beschikking
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
datum uitspraak: 10 juli 2020
Zaaknummers: C/03/278317 / FA RK 20-1896 (zorgregeling en hoofdverblijf)
C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170
(verzoek op grond van artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek)
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven:
In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen de moeder of de vrouw,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen de vader of de man,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.
In zijn hoedanigheid als bedoeld in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,
verder te noemen: de raad.
In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170 tussen:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Roermond,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder of de vrouw,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader of de man,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.
1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 26 mei 2020.
In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170:
In alle zaken:
De zaken zijn ter zitting van 24 juni 2020 gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers C/03/278311 / FA RK 20-1895 en C/03/276259 / FA RK 20-1164. Daarbij zijn verschenen:
De moeder heeft ter zitting – gelet op de vorderingen die zijn behandeld ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in kort geding van 12 juni 2020 (zaaknummer C/03/276294 / KG ZA 20-121) – haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening (zaak met nummer C/03/278311 / FA RK 20-1895) betreffende opschorting van de zorgregeling ingetrokken. De vader heeft op zijn beurt zijn verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening betreffende toevertrouwing van de kinderen ingetrokken.
Gelet op het (gelijkluidend) verzoek van de vader in de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20/1896 ter zake wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen, zal geen aparte beslissing meer volgen betreffende de informele rechtsingang van [minderjarige 1] (zaak met zaaknummer C/03/276259 / FA RK 20-1164).
2. De feiten
Uit de inmiddels beëindigde buitenhuwelijkse relatie tussen de vader en de moeder zijn geboren:
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen staan sedert 15 mei 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 13 mei 2020 verlengd tot 15 augustus 2020.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 1 maart 2016 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald en een zorgregeling bepaald inhoudende dat de kinderen
– kort gezegd – eenmaal per veertien dagen bij de vader zullen verblijven op woensdag na school tot 17.00 uur en op vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, en de (school)vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen.
De ouders hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het kort geding van 9 mei 2018 verdere afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de vakanties en (feest)dagen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal. De ouders hebben nadien nog nadere afspraken gemaakt betreffende (verdere uitbreiding van) de zorgregeling.
3. De verzoeken
In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896:
De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
‘de huidige geldende zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat er begeleide omgang tussen de man en de kinderen zal plaatsvinden en voor zover de man daaraan niet wenst mee te werken te bepalen dat er geen omgang zal zijn, althans een zodanige beslissing te nemen op de verzoeken van de vrouw als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.’
De moeder voert daartoe – kort samengevat – aan dat zij achter het verzoek van de GI (in de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170) staat. Zij heeft zich, mede nu de behandeling van het verzoek van de GI op zich liet wachten, genoodzaakt gezien deze procedure (met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896) te starten. De kinderen zijn de afgelopen periode opnieuw door de vader blootgesteld aan situaties die schadelijk voor hen zijn. Zij lijden hieronder. In verband met de veiligheid van de kinderen en het gegeven dat de vader grote druk lijkt uit te oefenen op de kinderen heeft de moeder het besluit genomen om de zorgregeling voorlopig stop te zetten.
In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170:
De GI verzoekt de rechtbank om bij beschikking:
De GI voert daartoe – kort samengevat – aan dat zij alle mogelijke wettelijke middelen heeft aangewend om de vader te ondersteunen en te begeleiden in zijn opvoedingsverantwoorde-lijkheden naar de kinderen toe, maar dat deze middelen binnen het huidige juridische kader geen effect hebben gesorteerd. Zij acht wijziging van de zorgregeling noodzakelijk in het belang van de kinderen en om een ernstige ontwikkelingsbedreiging af te wenden. De thans geldende zorgregeling is te belastend voor de kinderen. Omgang dient voorlopig plaats te vinden onder begeleiding (BOR, niveau 3) op een neutrale plek. In het kader van de BOR dient nader onderzocht te worden of de vader in staat is om aan de opvoedingsverantwoorde-lijkheden en het ouderlijk gezag te voldoen, zoals dat in de wet is vastgelegd.
