ECLI:NL:RBLIM:2021:10221

ECLI:NL:RBLIM:2021:10221

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 08-06-2021
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896 (zorgregeling en hoofdverblijf); C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Maastricht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2026:3495

Samenvatting

Aanvullend raadsonderzoek hoofdverblijfplaats en zorgregeling

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 8 juni 2021

Zaaknummers: C/03/278317 / FA RK 20-1896 (zorgregeling en hoofdverblijf)

C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170

(verzoek op grond van artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek)

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896:

[de moeder] ,

verzoekster, hierna te noemen de moeder of de vrouw,

wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,

advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

en:

[de vader] ,

wederpartij, hierna te noemen de vader of de man,

wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.

In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170:

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roermond,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder of de vrouw,

wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,

advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader of de man,

wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaken betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de Raad.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 10 juli 2020 uitgesproken beschikking.

1. De verdere procedure

In alle zaken

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896

De zaken zijn ter zitting van 31 maart 2021 gezamenlijk behandeld.

Daarbij zijn verschenen:

2. Het advies van de Raad

De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig vast te stellen bij de vader en een tijdelijke zorgregeling vast te leggen, waarbij de contacten tussen de kinderen en de moeder voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden via een begeleide omgangregeling (BOR), niveau 3, onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting, waarbij de regie over de contacten ligt bij voormelde instantie, en voor het overige de zaak voor een periode van acht maanden aan te houden in afwachting van een aanvullende rapportage van de Raad met definitief advies.

De Raad heeft in zijn rapport onder meer gesteld dat het onderzoek heeft uitgewezen dat de kinderen al jaren in een onstabiele en met momenten onveilige opvoedingssituatie verkeren. Er is langdurig sprake van zeer ernstige loyaliteitsproblematiek. Voor de kinderen is door de ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders en hun onvermogen om in gezamenlijkheid en vanuit een gedeelde gezagspositie de belangen van hun kinderen op de voorgrond te stellen, een zeer belastende situatie ontstaan. Naast de belasting door ex-partnerproblematiek zijn de kinderen door beide ouders ook blootgesteld aan onveilige en belastende situaties. Het incident dat op 22 juli 2020 bij de moeder heeft plaatsgevonden is zeer fors geweest en wordt door de Raad gezien als een ernstige vorm van kindermishandeling. Het is ongeacht de omstandigheden en/of de aanleiding voor het incident, onacceptabel dat een ouder handelt, zoals de moeder in dit geval heeft gedaan.

Hoewel de moeder en de GI (op dat moment) hebben ingestemd met (tijdelijk) verblijf van de kinderen bij de vader, heeft de Raad ook grote zorgen over de situatie aldaar, weliswaar niet ten aanzien van de basale zorg en veiligheid, maar des te meer ten aanzien van de sociaal-emotione-le ontwikkeling van de kinderen. De vader werkt niet mee aan de uitvoering van de door de rechtbank opgelegde ondertoezichtstelling en blokkeert vrijwel iedere vorm van hulp die door derden en/of de moeder wordt aangedragen. Het gedrag van de vader heeft niet alleen geleid tot het blokkeren van hulp, maar ook het onmogelijk maken van voortgang van de kinderen op school (de verhouding met de oude school is volkomen verstoord). Door het gegeven dat de ouders niet kunnen samenwerken en de vader de moeder, in de keuze voor een nieuwe school, niet heeft betrokken, gaan de kinderen nu al maanden niet meer naar school, hetgeen onaanvaardbaar is. Daarnaast is zorgelijk dat de vader, zo blijkt met name uit de informatie van de politie, de kinderen in situaties brengt (of zelfs betrekt) waarbij er conflicten zijn met derden, en dat de vader daarbij volledig voorbij gaat aan de betekenis van deze incidenten voor de kinderen. Ook is erg zorgelijk dat de kinderen na het incident in juli 2020 het contact met de moeder volledig kwijt zijn geraakt. De vader onderneemt daarbij geen enkel initiatief om een veilige herstart van het contact tussen de kinderen en de moeder mogelijk te maken en de moeder neemt eveneens geen verantwoordelijkheid door aan te geven dat ze een stapje terug moet doen en dat de kinderen daarom op dit moment niet meer bij haar kunnen verblijven.

