[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [v-nummer 2]
[minderjarige 2] , V-nummer: [v-nummer 3]
[minderjarige 3] , V-nummer: [v-nummer 4]
[minderjarige 4] , V-nummer: [v-nummer 5]
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het bestreden besluit van 15 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
3. De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiseres is, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiseres stelt de Guinese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1989 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en vindt – kort gezegd – het volgende. Allereerst stelt eiseres dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen. Eiseres verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Ook vindt zij dat het Dublingehoor standaard en summier is, waardoor de beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen en ontoereikend is gemotiveerd. Verder kan verweerder niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Frankrijk, nu eiseres en haar kinderen een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een uitspraak van het Hof van Justitie, het betreffende AIDA-rapport van 2022, observaties van het VN-comité, informatie van Human Rights Watch en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Zij stelt dat de omstandigheden in Frankrijk zodanig zijn dat niet van haar verwacht kan worden dat zij met vier minderjarige kinderen terug naar Frankrijk gaat om daar op straat te belanden. Zij voelt zich daar onveilig, heeft de behandeling in Frankrijk als discriminerend en vernederend ervaren en heeft in Frankrijk geen internationale bescherming gekregen. Bovendien hebben eisers in Frankrijk geen bestaansmogelijkheden en geen toegang tot (voldoende) voorzieningen en opvang. Daarnaast hebben eiseres en haar kinderen psychische klachten en zij hebben medische zorg nodig als gevolg van de gebeurtenissen. In Frankrijk hebben eisers geen toegang tot (voldoende) medische zorg en passende geestelijke ondersteuning. Verweerder heeft ten onrechte geen BMA-advies opgevraagd. Tevens had verweerder, vanwege bovengenoemde omstandigheden, de behandeling van de aanvraag naar zich toe moeten trekken op basis van artikel 17 van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij bij deze conclusie is gekomen.
Heeft verweerder de besluitvorming voldoende zorgvuldig voorbereid?
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Dat verweerder tijdens het Dublingehoor niet zou hebben doorgevraagd naar de omstandigheden in Frankrijk en naar wat eiseres daar is overkomen, maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. Zoals uit het gehoor volgt en door eiseres op zitting is bevestigd, heeft eiseres één dag in Frankrijk verblijven, is zij daarna naar Nederland doorgereisd en heeft zij in Frankrijk geen asiel aangevraagd en/of contact gehad met de Franse autoriteiten. Tegen deze achtergrond heeft verweerder niet hoeven door te vragen naar de ervaringen van eiseres in Frankrijk. Daar komt bij dat eiseres na het gehoor geen correcties of aanvullingen heeft ingediend. Bovendien is eiseres na het voornemen in de gelegenheid gesteld via de zienswijze meer informatie te verstrekken over de omstandigheden in Frankrijk. Verweerder heeft de informatie uit het Dublingehoor en de zienswijze vervolgens bij de besluitvorming betrokken.
Eiseres voert verder aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een standaard voornemen, waardoor de door eiseres naar voren gebrachte verklaringen ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten kan voldoen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk heeft gemaakt op grond van welke redenen Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres en ook waarom verweerder geen reden ziet om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Ook als de verklaringen van eiseres niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen, heeft eiseres door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. Verweerder is in het besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Ook is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiseres in het aanmeldgehoor Dublin en wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd.
Mocht verweerder voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
9. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Hiervoor moeten de vastgestelde tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel uit het AIDA-rapport 2022 wel volgt dat er problemen zijn in de opvang, is dit rapport reeds betrokken in rechtspraak van de Afdeling en is geoordeeld dat deze problemen niet dusdanig zijn dat gesproken kan worden van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 30 augustus 2024. In die uitspraak is tevens aanvullend geoordeeld dat het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2023, geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 2 mei 2024 is betrokken.
In de overige overgelegde landeninformatie ziet de rechtbank evenmin aanleiding om voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wijken. Daarvoor biedt deze landeninformatie onvoldoende aanknopingspunten. Zo heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de observaties van het VN-comité geen wezenlijk ander beeld schetsen over de opvangsituatie in Frankrijk dan in het AIDA-rapport wordt weergegeven. Daarnaast ziet het bericht van Human Rights Watch niet op Dublinclaimanten, maar op minderjarige asielzoekers in Marseille die als volwassenen worden aangemerkt. Een dusdanige situatie is bij eiseres niet van toepassing en het is ook niet gebleken dat deze situatie geldt voor heel Frankrijk. De uitspraak en andere stukken die eiseres heeft aangehaald leiden vanwege voorgaande ook niet tot een ander oordeel.