4. Het verweer en het zelfstandig verzoek
De vader voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken en concludeert tot afwijzing hiervan. Hij stelt – kort samengevat – dat het verhinderen van contact tussen hem en de kinderen niet in het belang is van de kinderen. Uit niets blijkt dat de kinderen niet veilig bij hem zouden zijn en er zijn geen gegronde redenen om de omgang tussen hem en de kinderen begeleid te laten plaatsvinden. De moeder houdt de kinderen sinds 18 mei 2020 op een voor de vader onbekende plek verborgen. Zij lijkt daarin te worden gesteund door de GI die door de vader als partijdig c.q. niet neutraal wordt gezien. De GI gaat geheel voorbij aan de rol van de moeder in de huidige conflictsituatie. De kinderen doen ernstige uitlatingen over de verzorging door de moeder en hebben de wens om bij de vader te wonen. Deze wens dient zwaarder te wegen dan de aantijgingen die worden gedaan aan het adres van de vader. Voor zover de GI van mening is dat bepaalde hulp nodig is voor de kinderen dan staan haar daarvoor eventuele dwangmiddelen ten dienste, anders dan het verhinderen van contact tussen de vader en de kinderen danwel het stop zetten van de thans geldende zorgregeling.
De vader verzoekt, naar de rechtbank begrijpt in de procedure met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20/1896 (waarin de moeder verzoekende partij is), bij wege van zelfstandig verzoek te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij hem, dan wel een zodanige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank juist acht.
5. De mening van [minderjarige 1]
is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is op 2 juni 2020 buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden door de kinderrechter gehoord. [minderjarige 1] heeft – zakelijk weergegeven – aangegeven dat ze, zoals ze al schriftelijk had aangegeven, het niet leuk vindt bij de moeder en op de huidige school. De moeder en haar nieuwe partner mishandelen haar, haar broertje [minderjarige 2] en (half)broertje [minderjarige 3] . Ook verzorgen zij haar, haar broertje [minderjarige 2] en (half)broertje [minderjarige 3] niet goed en besteden zij onder meer onvoldoende aandacht aan hygiëne, (goede) kleding en (goed bereid) voedsel. [minderjarige 1] wil met haar broertje [minderjarige 2] bij de vader gaan wonen.
6. Het advies van de raad
De raad acht de situatie dusdanig zorgelijk dat een raadsonderzoek in de rede ligt. Er is veel strijd en er worden veel procedures tussen de ouders gevoerd. De vraag is wat dit allemaal doet met de kinderen. Dat geldt ook voor het gegeven dat de kinderen plotseling hun vader niet meer (kunnen) zien. Het is lastig om op dit moment een eenduidig antwoord te geven op de vraag of een BOR, niveau drie, moet worden bepaald. Goed moet worden bekeken wat de kinderen nodig hebben en hoe de ouders terug kunnen worden gezet in hun ouderrol.
7. De beoordeling
In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896:
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In geval van een geschil over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken kan de rechter gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW een getroffen zorgregeling dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170:
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een omgangsregeling vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
In alle zaken
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandig-heden. Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting komt naar voren dat al jarenlang sprake is van een complexe en zeer zorgelijke situatie, waarbij de kinderen worden blootgesteld aan veel spanningen en conflicten tussen de ouders. De afgelopen periode lijken de problemen zich verder op te stapelen. De situatie is inmiddels dusdanig geëscaleerd dat aan de (tot voor kort vigerende) zorgregeling tussen de vader en de kinderen geen uitvoering meer wordt gegeven. Ook is de benodigde hulpverlening voor de kinderen bij Xonar gestagneerd. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De weg naar een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen ligt dan ook open.
De rechtbank acht zich op grond van de stukken en gelet op de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling uitgewisselde stellingen en standpunten onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. In onderhavige zaken is sprake van zeer forse ex-partnerproblematiek, waarbij ieder basaal vertrouwen tussen de ouders ontbreekt, de ouders elkaar fors diskwalificeren, zij niet in staat zijn tot constructieve samenwerking ten behoeve van de kinderen en er veelvuldig wordt geprocedeerd. Beide ouders lijken zich daarbij niet te houden aan de eerder bepaalde/overeengekomen regelingen en zich genoodzaakt te zien tot eigenrichting c.q. het nemen van eenzijdige besluiten ten aanzien van onder meer het verblijf van de kinderen, hetgeen leidt tot verdere toename van de spanningen en escalaties. De kinderen zitten daarbij in een moeilijke (klem)positie. [minderjarige 1] doet uitspraken over de situatie bij de moeder die (daargelaten of deze al dan niet juist zijn) zeer zorgelijk zijn. Partijen zijn daarbij verdeeld over de intrinsieke motivatie van [minderjarige 1] hiervoor en haar huidige mentale toestand.
