RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 21 februari 2022
Zaaknummers: C/03/295821 / FA RK 21-3224
De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen: de moeder,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen: de vader,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
geen advocaat.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Roermond.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen bij de rechtbank op 23 augustus 2021;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vader, ingekomen bij de rechtbank op 25 augustus 2021;
- het F2-formulier van 13 januari 2022, waarbij mr. F.H.M. Belt zich heeft onttrokken als advocaat.
Op 27 januari 2022 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig, maar niet gevoegd, met de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896. In deze laatste zaak zal een aparte beschikking worden gegeven.
Ter zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. Wilhelmus;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordigster van de raad.
Als toehoorder met instemming van partijen was nog aanwezig mr. W.H.P. de Jongh die de vader bijstond in de gelijktijdig behandelde zaak.
2. De feiten
Uit de inmiddels beëindigde buitenhuwelijkse relatie tussen de vader en de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] , op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] .
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen staan sinds 15 mei 2017 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 30 april 2021 verlengd tot 15 mei 2022. Deze beschikking is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 4 november 2021.
Bij kort gedingvonnis van 16 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere bepaald dat de kinderen aan de vader worden toevertrouwd en bij hem zullen verblijven totdat een rechter heeft beslist dat de kinderen niet meer bij de vader zullen verblijven.
Onder zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896 is bij deze rechtbank aanhangig onder meer het verzoek van de vader te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader zal zijn. In deze zaak is ook per heden een beschikking gewezen. De rechtbank heeft hierin ten aanzien van het hoofdverblijf bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen wordt gewijzigd en dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben.
3. Het verzoek en het verweer
De moeder heeft verzocht, na gedeeltelijke intrekking ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat:
- de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de polis van vader tegen ziektekosten verzekerd zijn;
- de vader aan de moeder per direct de ziektekostenpolis doet toekomen;
- de kosten die niet vergoed worden door de zorgverzekering van de moeder door de vader aan de moeder worden vergoed.
De vader heeft verweer gevoerd en verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen. De vader verzoekt als zelfstandig verzoek, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- primair: de moeder te verplichten om voornoemde nota van de orthodontist alsmede eventueel in de toekomst te ontvangen declaraties van zorgverzekeraars voor zorg verleend aan de kinderen, per ommegaande doch uiterlijk binnen 5 dagen na ontvangst, ter declaratie in te dienen bij de zorgverzekeraar en de vergoeding van eventuele nota’s ofwel rechtstreeks aan de zorgverlener te laten uitkeren dan wel na ontvangst van enige vergoeding deze binnen 5 dagen na ontvangst aan de vader over te boeken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijf de nota in te dienen dan wel de vergoeding uit te keren;
- subsidiair: de moeder te verplichten aan de zorgverzekeraar het verzoek te doen de vader op te nemen als contactpersoon voor de kinderen, die namens hen tot declaraties van zorgverleners kan overgaan dan wel het verzoek te doen de polis voor wat betreft de declaratiebevoegdheid te splitsen opdat de vader de declaraties zelfstandig kan indienen;
- meer subsidiair: de moeder te verplichten ervoor zorg te dragen dat de kinderen, per ommegaande, weer “topfit” aanvullend verzekerd zullen zijn/worden.
4. De beoordeling
Meeverzekeren van de kinderen
Uit artikel 2 lid 3 van de Zorgverzekeringswet volgt dat degene die het gezag over een minderjarige, jonger dan achttien jaar, uitoefent ervoor dient te zorgen dat de minderjarige verzekeringsplichtige krachtens een zorgverzekering verzekerd is.
Niet is bepaald bij welke ouder, ingeval van twee gezaghebbende ouders, de minderjarige meeverzekerd dient te worden. Dit is een keuze die door beide partijen gezamenlijk dient te worden gemaakt.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De moeder stelt dat zij sinds de kinderen bij de vader op het adres staan ingeschreven (medio 2020), de vader herhaaldelijk (tevergeefs) heeft gevraagd de kinderen mee te verzekeren op zijn ziektekostenpolis. De vader schakelt zonder overleg met de moeder zorg in voor de kinderen en maakt zonder overleg met de moeder kosten hiervoor die niet volledig vergoed worden door de ziektekostenverzekering van de moeder.
De vader acht het in het belang van de kinderen dat zij bij de moeder meeverzekerd blijven. De moeder is naast de basisverzekering ook aanvullend verzekerd, terwijl de vader alleen de basisverzekering kan bekostigen. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij in het verleden is aangemerkt als wanbetaler en om die reden niet van zorgverzekering kan wisselen en ook geen aanvullende verzekering kan aanvragen. Via de verzekering van de moeder kunnen de kinderen meer zorg (vergoed) krijgen dan alleen de zorg zoals die vergoed wordt uit het basispakket.
