ECLI:NL:RBDHA:2026:22630

ECLI:NL:RBDHA:2026:22630

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 31-07-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer NL26.27168
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2026:5052

Samenvatting

asiel, opvolgende aanvraag, LHBTI, geloofwaardigheid, inreisverbod, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27168

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de seksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig mogen achten. De minister heeft wel aan eiser ten onrechte een inreisverbod van tien jaar opgelegd, zoals is erkend in het verweerschrift en ter zitting. Hierdoor herleeft het eerder aan eiser opgelegde inreisverbod van twee jaar. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een vijfde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 mei 2026 deze aanvraag in de afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures

3. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit. Eiser heeft vier eerdere asielaanvragen ingediend. De afwijzingen van deze eerdere asielaanvragen staan in rechte vast.

Huidige asielprocedure

4. Eiser heeft op 26 september 2025 een opvolgende aanvraag ingediend. Eiser legt aan deze opvolgende aanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser met het besluit van 7 mei 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. seksuele geaardheid

Het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, is geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de seksuele geaardheid van eiser, is niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De aanvraag van eiser is kennelijk ongegrond, omdat het om een opvolgende aanvraag gaat die niet is afgedaan als niet-ontvankelijk. Ook is de aanvraag kennelijk ongegrond omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Aan eiser wordt een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Heeft de minister de seksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig mogen achten?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn seksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Niet in geschil is dat eiser dit asielmotief niet met voldoende objectieve documenten heeft onderbouwd. Om die reden heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.

Tegenstrijdige verklaringen over maagd zijn

Aan eiser is ten onrechte tegengeworpen dat hij in een eerdere procedure heeft verklaard maagd te zijn. Volgens de minister is dit tegenstrijdig met de verklaringen die eiser in deze procedure heeft afgelegd. Tijdens eerdere procedures heeft eiser zijn seksuele geaardheid niet ter sprake gebracht, omdat hij dat niet durfde. De verklaring van eiser dat hij nog maagd is volgde steeds op de vraag of eiser gehuwd was of een partner had. Dit is logisch, aangezien eiser zijn seksuele geaardheid niet wilde blootgeven. Om die redenen zijn de verklaringen van eiser niet tegenstrijdig.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich wél terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het zijn van maagd. Hierbij betrekt de minister terecht dat het zijn van maagd niet enkel omvat dat iemand seks heeft als heteroseksueel, maar ook betrekking heeft op seksuele acties met hetzelfde geslacht. Aangezien eiser al vanaf zijn achttiende seksueel actief is met mannen, mocht de minister van hem verwachten dat hij hier consistent over kan verklaren. Eiser is niet gevraagd of hij nog maagd is, maar dit heeft hij zelf naar voren gebracht. Bovendien is eiser tegenstrijdig in zijn verklaring waarom hij dit niet heeft verteld. Enerzijds verklaart eiser dat niet duidelijk was dat onder maagd zijn ook homoseksuele relaties vallen. Anderzijds verklaart hij dat hij niet durfde te vertellen dat hij geen maagd is.

Gay pride 2022

Eiser betoogt dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is. Enerzijds volgt de minister het betoog van eiser dat hij in 2022 bij de gay pride in Groningen was, waaruit de minister afleidt dat eiser zich vrij genoeg voelde om zijn geaardheid te uiten. Anderzijds ziet de minister dit als reden om de verklaringen van eiser dat hij homoseksueel is ongeloofwaardig te achten. Ook betrekt de minister hier ten onrechte bij dat eiser lang heeft gewacht met het melden van zijn seksuele geaardheid, wat volgens de minister afbreuk doet aan de geloofwaardigheid hiervan. Eiser gaf al wel eerder uiting aan zijn seksuele geaardheid, wat een belangrijke aanwijzing is dat er een andere reden is voor het late melden van zijn seksuele geaardheid.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit dat het feit dat eiser in 2022 bij de gay pride was, is meegenomen in de beoordeling. Dit zegt iets over hoe eiser omgaat met zijn seksuele geaardheid. Eiser voelt zich openlijk genoeg om uiting te geven aan zijn seksuele geaardheid aangezien hij naar een gay pride gaat. Dit is anders dan een individueel asielrelaas. De minister wijst er terecht op dat meermaals benadrukt is dat het asielrelaas vertrouwelijk is en dat eiser alle redenen moet vertellen waarom hij is vertrokken. Het zwaartepunt ligt hierbij op het geven van authentieke verklaringen. Dit heeft eiser nagelaten.

