ECLI:NL:RBDHA:2025:8581

ECLI:NL:RBDHA:2025:8581, Rechtbank Den Haag, 11-04-2025, NL25.10865

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.10865
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32003R0343 EU:32003R0343

Samenvatting

Dublin Kroatië, artikel 17, eerste lid, Dvo onvoldoende onderbouwd, beroep gegrond.

Uitspraak

2. ECLI:NL:RVS:2017:2484.

Standaard voornemen

10. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking op de juiste wijze bekend is gemaakt, namelijk langs de elektronische weg, door plaatsing in het Portaal voor Advocaten. Uit de door de minister overlegde toestemmingsverklaring blijkt dat de gemachtigde van eiser te kennen heeft gegeven dat zij via het portaal voor Advocaten voldoende bereikbaar, door deze te ondertekenen. Daarnaast heeft zij middels deze verklaring toestemming gegeven aan de IND om dossierstukken van lopende asielzaken via het Portaal te delen. Dat de minister in de Handleiding heeft opgenomen dat de fax ook nog wordt gebruikt als middel om dossierstukken te delen, betekent niet dat het besluit niet op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit zou enkel van betekenis kunnen zijn als het beroepschrift te laat zou zijn ingediend. Dat artikel 2:14 van de Awb niet van toepassing is omdat dat alleen ziet op bestendig e-mailgebruik volgt de rechtbank niet. De gemachtigde van eiser heeft het besluit via het Portaal ontvangen en daarmee is het in werking getreden. Zij heeft ook tijdig beroep ingediend tegen het besluit.

11. Eiser stelt dat er in het voornemen in het geheel niet is ingegaan op het feit dat eiser en zijn broertje een gezin vormen althans familieleden zijn en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM uitoefenen. Er is daarom niet in dit individuele geval toegelicht waarom de minister geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

12. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen voornemen en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling, van 23 november 20234, volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen standaard overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Het enkele feit dat niet alle verklaringen van de vreemdeling tijdens het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij het voornemen kan op zichzelf dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De vreemdeling heeft door middel van het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen, indien de specifieke verklaringen van de vreemdeling niet allen kenbaar zijn betrokken in het voornemen.

13. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Kroatië verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Daarbij komt dat in het voornemen in algemene zin is ingegaan op het gezinsleven maar dat dit de minister geen aanleiding geeft om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Aangezien het bestreden besluit wel uitgebreider is gemotiveerd dan het voornemen en in het bestreden besluit wel is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor aangevoerd omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3. ECLI:NL:RVS:2024:2886.

4 ECLI:NL:RVS:2023:4348.

Nader onderzoek naar interstatelijk vertrouwensbeginsel

14. Eiser stelt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië, gelet op de uitspraak van het HvJEU van 29 februari 2024 in de zaak X tegen Nederland.5 De enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is onvoldoende. Volgens eiser vinden pushbacks op het gehele grondgebied plaats en dient de minister aanvullend onderzoek te doen naar de vraag of Dublinclaimanten een reëel risico lopen op pushbacks.

15. Volgens het arrest X van het EHRM van 29 februari 20246 is het eerst aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat een andere lidstaat zich niet houdt aan de verdragsverplichtingen. De minister moet daarna deze informatie onderzoeken en beoordelen. Daarbij dient de minister op eigen initiatief rekening te houden met relevante informatie waarvan zij niet onkundig kan zijn. Het gaat dan om informatie over omstandigheden die tot de conclusie leiden dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. 7

16. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen nader onderzoek heeft hoeven doen. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij niet kundig is van nieuwe informatie waaruit blijkt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op pushbacks. Bovendien heeft eiser ook geen informatie overlegd waaruit dit zou blijken. De Afdeling heeft bij uitspraak van 13 september 2024 geoordeeld8 dat ten aanzien van Kroatië – kort samengevat – onvoldoende concreet is dat Dublinclaimanten te vrezen hebben voor pushbacks. Dit oordeel is bij uitspraak van 10 december 2024 bevestigd.9 Ook over de stelling dat Dublinclaimanten niet kunnen worden onderscheiden van andere asielzoekers en daarom ook het risico lopen slachtoffer te worden van gewelddadige pushbacks en collectieve uitzettingen, heeft de Afdeling een oordeel gegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister de asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?

17. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In het bestreden besluit wordt enkel ingegaan op artikel 2, onder g, en artikel 16 van de Dublinverordening en artikel 8 EVRM. De minister heeft in het bestreden besluit geen op de persoon toegespitste motivering in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening gegeven.

18. Niet betwist zijn de volgende feiten. Eiser en zijn broertje hebben zowel in Syrië als in Nederland in gezinsverband samengeleefd. Zij zijn in 2021 samen vanuit Syrië naar Turkije gevlucht, terwijl eisers broertje nog minderjarig was. Eiser heeft sindsdien een vaderrol op zich genomen, omdat zij in Turkije uitsluitend op elkaar waren aangewezen. Enkel door toeval zijn ze in Kroatië van elkaar gescheiden. Dit heeft maar kort geduurd. Eiser droeg verder alle zorg en kosten voor beiden. In Nederland is deze situatie onveranderd gebleven. Eiser staat bijvoorbeeld bij het COA,VVN en zijn gemachtigde bekend als contactpersoon. Verder heeft eiser een genaturaliseerde tante in Nederland wonen, waarmee hij een paar jaar heeft samengewoond in Syrië. Beide broers logeren daar circa 2 weken per maand.

5. ECLI:EU:C:2024:195.

6 ECLI:EU:C:2024:195.

7 ECLI:NL:RVS:2024:3455.

8 ECLI:NL:RVS:2023:3411.

9 ECLI:NL:RVS:2024:5076.

18. De rechtbank oordeelt dat de minister, onder de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft onderbouwd waarom hier geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom eisers specifieke situatie niet leidt tot toepassing van de in artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid. De enkele verwijzingen naar de artikelen 2, 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening met een onderbouwing waarom niet aan de vereisten van die artikelen is voldaan, is onvoldoende in dit specifieke geval. Bovendien is het voldoen aan de vereisten uit voornoemde artikelen geen vereisten voor de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.

19. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onder de door eiser geschetste omstandigheden niet zonder een nadere motivering heeft kunnen volstaan met de mededeling dat geen sprake is van een onevenredige hardheid. De minister is op grond van de Dublinverordening niet gehouden de asielaanvragen van de broers bij elkaar te houden. Dit betekent niet dat het in de verordening neergelegde uitgangspunt van het bijeenhouden van een gezin zonder betekenis is voor de onderhavige zaak. Te meer nu hier sprake is van een gezinsverband dat bestond in het land van herkomst en nu nog voortduurt. Eiser heeft gewezen op de leeftijd van zijn broer. De broer van eiser is weliswaar meerderjarig, maar hij is de jongvolwassenheid nog niet gepasseerd. Hij heeft ook de eerste stappen naar een zelfstandig bestaan nog niet gezet. Dit zijn omstandigheden die de minister bij haar beoordeling had moeten betrekken. Het bestreden besluit zal tot gevolg hebben dat de broers

- waarvan onbetwist is dat zij altijd bij elkaar zijn geweest, maar door toeval een korte tijd van elkaar gescheiden zijn geraakt - het in een situatie van kwetsbaarheid zonder elkaars aanwezigheid moeten doen. De minister heeft hiermee niet kenbaar rekening gehouden. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 18 en 19 is overwogen gegrond. De minister heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken de tijd.

21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1)

Beslissing

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.L.H. Thomas, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

11 april 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?