Uit de stukken volgt dat de kinderen al sinds medio 2020 bij de vader wonen en ingeschreven staan en zij sindsdien ook geen contact meer met de moeder hebben gehad. Er is geen communicatie tussen ouders. De moeder heeft bovendien onbetwist gesteld dat de vader zonder overleg met (en zonder toestemming van) haar zorg voor de kinderen inschakelt. De vader heeft hiertegen slechts ingebracht dat volgens hem de moeder de zorgverzekering van de kinderen heeft gewijzigd waardoor zij een lagere aanvullende verzekering zouden hebben dan voorheen, waardoor bepaalde kosten nu niet vergoed worden, wat aan de moeder is toe te rekenen. De moeder heeft dit gemotiveerd betwist.
De rechtbank is van oordeel dat aangezien beide ouders met het gezamenlijk gezag belast zijn zij ook gezamenlijk overleg en beslissingen dienen te nemen over in te schakelen zorg voor de kinderen, ongeacht of de zorg al dan niet (volledig) vergoed zal worden. Gebleken is dat de vader niet voorafgaand aan het inschakelen van zorg met de moeder overlegt en ook haar toestemming niet vraagt. De moeder heeft betwist dat zij de (aanvullende) zorgverzekering van de kinderen heeft gewijzigd. Al haar kinderen ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en haar jongste kind) zijn op dezelfde wijze verzekerd. De vader heeft ter zitting desgevraagd nog aangegeven bereid te zijn om de premie voor de hogere aanvullende verzekering voor de kinderen te voldoen aan de moeder. De moeder heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in deze toezegging van de vader.
In tegenstelling tot de vader is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 1:247 BW niet ertoe leidt dat de kinderen verzekerd dienen te zijn bij de ouder waar de meeste kosten vergoed worden en evenmin leidt tot een verplichting van de moeder om de kinderen tegen de hoogst mogelijke aanvullende verzekering bij te verzekeren. Nu de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken bij wie de kinderen meeverzekerd dienen te zijn, er geen sprake is van onderling vertrouwen en communicatie tussen de ouders en de vader de moeder ook niet betrekt of informeert over de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij verzekerd zijn bij de ouder waar zij hun hoofdverblijf hebben, namelijk de vader. De vader dient er dan ook voor zorg te dragen dat de kinderen per direct bij hem op de zorgverzekeringspolis worden meeverzekerd voor ziektekosten. In verband met privacygevoelige informatie van de vader zal de rechtbank niet bepalen dat de vader (een kopie) van de zorgverzekeringspolis van hem waaruit blijkt dat de kinderen meeverzekerd zijn aan de moeder dient over te leggen. Wel zal de rechtbank bepalen dat de vader de moeder onmiddellijk schriftelijk het polisnummer en de naam van zijn zorgverzekeringsmaatschappij dient te verstrekken waarbij de kinderen bij de vader zijn meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum, zodat de moeder dit aan haar zorgverzekering kan doorgeven.
Vergoeding niet vergoede kosten
De moeder heeft verder verzocht te bepalen dat de kosten die niet vergoed worden door de zorgverzekering van de moeder door de vader aan de moeder worden vergoed.
De rechtbank stelt vast dat de moeder, ook nadat zij hierover bevraagd is ter zitting, geen juridische grondslag voor het verzoek heeft gegeven. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. De rechtbank is echter van oordeel dat er voor het verzoek geen juridische grondslag is die kan slagen. Het enige is dat op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een ouder onderhoudsplichtig is jegens zijn kinderen. Tenzij de ouders anders overeenkomen, is het uitgangspunt dat de niet-verzorgende ouder bij voldoende draagkracht zijn eigen aandeel in de kosten van de kinderen beschikbaar stelt aan de andere ouder. De andere ouder dient deze bijdrage te besteden aan de daarvoor in aanmerking komende uitgaven voor de kinderen. De rechtbank stelt een kinderbijdrage op grond van artikel 1:397 BW vast. Bij de bepaling van het volgens de wet verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. De behoefte van de kinderen wordt vastgesteld aan de hand van de tabellen ‘eigen aandeel kosten van kinderen’. In de hierin genoemde tabelbedragen zijn alle normale kosten, zoals die voor voeding en kleding, begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Niet gesteld nog gebleken is dat niet vergoede kosten aangemerkt dienen te worden als extra kosten waarmee de tabelbedragen gecorrigeerd zouden moeten worden.
Ook de niet-verzorgende ouder kan onder omstandigheden een kinderbijdrage verzoeken. Gesteld noch gebleken is dat van dergelijke omstandigheden sprake zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde bepalingen niet als grondslag kunnen dienen voor het voorliggende verzoek van de moeder.
