ECLI:NL:RBGEL:2023:953

ECLI:NL:RBGEL:2023:953, Rechtbank Gelderland, 24-02-2023, AWB - 21 _ 2717

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 24-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 21 _ 2717
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Inkomen uit sparen en beleggen. Rechtsherstel. Werkelijke rendement. Ongerealiseerde resultaten. Rentevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

[eiser], te [woonplaats], eiser,

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 21/2717

in de zaak tussen

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2018. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 42.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 39.596.

Verweerder heeft het bezwaar tegen de aanslag gesplitst in twee delen: het ene deel is betrokken in een massaal bezwaarprocedure en het andere (individuele) deel is bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2021 ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner. Namens verweerder zijn verschenen [naam], [naam 2], [naam 3].

Tijdens de mondelinge behandeling is geconstateerd dat eiser in aanmerking komt voor rechtsherstel naar aanleiding van het door de Hoge Raad gewezen arrest van 24 december 2021. Omdat de verminderingsbeschikking nog niet aan eiser bekendgemaakt is het onderzoek ter zitting geschorst. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om na ontvangst van de verminderingsbeschikking op deze beschikking te reageren. De beschikking is verleend op 16 november 2022. Eiser heeft hierop gereageerd op 28 november 2022. Vervolgens heeft verweerder daarop op 20 december 2022 gereageerd. Daarna is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Geschil

Feiten

1. Eiser woont samen met [naam partner] te [woonplaats]. Zij zijn in 2018 fiscaal partner van elkaar.

2. Tot de bezittingen van eiser en zijn fiscaal partner behoren banktegoeden tot bedragen van € 503.323 (in Nederland) en € 5.855 (in buitenland), beleggingen tot een bedrag van € 1.324.016 en onroerend goed in het buitenland tot een bedrag van € 145.367.

3. In geschil is of het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) zoals die is vastgesteld bij de verminderingsbeschikking juist is.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag verder vermindert dient te worden. Verweerder concludeert tot handhaving van de verminderingsbeschikking.

Beoordeling van het geschil

5. De Hoge Raad heeft in het hiervoor genoemde arrest van 24 december 2021 (het kerstarrest) geoordeeld dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit forfaitaire stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft zich dan ook genoodzaakt gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. De Hoge Raad heeft dat rechtsherstel in die zaak geboden door te bepalen dat alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

6. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 (het mei-arrest) volgt dat de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel kan betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering.

7. Verweerder heeft met inachtneming van het door de staatssecretaris van Financiën genomen Besluit rechtsherstel het box 3 inkomen van eiser als volgt herberekend.

8. Op grond van de aanslag bedraagt de inkomstenbelasting box 3 € 10.213, zodat eiser op grond van het rechtsherstel een bedrag van € 354 (€ 10.213 -/- € 9.859) terugontvangt.

9. De vraag ligt voor of aan eiser in afwijking van het Besluit rechtsherstel meer compensatie moet worden geboden. De bewijslast hiervoor ligt bij eiser.

10. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat de opbrengsen op bank- en spaartegoeden van hem en zijn partner € 1.923,37 hebben bedragen en dat hij en zijn partner aan beleggingsopbrengsten slechts een bedrag van € 30.387,47 (€ 43.764,50 -/- € 13.377,03 kosten) heeft ontvangen. Daarnaast stelt eiser dat de beleggingen in 2018 een waardedaling van 9% hebben ondergaan. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat de inkomsten uit buitenlandse tegoeden € 71 hebben bedragen en dat het appartement in Canada geen huurinkomsten heeft gegenereerd. Onbekend is of het appartement een waardevermeerdering heeft ondergaan, maar mocht dit het geval zijn dan staat dit in geen verhouding tot het rendement waar verweerder mee rekent. Mede gelet ook op het geleden verlies op beleggingen is eiser van mening dat uit dient worden gegaan van de daadwerkelijk ontvangen rente- en dividendinkomsten.

11. Verweerder heeft zich op de zitting afgevraagd of met de verminderingsbeschikking gebaseerd op de het Besluit rechtsherstel niet reeds uitvoering is gegeven aan het door de Hoge Raad geboden rechtsherstel. Mocht niettemin toetsing aan het werkelijk rendement geboden zijn dan is hij van mening dat er geen inzage is gegeven in het geleden verlies op beleggingen en in een eventuele waardestijging of daling van de onroerende zaken in Canada en Frankrijk. Bij gebreke hiervan betwist verweerder hetgeen eiser op dit punt heeft gesteld.

12. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van het kerstarrest en het daaropvolgende mei-arrest dient te beoordelen of verweerder met het Besluit rechtsherstel in dit geval adequaat rechtsherstel aan eiser heeft geboden. Voor de op rechtsherstel gerichte compensatie dient te worden aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn uitspraak van 7 februari 2023 geoordeeld dat dat bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijk behaalde rendement geen plaats is voor het in aanmerking nemen van (ongerealiseerde) verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker is dat een verlies zich daadwerkelijk voor zal doen. Gelet hierop is het gelijk aan eiser en dient uit te worden gegaan van de daadwerkelijk ontvangen rente- en dividendinkomsten. Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat deze inkomsten voor eiser en zijn partner € 32.381,84 (€ 1.923,37 + € 30.387,47 + € 71) hebben bedragen. Aan eiser dient dan een inkomen van € 16.087 (€ 32.381,84 x € 953.194/€ 1.918.561) te worden toegerekend.

13. Het vorenstaande betekent dat aanleiding bestaat de belastingaanslag verder te verlagen dan reeds bij de verminderingsbeschikking is gedaan. Het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op € 16.087.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient te worden beslist zoals hieronder weergegeven.

Rentevergoeding

15. Eiser stelt zich op het standpunt dat er recht bestaat op een rentevergoeding over de onverschuldigd betaalde belasting. De rechtbank kan eiser niet volgen in dit betoog. Op grond van artikel 30fe van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt over de terugbetalingen van de box 3-heffing geen belastingrente vergoed. Aan de vraag of er op andere gronden recht bestaat op een rentevergoeding wordt naar het oordeel van de rechtbank niet toegekomen, omdat in de verminderingsbeschikking geen voor bezwaar vatbare rentebeschikking is opgenomen.

Proceskosten en griffierecht

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2023/644 NLF 2023/0618 NTFR 2023/587 met annotatie van M. van Zijl MSc V-N 2023/28.2.1 Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/252 Viditax (FutD) 2023032001 FutD 2023-0838
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand