eiser heeft gesteld, is het lange voortduren van eisers bewaring niet te wijten aan de houding van de Gambiaanse autoriteiten maar aan eisers niet-meewerkende gedrag.

8. Het voortduren van de maatregel van bewaring komt dan ook geheel voor rekening en risico van eiser. Onder de gegeven omstandigheden is verweerder afhankelijk van het onderzoek dat door de Gambiaanse autoriteiten wordt uitgevoerd. Gelet hierop is niet gebleken dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Gambia.

9. Verder is er voorafgaand aan het verlengingsbesluit een verzwaarde belangenafweging gemaakt. Uit het voortgangsrapport, de met eiser gevoerde vertrekgesprekken, laatstelijk op 12 november 2024, en de eerder genoemde beroepen blijkt dat eiser weigert mee te werken aan zijn terugkeer naar Gambia. Hij geeft bovendien tijdens de vertrekgesprekken van 27 augustus 2024 en 18 september 2024 aan dat hij liever in de gevangenis blijft dan dat hij terugkeert. Het belang van verweerder om de maatregel te laten voortduren weegt dan ook zwaarder dan het belang van eiser om zijn lp-aanvraag in vrijheid af te wachten. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

10. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 november 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?