RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 21 februari 2022
Zaaknummer: C/03/278317 / FA RK 20-1896
De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen: de moeder,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen: de vader,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Roermond.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.
Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door deze rechtbank gegeven en op
10 juli 2020, 8 juni 2021 en 11 januari 2022 uitgesproken beschikkingen.
1. Het verder verloop van de procedure
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 januari 2022 de zaak in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de meervoudige familiekamer van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht.
Op 27 januari 2022 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig, maar niet gevoegd, met de zaak met zaaknummer C/03/295821 / FA RK 21-3224. In deze laatste zaak zal een aparte beschikking worden gegeven.
Ter zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door mr. Wilhelmus;
- de vader, bijgestaan door mr. de Jongh;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordigster van de raad.
2. De beschikking van 8 juni 2021
Bij beschikking van 8 juni 2021 is iedere verdere beslissing op de verzoeken betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in afwachting van de aanvullende rapportage van de raad met een definitief advies, aangehouden. Partijen zijn verder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na ontvangst van het rapport van de raad schriftelijk te reageren.
3. Het advies van de raad
De raad heeft in het raadsrapport van 4 november 2021 de rechtbank geadviseerd om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen. Verder adviseert de raad om de moeder de uitoefening van het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met de kinderen voor de duur van een jaar te ontzeggen, omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.
Voor wat betreft het hoofdverblijf van de kinderen is de raad van mening dat ondanks dat er ook in de opvoedingssituatie bij de vader aandachtspunten blijven, de vader goed voor de kinderen zorgt en zij zich veilig voelen bij hem. Gelet op de huidige situatie is een verblijf van de kinderen bij de moeder, nu en in de nabije toekomst, niet realistisch en niet haalbaar, waardoor dit volgens de raad niet in het belang van de kinderen moet worden geacht.
Ten aanzien van de verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken is de raad nog steeds van mening dat deze uiteindelijk vorm moet krijgen door middel van een BOR niveau 3. Op dit moment is het nog te vroeg om dit middel in te zetten en zal er eerst hulpverlening voor alle betrokkenen (in ieder geval voortzetting van de hulpverlening voor de kinderen met betrokkenheid van beide ouders en mogelijk alsnog inzet van solo parallel ouderschap) nodig zijn om een uitgangssituatie te bewerkstellingen van waaruit een BOR voldoende kans van slagen heeft. De GI zal hiervoor een plan van aanpak moeten maken en de voortgang van de hulp moeten monitoren. De raad schat in dat de weg van de geleidelijkheid hierbij meer kans van slagen heeft dan het afdwingen van contact door middel van een juridische procedure.
4. Gewijzigd verzoek van de moeder
De moeder heeft bij brief van 2 december 2021 gereageerd op het rapport van de raad. De moeder is van mening dat op relatief korte termijn gestreefd moet worden naar contactherstel tussen haar en de kinderen. De moeder heeft haar verzoek vervolgens gewijzigd in die zin dat zij de rechtbank verzoekt om een begeleide omgang op te leggen tussen de moeder en de kinderen (BOR 3 regeling) dan wel een zorgregeling in goede justitie te bepalen, althans een beslissing in goede justitie te nemen op haar verzoeken.
5. De beoordeling
Ter beoordeling liggen nog voor de (zelfstandige) verzoeken van de ouders ter zake – kort gezegd – wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling).
Wijziging hoofdverblijf
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Zoals hierboven weergegeven heeft de raad geadviseerd om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen.
De moeder heeft ter zitting, zo begrijpt de rechtbank, zich bij het advies van de raad met betrekking tot het hoofdverblijf van de kinderen neergelegd.
De vader heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met het advies van de raad.
De rechtbank is met de raad van oordeel dat het in het belang is van de kinderen dat zij voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Daarbij overweegt de rechtbank dat het van belang is dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie, nu de kinderen al sinds juli 2020 onafgebroken bij de vader verblijven. Daarbij is, zoals de raad ook reeds heeft aangevoerd, niet te verwachten dat de kinderen nu dan wel in de nabije toekomst terug naar de moeder zullen kunnen gaan.
De rechtbank zal het verzoek van de vader ten aanzien van de wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem dan ook toewijzen.
Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:
De vader heeft als gezaghebbende ouder bij wie de kinderen wonen en hun hoofdverblijfplaats hebben, terwijl de kinderen vooralsnog geen contact met de moeder hebben, de plicht om de andere gezaghebbende ouder, de moeder, te informeren over de ontwikkeling van de kinderen. Die informatie dient dan onder andere betrekking te hebben op schoolprestaties, medische aangelegenheden en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Gezagsbeslissingen zullen met toestemming van beide ouders genomen moeten worden. In het geval een van de gezaghebbenden ouders de toestemming niet verleent, staat het de andere ouder vrij om de rechtbank vervangende toestemming te vragen.