De GI, die inmiddels partij is geworden in de juridische procedures, geeft aan dat ze, met name door het gedrag en de houding van de vader, geen mogelijkheden ziet om de belangen van de kinderen te behartigen en dat de grenzen van de mogelijkheden binnen het kader van de ondertoezichtstelling zijn bereikt. De situatie van de kinderen bereikt door deze impasse een extra zorgelijke dimensie omdat alle betrokkenen enerzijds, ieder vanuit hun eigen perspectief, overtuigd zijn van de zeer zorgelijke situatie van de kinderen en hun nood aan hulp, maar anderzijds niemand meer in staat is om de situatie te doorbreken en de kinderen de hulp te bieden die ze nodig hebben en waar ze recht op hebben.

De kinderen hebben hulp nodig bij het verwerken van de opgelopen trauma’s. Er zijn daarbij zorgen over het beeld waar de kinderen mee opgroeien betreffende de omgang met (gezags-) relaties en hun basale vertrouwen in andere mensen. De Raad acht de inzet van een kindercoach voor de kinderen noodzakelijk. Daarnaast moet het contact tussen de moeder en de kinderen zo spoedig mogelijk worden hersteld op een veilige manier door inzet van een BOR, niveau 3. Verder is er hulp nodig om een nieuwe school voor de kinderen te regelen waar zij zich veilig kunnen voelen en waarbij de echtscheidingsproblematiek van de ouders geen rol meer mag spelen. Voorts hebben de ouders hulp nodig om opnieuw invulling te geven aan het gezamenlijk gezag middels het volgen van een traject solo-parallel ouderschap. De Raad geeft de GI bovendien ernstig in overweging of de inzet van een andere gezinsvoogd (of gezinsvoogden) een mogelijkheid is om de impasse te doorbreken.

Ondanks alle zorgen acht de Raad een voorlopig voortgezet verblijf van de kinderen bij de vader op dit moment het meest in het belang van de kinderen. Om te komen tot een definitief standpunt acht de Raad absoluut noodzakelijk om aanvullend te toetsen:

De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting aanvullend gesteld dat de zorgen niet alleen bij de moeder liggen, maar ook bij de vader. De vader heeft (vanuit houden van dan wel bescherming van de kinderen) immer een eigen koers gevaren. Het is positief om te vernemen dat de vader met de huidige gezinsvoogden (anders dan met de vorige gezinsvoogd) (wel) een klik heeft. De kinderen verblijven al geruime tijd in een onstabiele situatie. Ze zijn in juli 2020 vanuit de situatie bij de moeder opeens in een hele andere situatie (bij de vader) terecht gekomen. De Raad acht het vooralsnog het beste om de situatie voorlopig zo te laten en fors in te zetten op hulpverlening voor de kinderen (die niet alleen ziet op eventuele hoogbegaafdheid, maar ook op de wijze waarop de kinderen naar hun moeder kijken) en de ouders. Daarbij moet het contact tussen de moeder en de kinderen worden hersteld. Dat de moeder thans aangeeft dat ze zich wil terug trekken, acht de Raad niet in het belang van de kinderen. De oplossing voor de problematiek ligt bij de ouders en vraagt maximale inzet aan hun zijde.

3. De standpunten van partijen

De GI heeft in haar reactie van 12 november 2020 op het raadsrapport gesteld het advies van de Raad te kunnen volgen, maar zich wel ernstig zorgen te maken over de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen indien deze de komende acht maanden worden toevertrouwd aan de vader. Verder heeft de GI aangegeven zich af te vragen of het advies van de Raad wel uitvoerbaar is, mede gelet op de opstelling van de vader in het verleden, de verstoorde relatie tussen de ouders, het onvoldoende erkennen van de loyaliteitsproblemen van de kinderen en het persoonlijk functioneren van de vader.

