RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10094
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 14 maart 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998 de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 23 januari 2024.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk zicht is op uitzetting naar Gambia, omdat sinds het indienen van de lp-aanvraag op 23 september nog geen reactie van de Gambiaanse autoriteiten is gekomen. Daarnaast is eiser niet in het bezit van identificerende documenten en is het niet aannemelijk dat de Gambiaanse autoriteiten hem een lp zullen verstrekken.
5. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2023 kan in zijn algemeenheid van zicht op uitzetting naar Gambia worden uitgegaan. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. Eiser is daar niet in geslaagd. Zo blijkt uit het voortgangsrapport dat er twee keer een datum is vastgesteld voor de presentatie van eiser. Omdat eiser de eerste keer niet was verschenen, is een tweede datum gepland. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Gambiaanse autoriteiten bereid zijn mee te werken aan de afgifte van een lp aan eiser. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 8 februari 2024 en 26 februari 2024 blijkt vervolgens dat eiser een weigerachtige houding aanneemt en niet bereid is mee te werken aan een presentatie en aan zijn vertrek naar Gambia. De langere duur van de bewaring komt daarom voor risico van eiser.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.