De rechtbank verwacht van de vader dat hij zijn wettelijke verplichting jegens de moeder zal nakomen.
Zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter kan eveneens op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De raad had in het rapport van 27 november 2020 aangegeven van mening te zijn dat het contact met de moeder zo spoedig mogelijk moet worden hersteld en had geadviseerd om een BOR3 te bepalen. In dat rapport staat dat [minderjarige 1] toen ook al voorlopig geen contact met de moeder wilde. [minderjarige 2] zei toen nog dat als er niets verandert bij de moeder, hij niet weet of hij nog naar de moeder wil gaan, maar dat als de moeder normaal wil doen, hij wil gaan.
Uit het rapport van de raad van 4 november 2021 volgt dat [minderjarige 2] tegen de raad heeft gezegd dat hij de moeder niet mist en dat het hem ook niet zoveel uitmaakt als hij haar niet meer zou zien. [minderjarige 1] geeft aan dat zij helemaal geen contact meer met de moeder wil hebben. De vader heeft ten opzichte van de raad aangegeven, en ter zitting bevestigd, dat hij geen rol voor de moeder ziet in het leven van de vader en beide kinderen. Volgens de vader is de moeder incompetent als moeder. De vader ziet ook, volgens het rapport, geen mogelijkheden tot contactherstel tussen de moeder en de kinderen in de vorm van een BOR3.
Ter zitting heeft de raad het advies in het rapport van 4 november 2021 gehandhaafd. De raad vindt het belangrijk dat er eerst rust en stabiliteit komt voor de kinderen en dat hulpverlening wordt ingezet. Vervolgens kan dan bekeken worden hoe het met de kinderen gaat. De termijn van een jaar is een inschatting. Als er toegewerkt gaat worden naar contactherstel, dan dient dat te gebeuren via een BOR3. De GI dient te beoordelen of en wanneer dit kan worden ingezet. De raad is van mening dat wel duidelijk is dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat de GI de raad niet in zijn advies volgt. Er is geprobeerd naar contactherstel te werken maar dat is niet gelukt. De GI heeft een aantal maanden geleden voorgesteld een zorgaanbieder in te schakelen die meer expertise heeft op het gebied van trauma, maar de vader wilde hier niet aan meewerken. De GI zou graag zien dat er onderzoek wordt gedaan naar de vraag of er sprake is van ouderonttrekking en trauma(’s) en welke mogelijkheden tot contactherstel er zijn, eventueel nadat hulpverlening is ingeschakeld, en dat ten aanzien hiervan een gedegen en onderbouwd advies wordt gegeven waarmee de GI aan de slag kan gaan. De GI heeft eerder voorgesteld dat onderzoek door Plinthos te laten uitvoeren.
De vader sluit zich ter zitting aan bij het advies van de raad, dat het contact tussen de moeder en de kinderen gedurende een jaar wordt ontzegd. Via La Luna krijgen de kinderen al traumatherapie en de vader coaching. Mevrouw Groebbé van La Luna is een vertrouwenspersoon voor de kinderen. Als er nader onderzoek moet komen, is zij bereid om de kinderen daarin te begeleiden. Belangrijk is dat de kinderen nu rust krijgen. De kinderen zijn ook heel stellig in hun mening dat zij geen contact met de moeder willen. Als er vervolgens toch contacten zouden moeten komen, zal dat een averechts effect hebben op de kinderen. De vader steunt de kinderen in hun wensen. Dat de kinderen geen contact willen komt door de moeder. Volgens de vader is de moeder het probleem. Als alle lichten op groen staan en er dingen zijn veranderd, kan er gekeken worden of de kinderen dan contact willen. De vader is ervaringsdeskundige en kan beoordelen of de lichten op groen staan. De raad kan daarbij meekijken. In de GI heeft de vader weinig vertrouwen. De GI is volgens de vader niet geschikt om te beoordelen of er contactherstel moet komen. Van ouderontkenning is geen sprake.
De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij heel graag wil dat er een BOR 3 wordt opgestart. Ook in dit traject wordt eerst onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van contactherstel en hoe dit kan worden opgestart. Ook zal er dan gekeken moeten worden naar de vraag of er sprake is van ouderverstoting en waar het trauma van [minderjarige 1] vandaan komt. De moeder betwijfelt of La Luna in deze nog wel onafhankelijk genoeg is om dat onderzoek te doen. De moeder vreest dat als er nog een jaar gewacht wordt met het opstarten van contactherstel, er in het geheel geen mogelijkheden meer zijn.
De rechtbank overweegt als volgt:
De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat de kinderen geen contact hebben met hun moeder. Onduidelijk is waar dit vandaan komt. De kinderen hebben de moeder al ruim 1,5 jaar niet meer gezien of gesproken. [minderjarige 1] was toen 10 jaar en [minderjarige 2] 8 jaar.