De vertegenwoordigers van de GI hebben ter zitting gesteld dat de verzoeken in de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170 worden ingetrokken. Er zijn nieuwe gezinsvoogden aangesteld. Deze hebben een start gemaakt om de zaak zo spoedig mogelijk vlot te trekken, waarbij het advies van de Raad als leidraad wordt gebruikt en de plaatsing van de kinderen bij de vader voorlopig wordt gehandhaafd onder de voorwaarden als vermeld in het raadsrapport. Hoewel de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de vader moeilijk is, houdt hij zich thans wel aan de voorwaarden. Voor wat betreft de school van de kinderen zijn vorderingen gemaakt. De kinderen gaan nu in de buurt van [plaats] naar school. Ook is individuele hulp voor hen ingeschakeld bij La Luna (waarbij ook sprake is van individuele gesprekken). Verder is ook het contact tussen de GI en de moeder goed te noemen. De situatie is moeilijk voor de moeder. In het laatste gesprek heeft ze aangegeven dat ze de kinderen mist en graag contact met hen wil hebben. Tegelijkertijd wordt gezien dat het voor het eerst sinds lange tijd rustig is en zijn er zorgen dat zodra het contact wordt hersteld de strijd opnieuw oplaait.

De vader heeft in zijn reactie op het raadsrapport van 12 januari 2021 onder meer aangege-ven dat hij het advies om de kinderen (voorlopig) aan hem toe te vertrouwen onderschrijft en dat de wens van de kinderen om op dit moment geen contact met de moeder te hebben, moet worden gerespecteerd.

De vader heeft ter zitting aanvullend gesteld dat hij zijn verzoek handhaaft en dat het hoofd-verblijf van de kinderen bij hem moet worden bepaald. Het is bekend dat hij van begin af aan niet “pro ondertoezichtstelling” is geweest, maar hij werkt waar nodig wel mee. Hij is zich er verder van bewust dat hij anders is dan anderen en hij anderen daardoor vaak niet bereikt. De samenwerking met de GI is (sedert de aanstelling van de nieuwe gezinsvoogdijwerkers) verbeterd en er is (voor wat betreft de uitvoering van de door de Raad gestelde voorwaarden) al een hele weg afgelegd. Hij gunt de moeder een rol in het leven van de kinderen. De kinde-ren mogen van de moeder houden, het over haar bij de vader thuis hebben en foto’s van haar op hun kamer ophangen. De vader kan zich vinden in het advies van de Raad betreffende de oplegging van een BOR, niveau 3, en zal daaraan niet in de weg staan. Hij denkt wel dat behoedzaam met contactherstel tussen de moeder en de kinderen moet worden omgegaan. Thans lijkt sprake van (relatieve) rust bij de kinderen (hoewel de vader begrijpt dat dit niet het eindpunt kan zijn). Teveel druk is niet goed voor de kinderen en kan averechts werken.

Het zou zonde zijn als iets op touw wordt gezet dat later een mislukking blijkt te zijn.

De moeder heeft in haar reactie op het raadsrapport van 14 december 2020 onder meer aangegeven het onbegrijpelijk te vinden dat de Raad achter een (voorlopig) verblijf van de kinderen bij de vader kan staan. Het belang van de kinderen vergt dat ze op een neutrale plek worden geplaatst en dat vanuit daar wordt gewerkt aan contactherstel met beide ouders (hetgeen eerder ook door de GI is geopteerd). Uit het rapport van de Raad komt verder niet naar voren waarom, mede bezien de eerdere ervaringen in het verleden, er nogmaals getoetst moet worden in hoeverre de vader in staat is om samen te werken met de GI of hulpverlening.

De moeder heeft ter zitting aanvullend gesteld dat ze het moeilijk te bevatten vindt dat de situatie 180 graden is gedraaid. Ze heeft zich juist in het belang van de kinderen genoodzaakt gezien om een stap terug te doen. Ze mist de kinderen en wil ze graag zien. De vader heeft er eerder alles aan gedaan om de kinderen bij haar weg te halen en doet zich thans anders voor dan dat hij daadwerkelijk is. Er is sprake van ouderverstoting. De moeder vraagt zich af hoe het contact/ de omgang tussen haar en de kinderen – zolang zij bij de vader verblijven – moet worden vormgegeven. Ze staat niet achter de door de Raad geadviseerde BOR, niveau 3, maar als deze door de rechtbank wordt opgelegd dan zal ze daaraan haar medewerking verlenen. Het liefst zou ze echter apart ergens met de kinderen (bijvoorbeeld in een speeltuintje) omgang hebben. Verder is het de vraag of La Luna gelet op de complexe problematiek wel de geëigende instantie is. Ook de situatie op de school te [plaats] is nog pril. Nu er nog veel zaken onduidelijk zijn en niet zeker is wat de toekomst gaat brengen, handhaaft de moeder haar verzoek.