Het persoonlijke relaas van eiseres biedt tot slot ook onvoldoende aanleiding om van het interstatelijk vertrouwensbeginsel af te wijken, nu daaruit niet blijkt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem en dat eiseres door overdracht aan Frankrijk een reëel risico zal lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ten eerste, zoals volgt uit rechtsoverweging 8, heeft eiseres nog geen eigen ervaringen opgedaan met de Franse autoriteiten. De door eiseres op zitting gestelde ervaringen met deze autoriteiten – waaronder de discriminerende behandeling – kan de rechtbank tegen deze achtergrond niet plaatsen. Ten tweede heeft eiseres haar stellingen over haar ervaringen en de risico’s die zij en haar kinderen in Frankrijk zouden lopen onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft ook niet geconcretiseerd waarom zij en haar kinderen in Frankrijk niet de bescherming kunnen krijgen die zij nodig hebben. Bovendien garandeert Frankrijk met het claimakkoord dat een nieuwe asielaanvraag van eiseres in behandeling zal worden genomen en dat de situatie zal worden beoordeeld met toepassing van de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht.
Bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het Tarakhel-arrest
Met betrekking tot de stelling dat eiseres en haar kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt in de zin van het Tarakhel-arrest, overweegt de rechtbank het volgende. In dat arrest hadden de vreemdelingen – een gezin met minderjarige kinderen – aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Italië geen adequate opvangvoorzieningen zouden krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, als aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon kunnen hierbij van belang zijn. Ook volgt uit deze uitspraak dat aannemelijk moet worden gemaakt dat zich vergelijkbare omstandigheden voordoen als die waarmee de vreemdelingen in het arrest zich geconfronteerd zagen. De bewijslast dat sprake is van zo’n bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling(en).Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met het arrest Tarakhel. Het zijn van een ouder met minderjarige kinderen is op zichzelf een onvoldoende reden om bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel aan te nemen en eiseres heeft daarnaast onvoldoende met documenten of individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat er wel sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid. Voor zover eiseres met de medische situatie van haar en haar kinderen betoogt dat zij daarom bijzonder kwetsbaar is, overweegt de rechtbank dat verweerder – vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel – ervan uit mag gaan dat eiseres en haar kinderen ook in Frankrijk zorg kunnen krijgen die zij momenteel in Nederland hebben. Niet aannemelijk is gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van individuele garanties, in Frankrijk niet de benodigde zorg en opvangvoorzieningen kan krijgen. Verweerder heeft in dit kader nog verwezen naar de Roadmap Dublin transfer fact sheet voor Frankrijk. Uit deze informatie volgt dat er bij ontvangst op basis van een gehoor een inschatting plaatsvindt van hoe kwetsbaar de vreemdeling dan wel het gezin is en dat er recht is op zorg als de vreemdeling aangeeft gezondheidsproblemen te hebben. Tot slot geldt dat eiseres niet aan de hand van eerdere ervaringen in Frankrijk aannemelijk heeft kunnen maken dat zij en haar kinderen, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in dat land geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen kunnen krijgen.
Uit het voorgaande volgt dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er in Frankrijk sprake is van dergelijke tekortkomingen die een hoge drempel van zwaarwegendheid halen, dan wel dat eiseres en haar kinderen bijzonder kwetsbaar zijn in de zin van het Tarakhel-arrest. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Tot slot overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit de Dublinverordening volgt dat – indien eiseres daarvoor toestemming geeft – de verantwoordelijke lidstaat bij de overdracht wordt geïnformeerd over bijzondere medische behoeften, verzorging of behandeling. Hoewel de gemachtigde van verweerder dit ter zitting niet met zoveel woorden heeft kunnen bevestigen, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder de overdracht opschort als mocht blijken dat de benodigde medische zorg niet beschikbaar is. Verder mag van eiseres worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in de Franse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor haar niet is of dat de Franse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is.
Had verweerder de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe moeten trekken?
10. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat zij de asielaanvraag niet naar zich toe had hoeven trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordering. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat de overdracht aan Frankrijk van een zodanig onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft aangegeven dat zij en haar kinderen zowel psychische als medische klachten hebben ervaren en zorg nodig hebben, waardoor een overdracht aan Frankrijk niet haalbaar is. Eiseres heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat een overdracht aan Frankrijk aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid van eiseres en haar kinderen zou hebben. Verweerder was daarom ook niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de medische gesteldheid van eiseres. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er bovendien van uit worden gegaan dat Frankrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat eiseres graag zou zien dat de gestarte zorgtrajecten van haar en haar kinderen in Nederland worden voortgezet, zeker nu zij vertrouwen heeft in de behandelend artsen hier en die haar hebben verteld dat de benodigde zorg voor haar zoon in Nederland is gewaarborgd. Echter neemt dit ook niet weg dat er van uit mag worden gegaan dat in Frankrijk vergelijkbare zorg aanwezig is en dat ervan uitgegaan mag worden dat eiseres en haar kinderen ook in Frankrijk op medisch vlak in goede handen zijn.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder niet ten onrechte de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
13. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van Y. Robio, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.