Voor kinderen is het echter in het algemeen voor hun identiteits- en sociaal-emotionele ontwikkeling van groot belang dat zij, ook nadat hun ouders uit elkaar zijn gegaan, beide ouders in hun leven hebben, waarbij zij als zij bij de ene ouder wonen met de andere ouder onbelast contact kunnen hebben. In deze zaak heeft de rechtbank geconstateerd dat de kinderen na eerst hoofdverblijf te hebben gehad bij de moeder en een contactregeling met de vader thans de moeder volledig lijken af te wijzen, hetgeen voor de raad reden is geweest de rechtbank te adviseren het hoofdverblijf bij de vader te bepalen en voorlopig geen contact tussen de moeder en de kinderen te bepalen doch dit aan te houden zodat mogelijk na de benodigde hulpverlening daarna door middel van een BOR 3 aan contact herstel kan worden gewerkt.
Het gerechtshof heeft in de beschikking van 4 november 2021 grote zorgen geuit over de opstelling van de vader ten aanzien van contactherstel en de rechtbank deelt die zorgen. Ook vanuit de GI zijn er grote zorgen geuit ter zitting van 27 januari 2022. Bij de rechtbank is het beeld ontstaan dat er sprake is van ouderverstoting nu de vader geen ruimte ziet voor de moeder in het leven van de kinderen en de kinderen zich, in verhouding met de eerdere rapportage van de raad, verder afgekeerd hebben van de moeder. Door deze verder geëscaleerde verharding van de kinderen, die zeer zorgelijk is voor hun ontwikkeling, ziet de rechtbank niet dat de thans ingezette hulpverlening daar een verandering in kan brengen bij de kinderen en de vader, zodat de rechtbank nog niet tot een definitieve beslissing kan komen.
Voor de rechtbank staat bij de te nemen beslissing over de vraag of het contact met de moeder tijdelijk moet worden ontzegd of door middel van een BOR 3 kan worden opgestart, voorop dat de kinderen hun beide ouders weer in hun leven kunnen krijgen en houden.
De rechtbank acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Ter zitting is gesproken over de mogelijkheid een onderzoek in te stellen naar enerzijds ouderverstoting, waarbij gekeken zou moeten worden naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de moeder en de kinderen en waar ook aandacht is voor traumaverwerking bij de kinderen. Beide ouders hebben desgevraagd aangegeven dat zij aan een dergelijk onderzoek zullen meewerken. De rechtbank is van oordeel dat in het belang van de kinderen moet worden onderzocht of contactherstel met de moeder in hun belang is, en zo ja: welke hulpverlening in dat hersteltraject noodzakelijk is. Tijdens de zitting is Plinthos genoemd als instantie die dit onderzoek (al dan niet in het kader van een BOR3) zou kunnen uitvoeren. De rechtbank zal echter het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzoeken onderzoek te doen.
De rechtbank acht het, om de vraag te beantwoorden welke contactregeling voor de kinderen de meest wenselijke is, nodig om via het hierna te noemen onderzoek meer inzicht te krijgen in het functioneren van de ouders. De rechtbank beoogt daarmee antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre beide ouders in staat zijn de andere ouder een rol in het leven van de kinderen te geven en in hoeverre de ouders betreffende de zorgregeling de kinderen kunnen stimuleren en in staat stellen om onbelast contact met de andere ouder te hebben, welke belemmeringen mogelijk een rol kunnen spelen en of, en zo ja welke, hulpverlening eventueel nodig is.
Tijdens dit onderzoek kan ook onderzocht worden in hoeverre in dit systeem parallel ouderschap tot de mogelijkheden hoort en hoe ook de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kan worden opgeheven. De rechtbank heeft deze mogelijkheid niet ter zitting met de ouders en overige betrokkenen besproken, maar de rechtbank acht het aangewezen dat ook deze mogelijkheid bij het onderzoek meegenomen wordt.
De rechtbank acht het dan ook in het belang van de kinderen en, gelet op de overige betrokken belangen, aangewezen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar voornoemde kwesties alvorens verder te beslissen over de verzochte contactregeling. De rechtbank zal het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (verder te noemen: het NIFP) verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te laten verrichten en in dat kader advies uit te brengen.
De rechtbank is voornemens de volgende vraagstelling aan de door de rechtbank te benoemen deskundige voor te leggen:
1. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de ouders te beschrijven?
- op basis van klinische impressies;
- op basis van psychologisch testonderzoek.
2. Hoe kan het verstandelijke vermogen van de ouders beschreven worden?
- op basis van klinische impressies;
- op basis van psychologisch testonderzoek.
3. Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis die een onderzoek door een psychiater noodzakelijk maakt om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?
4. Hoe is de relatie tussen de ouders op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan/omgingen? Welke belemmeringen worden hierbij geconstateerd en welke mogelijkheden zijn er om tot een verbetering daarvan te komen?