4. De verdere beoordeling

In de zaken met zaaknummers C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170

De GI heeft ter zitting van 31 maart 2021 haar verzoeken betreffende de (wijziging van de) zorgregeling tussen de vader en de kinderen ingetrokken. Er liggen in de zaken met zaaknummers C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170 dan ook geen verzoeken meer voor waarop thans nog door deze rechtbank moet worden beslist.

In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896

Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de moeder om de zorgregeling tussen de vader en de kinderen te wijzigen en een BOR tussen de vader en de kinderen te bepalen, dan wel te bepalen dat er geen omgang zal zijn dan wel een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en het verzoek van de vader om te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hem hebben, dan wel een zodanige een zodanige regeling betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank juist acht.

De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank is ermee bekend dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 16 september 2021 (zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896), voor zover voor deze zaak van belang, heeft bepaald dat de kinderen aan de vader worden toevertrouwd en bij hem zullen verblijven totdat een rechter heeft beslist dat de kinderen niet meer bij de vader zullen verblijven. De rechtbank volgt de Raad dat in deze situatie waarbij de kinderen bij de vader verblijven, voorlopig in het belang van de kinderen geen verandering moet worden gebracht, en dat vanuit hier de komende periode stevig moet worden ingezet op de benodigde hulpverlening voor de ouders en de kinderen alsmede moet worden toegewerkt naar contact(herstel) tussen de kinderen en de moeder. Daarbij ziet de rechtbank het als taak van de nieuwe gezinsvoogdijwerkers (die reeds prille progressie lijken te hebben geboekt, waarbij de kinderen zijn gestart bij La Luna en weer naar school gaan) om de reeds ingezette lijn, waarbij het advies van de Raad als leidraad wordt gebruikt en wordt gewerkt aan de door de Raad gestelde doelen, verder voort te zetten. Voor zover La Luna gelet op de complexe problematiek (en de door de kinderen opgelopen trauma’s) niet afdoende expertise in huis zou hebben, zal een andere zorgaanbieder door de GI betreffende de kinderen betrokken moeten worden. Verder ligt de sleutel tot verbetering van de (reeds jarenlange zeer zorgelijke) situatie bij de ouders. Van hen wordt verwacht dat zij hun verantwoordelijkheid gaan nemen en het belang van hun kinderen voorop gaan stellen, en dat zij zich maximaal zullen inzetten om tot een goede samenwerking met de nieuwe gezinsvoogdijwerkers te komen en de nog in te zetten trajecten, te denken aan het BOR 3-traject en het traject solo-parallel ouderschap, te laten slagen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank iedere beslissing ten aanzien van de voorliggende verzoeken aanhouden voor de duur van acht maanden in afwachting van de aanvullende rapportage van de Raad met definitief advies (waarin de resultaten van de hulpverlening zullen worden betrokken). Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat zij geen (separate) beslissing zal geven ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen aan de vader gelet op voormeld kort geding vonnis, waarbij de kinderen reeds (voorlopig) zijn toevertrouwd aan de vader, en de BOR tussen de moeder en de kinderen, nu er geen daartoe strekkend verzoek ligt waarop de rechtbank kan beslissen.

Partijen zullen nadien door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de Raad en over de wijze waarop de procedure dient te worden voortgezet. Hierbij dient elke partij zich gemotiveerd uit te laten of een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk is of dat op de stukken kan worden beslist.

5. De beslissing

De rechtbank:

houdt in afwachting van de aanvullende rapportage van de Raad met definitief advies, iedere verdere beslissing op de voorliggende verzoeken betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan, pro forma voor de duur van acht maanden;

stelt partijen in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport van de Raad schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de Raad en over de wijze waarop de procedure dient te worden voortgezet.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.T.A.C. Russel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?