RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52219
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 6 januari 2025 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 8 januari 2025 een verweerschrift ingediend. Op 9 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1999.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser betwist alle zware gronden en stelt dat onvoldoende gemotiveerd is waarom hieruit en uit de van toepassing zijnde lichte gronden een risico op onttrekking aan toezicht volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij zonder paspoort Nederland is binnen gekomen. Zware grond 3a is daarmee feitelijk juist. Dat eiser vervolgens asiel heeft aangevraagd doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Verder heeft eiser de feitelijke juistheid van zware grond 3c niet betwist. Ook deze grond is voldoende gemotiveerd en terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze twee gronden zijn reeds voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Hiermee is het risico op onttrekking gegeven. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat met een lichter middel had kunnen worden volstaan. Er is namelijk niet gebleken van een actieve frustratie van het terugkeerproces en eiser heeft al die tijd in een AZC verbleven.
6. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. Gelet op de gronden is een risico op onttrekking gegeven en eiser heeft eerder niet zelfstandig aan zijn vertrekplicht voldaan.
Voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat er sinds het opleggen van de maatregel geen uitzettingshandelingen meer zijn verricht. Verweerder handelt daarmee onvoldoende voortvarend. Uit het verweerschrift blijkt echter dat er op 23 december 2024 een LP-aanvraag is verzonden naar de Algerijnse autoriteiten en dat er op 24 december 2024 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan het vertrek van eiser.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.