ECLI:NL:RBLIM:2023:278

ECLI:NL:RBLIM:2023:278, Rechtbank Limburg, 12-01-2023, ROE 21/782

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 12-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROE 21/782
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 3 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002471 BWBR0005537 BWBR0017745 BWBR0033471 BWBR0043340 BWBR0043709 BWBR0044201

Samenvatting

Vaststelling NOW-1. De definitieve subsidie is correct berekend, maar de toepassing van de rekenmethode pakt onevenredig uit voor eiseres. De rechtbank oordeelt dat het belang van eiseres in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang van de minister. Hoewel de NOW-1 dat strikt genomen niet toelaat, ziet de rechtbank toch ruimte voor de minister om het loon van de per 1 maart 2020 vrijwillig vertrokken medewerker buiten beschouwing te laten bij het bepalen van de referentie-loonsom. Gelet op het feit dat het vertrek van deze werknemer niet corona-gerelateerd was, acht de rechtbank een negatieve prikkel ten aanzien van eiseres niet op zijn plaats. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:46

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1)

Artikel 6. Omzetdaling

1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de

periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De

uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.

2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is

a. de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier, indien er sprake is van een werkgever

waarvan de bedrijfsuitoefening uiterlijk op 1 januari 2019 is aangevangen; of

b. indien onderdeel a niet van toepassing is, de omzet, gerealiseerd in de periode vanaf de eerste

kalendermaand na de dag van aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020,

gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.

3. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.

4. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b

van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het derde lid, uitgegaan van de

omzetdaling van de groep zoals deze op 1 maart 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een

dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk

Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling

behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste

zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen,

alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.

5. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de periode, bedoeld in

artikel 8, vierde lid, onderdeel c, en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de

betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

1. De hoogte van de subsidie is de uitkomst van:

A x B x 3 x 1,3 x 0,9

Hierbij staat:

A voor het percentage van de omzetdaling;

B voor de constante B*, zoals berekend op grond van artikel 10, met dien verstande dat:

a. de loonsom wordt verminderd met de uitkeringen die het UWV over het gehanteerde

aangiftetijdvak door tussenkomst van de werkgever heeft uitbetaald, voor zover die uitkeringen

in de loonsom zijn inbegrepen;

b. de uitbetaling van vakantiebijslag in het gehanteerde aangiftetijdvak niet wordt meegenomen

bij de vaststelling van de loonsom, met uitzondering van de uitbetaling van vakantiebijslag

door de werkgever die geen vakantiebijslag voor de werknemer reserveert, als bedoeld in

artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen;

c. de loonsom wordt vermenigvuldigd met 0,926, indien de werkgever geen vakantiebijslag voor

de werknemer reserveert, als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen; en

d. de maximering van het loon per werknemer tot € 9.538 per tijdvak van een maand, bedoeld in

artikel 10, plaatsvindt na toepassing van de onderdelen a tot en met c.

2. Indien de loonsom bedoeld onder de constante C lager is dan driemaal de loonsom als bedoeld

onder de constante B in het eerste lid, wordt de subsidie verlaagd met:

(B x 3 – C) x 1,3 x 0,9

Hierbij staat:

B voor de constante B, zoals berekend op grond van het eerste lid;

C voor de loonsom over de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020, met dien verstande dat het

bepaalde onder het eerste lid, constante B, van overeenkomstige toepassing is, waarbij het in

aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan € 9.538 per aangiftetijdvak van

een maand en de gehanteerde aangiftetijdvakken het derde tot en met het vijfde aangiftetijdvak

van het jaar 2020 zijn.

3. Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen,

wordt de loonsom, bedoeld in het tweede lid, constante C, verhoogd met 8,33 procent. Artikel 10,

vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de

bepaling van de constante C worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk

op 19 juli 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben

plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld,

kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling

van de loonsom, bedoeld in het tweede lid, constante C.

5. Indien de werkgever na 17 maart 2020 een verzoek om toestemming heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst van één of meer werknemers op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de subsidie verlaagd met: D x 1,5 x 3 x 1,3 x 0,9

Hierbij staat D voor het loon dat de werknemers, bedoeld in de eerste zin, hebben ontvangen, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, constante B.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover de werkgever het verzoek om toestemming heeft ingetrokken binnen vijf werkdagen:

a. na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, indien het verzoek om toestemming

voor dat tijdstip is gedaan; of

b. nadat het verzoek is ingediend.

Artikel 10. Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening

1. De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van:

A* x B* x 3 x 1,3 x 0,9

Hierbij staat:

A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling;

B* voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de

werkgever het loon heeft uitbetaald in het tijdvak, bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, met

dien verstande dat het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan

€ 9.538.

2. Voor de loonsom, bedoeld in de omschrijving van de constante B*, bedoeld in het eerste lid, wordt

uitgegaan van het loon over het eerste aangiftetijdvak van het jaar 2020, met dien verstande dat

indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt

verhoogd met 8,33 procent.

3. Indien er geen loongegevens zijn over het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgegaan van

het loon over de maand november van het jaar 2019. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak

van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het twaalfde aangiftetijdvak van het jaar 2019,

waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent.

4. Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per

werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand.

5. De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de

bepaling van constante B*, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de

loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 maart 2020 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die

uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden.

Artikel 13. Verplichtingen

Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de werkgever is verplicht de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;

b. de werkgever doet na 18 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst

op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk

Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend;

c. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten;

d. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de

Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over

de subsidieverlening;

e. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de

subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent desgevraagd tot vijf

jaar na de datum van vaststelling van de subsidie inzage in deze administratie;

f. de werkgever doet de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 op de voorgeschreven momenten;

g. de werkgever meldt onverwijld en schriftelijk aan de Minister indien zich andere omstandigheden

voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling

van de subsidie;

h. de werkgever overlegt na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve

opgave van de omzetdaling met daarbij een accountantsverklaring van een accountant als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep;

i. indien aan de werkgever loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is

verleend, informeert de werkgever het college van burgemeester en wethouders dat de loonkostensubsidie heeft verleend, over de subsidieverlening op grond van deze regeling;

j. de werkgever werkt tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie, onder meer door het

verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of

namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen

die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, de

vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister.

Artikel 14. Subsidievaststelling

1. De werkgever vraagt binnen 24 weken na afloop van de aaneengesloten periode van drie

maanden, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, de vaststelling van de subsidie aan door

middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 8, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Bij de aanvraag van de vaststelling worden in ieder geval meegezonden:

a. de definitieve gegevens over de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid,

onderdeel c, alsmede documentatie en informatie waaruit dit blijkt;

b. de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 13, onderdeel h; en

c. een verklaring dat voldaan is aan de in artikel 13, onderdelen a en c tot en met j, genoemde

verplichtingen.

3. De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7.

4. De Minister stelt de subsidie vast binnen 22 weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in

het eerste lid.

Artikel 15. Terugvordering

Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot

geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of

voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, is

voldaan.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2023012506 FutD 2023-0313
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?