Niet gebleken is dat de ouders op dit moment in staat zijn om tot een begin van een oplossing voor deze voor de kinderen zeer belastende problematiek te komen. Daarbij komt dat de verhouding tussen de vader en de GI/huidige gezinsvoogdijwerker ernstig is verstoord en de vader niet in staat lijkt te zijn om op een constructieve wijze samen te werken met de huidige gezinsvoogdijwerker, waardoor deze onvoldoende zicht krijgt op de thuissituatie bij de vader en de ingezette middelen (ook) in gedwongen kader om tot verbetering van de situatie te komen tot op heden onvoldoende effect hebben gesorteerd. De benodigde hulpverlening voor de kinderen bij Xonar is vanwege de vele fricties en problemen met de vader moeten stoppen en de vader lijkt door zijn gedrag en opstelling ook andere hulpverleningsinstanties tegen zich in het harnas te jagen.
De rechtbank deelt de mening van de raad dat het een zeer zorgelijke situatie betreft en acht nader onderzoek door de raad naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geïndiceerd, mede om te bezien wat de kinderen nodig hebben en de rol die beide ouders daarin hebben te vervullen. Daarbij dient ook duidelijk te worden of de ouders op dit moment wel in staat zijn om een afdoende (fysiek en emotioneel) veilige omgeving aan de kinderen te bieden.
De rechtbank zal vooralsnog, vooruitlopend op het raadsonderzoek, geen wijziging in de thans geldende zorgregeling aanbrengen die, naar de rechtbank begrijpt uit de stukken en de verklaringen van de ouders ter zitting, inhoudt dat de kinderen bij de vader verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag (na school) tot maandagavond 19.00 uur en de daaropvolgende woensdag (na school) en donderdag. De rechtbank acht het van belang dat eerst gedegen onderzoek door de raad wordt gedaan naar de situatie en duidelijk wordt wat de kinderen exact nodig hebben danwel hoe het beste in hun belang kan worden gehandeld. Vooralsnog is het nog maar de vraag of de door de GI en de moeder gewenste BOR, die in beginsel overigens tot einddoel onbegeleide omgang zal hebben, een oplossing gaat brengen voor de bestaande problematiek. De rechtbank sluit bovendien niet uit dat zulks enkel zal leiden tot verdere escalatie, verharding en polarisatie. Daarbij strekken de zorgen die de rechtbank heeft zich niet enkel uit tot de situatie bij de vader, maar ook tot de situatie bij de moeder die evengoed een aandeel heeft in voormelde problematiek.
Aan de raad wordt, gelet op de bestaande zorgen, uitdrukkelijk verzocht om onderhavige zaak met spoed op te pakken.
Van alle betrokkenen wordt verwacht dat zij hun volledige medewerking zullen verlenen aan (naleving van) de geldende zorgregeling en het raadsonderzoek. Alsdan kan er spoedig zicht komen op wat de kinderen nodig hebben c.q. hetgeen in het belang van de kinderen is.
In afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere beslissing op de voorliggende verzoeken aanhouden.
8. De beslissing
De kinderrechter:
verzoekt de raad om een onderzoek in te stellen en de rechtbank zo spoedig mogelijk te rapporteren en te adviseren over de navolgende vragen:
- is wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het belang van de kinderen?;
- welke mogelijkheden zijn er voor contacten tussen de kinderen en de ouder waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats niet zullen hebben en hoe dienen die contacten qua vorm en frequentie in het belang van de kinderen eruit te zien?
houdt iedere verdere beslissing op de voorliggende verzoeken aan, pro forma voor de duur van vier maanden, in afwachting van het rapport en advies van de raad;
stelt partijen op voorhand in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van het rapport van de raad schriftelijk te reageren op de rapportage en het advies van de raad alsook over de in hun ogen meest wenselijke voortgang van de procedure.