De moeder heeft de kosten die zij vergoed wenst te zien van de vader ook niet onderbouwd met stukken. De rechtbank leidt uit het verzoekschrift af dat het verzoek ziet op de door de moeder genoemde kosten van € 216,- ‘niet vergoede taxikosten’ en de factuur dan wel offerte van de orthodontist, alsmede eventuele toekomstige kosten. Uit de stukken begrijpt de rechtbank dat de vader kennelijk de opdrachtgever is geweest voor de te maken taxikosten en de kosten van de orthodontist. De moeder heeft niet gesteld, noch onderbouwd dat zij de kosten van de taxi intussen heeft betaald, op grond waarvan aan haar wellicht een beroep op ongerechtvaardigde verrijking zou toekomen. Voor wat betreft de kosten van de orthodontist stelt de rechtbank voorop dat de vader alvorens een opdracht aan de orthodontist te verstrekken dit met de gezaghebbende moeder had dienen te bespreken en zij hier eveneens toestemming voor had moeten verlenen. Enerzijds op grond van artikel 1:253a BW, maar dit volgt eveneens uit artikel 7:450 BW. Indien de moeder geen toestemming zou verlenen voor de behandeling, had de vader vervangende toestemming kunnen verzoeken. Aangezien de vader de opdrachtgever is geweest voor het maken van de taxikosten en het aangaan van de overeenkomst met de orthodontist, zonder toestemming van de moeder, is de rechtbank van oordeel dat de moeder geen medeschuldenaar en derhalve niet hoofdelijk aansprakelijk is geworden voor deze kosten. De rechtbank zal het verzoek van de moeder toch afwijzen, omdat de moeder niet heeft gesteld dat zij deze kosten wel al heeft voldaan. Indien de moeder deze kosten niet heeft voldaan, dan is niet duidelijk op grond waarvan de vader deze kosten aan haar zou moeten vergoeden..
De rechtbank zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Primaire verzoek van de vader: indienen en vergoeden nota’s
Ten aanzien van het primaire verzoek van de vader met betrekking tot de indiening van zorgnota’s bij de zorgverzekeraar door de moeder en uitbetaling van de vergoedingen, heeft de vader evenmin een grondslag voor zijn verzoek aangevoerd.
Op grond van artikel 1:253a BW In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De vader heeft gesteld dat de moeder weigert om rekeningen ter zake voor de kinderen gedane uitgaven in het kader van zorgkosten ter declaratie in te dienen bij de zorgverzekeraar.
De moeder heeft aangevoerd dat de vader haar niet (voorafgaand) heeft geïnformeerd over het bezoeken van de orthodontist en er ook geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de ouders. De moeder is pas op de hoogte gekomen toen zij de nota kreeg. De moeder heeft wel met de zorgverzekering gebeld. Er is echter geen medische noodzaak, zo ontbreekt een verwijzing door de tandarts en is de orthodontist in België gevestigd. De moeder beschikt dan ook niet over de benodigde stukken om de nota in te dienen en wil ook niet het risico lopen dat als de kosten niet worden vergoed deze voor haar rekening komen.
Ter zitting heeft de rechtbank de vader erop gewezen dat de nota van de orthodontist, waarvan in het verweerschrift wordt gesteld dat deze als productie 4 is overgelegd, ontbreekt. De rechtbank heeft dan ook niet kunnen vaststellen of de nota betrekking heeft op reeds uitgevoerde zorg of dat dit een offerte voor nog te verrichten zorg betreft.
De vader heeft ter zitting gesteld dat de nota dateert van februari 2021 en dat de betreffende behandeling nog niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank leidt hieruit af dat de nota dan een offerte betreft voor nog uit te voeren zorg.
De vader heeft niet weersproken dat de moeder voorafgaand aan de nota/offerte niet op de hoogte was van het inschakelen van de betreffende orthodontist en de aanvraag van een offerte en dat er geen voorafgaand overleg tussen de ouders hierover heeft plaatsgevonden. De rechtbank concludeert hieruit dat de moeder dan evenmin toestemming heeft verleend voor de te verlenen zorg en de daarmee gemoeid gaande kosten. Nu de toestemming van de moeder voor de behandelovereenkomst met de door de vader ingeschakelde orthodontist ontbreekt en de vader evenmin vervangende toestemming hiervoor verkregen heeft, ontbreekt iedere grondslag voor het verplichten van de moeder tot indiening van de nota/offerte bij de zorgverzekeraar. In tegenstelling tot de vader is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 1:247 BW niet leidt tot een verplichting van de moeder om de nota/offerte van de orthodontist bij de zorgverzekeraar in te dienen. Zoals hierboven onder 4.9. is overwogen bestaat er de mogelijkheid voor de vader om een kinderbijdrage van de moeder te verzoeken om in de kosten van de kinderen te kunnen voorzien. Een dergelijk verzoek is in de onderhavige procedure niet gedaan.
De rechtbank zal het primaire verzoek van de vader dan ook afwijzen.
Subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vader
Aangezien de rechtbank zal bepalen dat de kinderen voor zorgkosten meeverzekerd dienen te worden op de zorgverzekeringspolis van de vader, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vader en zal deze afwijzen.
5. Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vader de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , per direct op zijn zorgverzekeringspolis laat bijschrijven, zodat zij via de zorgverzekering van de vader mee zijn verzekerd tegen zorgkosten;
bepaalt dat de vader aansluitend aan de moeder schriftelijk het polisnummer en de naam van de zorgverzekeringsmaatschappij verstrekt waarop de kinderen bij hem zijn meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum en het polisnummer;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, allen kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.W. Graus, griffier op 21 februari 2022.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.