5. Zijn er (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de vader en/of de moeder, mede gelet op eventuele psychische en/of psychiatrische problematiek bij de vader en/of de moeder en/of kinderen?
6. Wat is er te zeggen over de relatie tussen de vader en de kinderen - op basis van klinische impressie - eventueel op basis van de observaties tijdens de interactieobservaties?
In hoeverre werken eventuele psychiatrische dan wel psychische problemen belemmerend in het pedagogisch en affectief handelen van de vader ten opzichte van de kinderen en in zijn mogelijkheden om mee te werken aan contact tussen moeder en de kinderen dan wel de kinderen te stimuleren in het contact met hun moeder?
7. Wat zijn de ontwikkelingsbehoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
8. Zijn er mogelijkheden tot contact herstel en indien ja, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn? Is er daarbij nog verschil te maken tussen de kinderen onderling?
9. In hoeverre kunnen de vader en de moeder een zorgregeling met de kinderen vormgeven en hanteren? Zijn er in dat verband contra-indicaties en verschilt dit per kind?
10. In hoeverre kunnen de vader en de moeder de kinderen ondersteunen in de zorgregeling met de andere ouder? Is hulpverlening hierbij aangewezen?
11. Wat zijn (contra)indicaties op het gebied van hulpverlening, begeleiding en behandeling? - indien er indicaties zijn voor hulpverlening, begeleiding en behandeling: aan welke vorm wordt hierbij gedacht?
- op wie zou deze hulpverlening, begeleiding en behandeling gericht moeten zijn?
- wat zou de doelstelling van deze hulpverlening, begeleiding en behandeling moeten zijn?
- in hoeverre zijn de ouders in staat en bereid van hulpverlening te profiteren?
12. In hoeverre behoort parallel ouderschap tot de mogelijkheden?
13. Wat moet er gebeuren om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen op te heffen?
14. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen en/of bij eventueel te nemen beslissingen?
De rechtbank zal het NIFP vragen om binnen een termijn van drie weken na dagtekening van deze beschikking een deskundige voor te stellen, eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige (meer) aangewezen is voor het onderzoek dan de rechtbank voor ogen staat, en de kosten van het onderzoek te begroten. Indien voor toewijzen van het onderzoek meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP de rechtbank schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren. Indien het NIFP eerst nadere informatie nodig heeft, kunnen partijen kenbaar maken of en welke bezwaren bestaan tegen de verstrekking van de aanvullende gegevens die het NIFP nodig heeft.
De rechtbank zal het bericht van het NIFP doorzenden aan partijen. Partijen kunnen daarna binnen veertien dagen laten weten of de door de rechtbank voorgestelde vragen in hun visie nog aanvulling behoeven, wat hun zienswijze is ten aanzien van de eventuele aanvulling van het NIFP op dat punt en of bezwaar bestaat tegen de benoeming van de deskundige die door het NIFP wordt voorgedragen en de kosten van het onderzoek.
De rechtbank laat aan de deskundige de inrichting van het onderzoek over, met dien verstande dat hij/zij de 'leidraad deskundige in civiele zaken' in acht dient te nemen, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen ten laste van 's Rijks kas door de griffie aan de deskundige betaald. De rechtbank tekent hierbij aan dat het NIFP, dan wel de voorgestelde deskundige de kosten van het onderzoek vooraf dient te begroten en de rechtbank daarvan een bevestiging dient te sturen, alvorens het onderzoek te starten.
De rechtbank zal bij de nader te geven tussenbeschikking overgaan tot benoeming van een deskundige ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.2.16. geformuleerde, eventueel nog aan te passen, vragen.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij op grond van artikel 284 jo 198 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door een deskundige. Wanneer de medewerking wordt geweigerd, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die de rechtbank geraden acht en zal de rechtbank op basis van de huidige stukken een beslissing over de verzoeken nemen.
De rechtbank zal in afwachting van het deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking rechtbank Rotterdam van 1 maart 2016 (zaaknummer C/10/463865 / FA RK 14-9513) voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] , op [geboortedatum 1] 2010 en
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] , op [geboortedatum 2] 2012,
en bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie,
postadres:
Postbus 870,
8000 AW Zwolle
bezoekadres:
Schuurmanstraat 2
8011 KP Zwolle
telefoon: 088-0710600
om een onafhankelijk deskundige voor te dragen voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.2.16. vermelde vragen;
verzoekt het NIFP de rechtbank binnen drie weken te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 5.2.17.;
stelt partijen in de gelegenheid om te reageren op hiervoor bedoelde informatie van het NIFP als bedoeld in rechtsoverweging 5.2.18.;
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te doen komen aan het NIFP;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, allen kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.W. Graus, griffier op 21 februari 2022.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.