Verbod op homoseksualiteit in Gambia

De minister heeft aan eiser gevraagd wat hij ervan vindt dat homoseksualiteit in Gambia verboden is. Niet inzichtelijk voor eiser is waaruit blijkt dat eiser had moeten verklaren wat hij er van vond dat homoseksualiteit in Gambia strafbaar is toen hij daar nog woonde. Het antwoord van eiser geeft aan dat het voor hem een hypothetische situatie is dat hij met dat verbod te maken krijgt, omdat hij nu in Nederland is.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat hij vindt van het verbod op homoseksualiteit in Gambia. Niet valt in te zien wat hypothetisch is aan de vraag hoe het was voor eiser om als gesteld homoseksueel te leven in een land waar dit verboden is. Eiser had in Gambia meerdere seksuele relaties met mannen. Van eiser mag dan ook worden verwacht dat hij kan verklaren over hoe dit voor hem was ten tijde van deze relaties in Gambia. Het betoog van eiser dat dit slechts een hypothetische situatie is volgt de rechtbank niet. Dit heeft in het verleden plaatsgevonden en is dus niet hypothetisch.

Verklaringen over [ex-partner]

Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft onderbouwd waaruit blijkt dat eiser een mening moet hebben over het feit dat [ex-partner], een ex-partner van eiser, getrouwd is. Eiser heeft al langere tijd geen relatie meer met zijn ex-partner en heeft ook geen bijzondere gevoelens meer voor hem.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat van eiser mocht worden verwacht dat hij gedachten en gevoelens heeft over zijn ex-partner, die na zijn relatie met eiser met een vrouw is getrouwd. Omdat het voor eiser lastig is om inzicht te geven in zijn gedachten en gevoelens omtrent zijn seksuele geaardheid is uitgebreid gevraagd naar zijn relaties. Ook op die manier kan inzicht worden gegeven in zijn seksuele geaardheid. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om hier uitgebreider over te verklaren.

Verklaringen over [partner]

Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat zijn verklaringen omtrent zijn relatie met [partner] slechts duiden op een gewone vriendschap. In de zienswijze heeft eiser hierover verklaard. De essentie van die verklaringen is dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser summier heeft verklaard over zijn relatie met [partner]. Eiser betoogt dat hij al vier jaar een relatie heeft met [partner]. Het had dan ook van hem verwacht mogen worden dat hij meer inzicht had kunnen geven in zijn gedachten en gevoelens in de relatie. Ook legt eiser niet uit waarom de relatie meer is dan een gewone vriendschap.

Tussenconclusie

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat betekent dat de rechtbank oordeelt dat de minister de problemen van eiser met betrekking tot zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft mogen achten.

Mocht de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opleggen?

7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd. Het dossier bevat onvoldoende objectieve gegevens over de misdrijven die door eiser zijn gepleegd, de kwalificatie daarvan en de veroordelingen om te kunnen reageren op de onderbouwing van het inreisverbod. De aan eiser opgelegde straf staat niet in verhouding met de strafnorm die is opgenomen in artikel 6.5a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Bovendien is eiser veroordeeld voor een zedendelict, waaraan niet dezelfde bijzondere betekenis toekomt als aan veroordeling voor een gewelds- of drugsdelict. Ook is in eerdere besluiten geen aanleiding te zien om een inreisverbod met een langere duur dan twee jaar op te leggen. Hierbij is van belang dat de strafbare feiten ten tijde van de eerdere besluitvorming ook al bekend waren. Eiser betwist ten slotte dat hij een daadwerkelijke actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.

De beroepsgrond slaagt. In het verweerschrift van 9 juni 2026 heeft de minister het inreisverbod van tien jaar opgeheven. Dit betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Hierdoor herleeft het inreisverbod van twee jaar, dat aan eiser is opgelegd in het besluit van 23 april 2024. Dat besluit staat in rechte vast. De minister heeft dit op zitting nogmaals bevestigd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat aan eiser ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, aangezien het bestreden besluit gelet op rechtsoverweging 6.12 verder voldoende is gemotiveerd.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het inreisverbod van tien jaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot betaling van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas

Griffier

  • mr. F.E. Brokke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand