202501920/1/V2.
Datum uitspraak: 30 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant], mede namens haar minderjarige kinderen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2025 in zaak nr. NL25.2084 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 27 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat appellant in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft appellant niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister wordt gevolgd in haar standpunt dat zij de asielaanvraag van appellant niet in behandeling hoeft te nemen, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Daarbij heeft de rechtbank uitgelegd waarom de minister voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, en ervan mag uitgaan dat appellant en haar kinderen in Frankrijk dezelfde medische zorg kunnen krijgen als zij nu in Nederland hebben. De rechtbank heeft daarbij belang gehecht aan het feit dat appellant met haar kinderen slechts één dag in Frankrijk heeft verbleven zonder contact te hebben met de autoriteiten en daarom haar gestelde slechte ervaringen met de Franse autoriteiten niet aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep benadrukt appellant dat Frankrijk volgens haar geen veilige omgeving voor haar kinderen is en dat haar zoon momenteel gespecialiseerde medische zorg krijgt in Nederland. Daarmee legt appellant niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens haar niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025
936-1113