RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Vonnis van 21 mei 2025
in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/03/319284 / HA ZA 23-272 van
1. [eiser sub 1]
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , dan wel tezamen te noemen: [eisers] ,
advocaat mr. F.R. Hage,
tegen
[gedaagde, eiser in de vrijwaring] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde, eiser in de vrijwaring] ,
advocaat mr. T.J. Wittendorp,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/03/323515 / HA ZA 23-468 van
[gedaagde, eiser in de vrijwaring] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eiser,
hierna in vrijwaring eveneens te noemen: [gedaagde, eiser in de vrijwaring] ,
advocaat mr. T.J. Wittendorp,
tegen
[gedaagde in de vrijwaring] .,
wonende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde in de vrijwaring] ,
advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedures – voor zover relevant – blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 maart 2025,- de akte uitlaten van [eisers] (mr. Hage) van 2 april 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. Het verzoek ex artikel 337 lid 2 Rv
[gedaagde, eiser in de vrijwaring] heeft, in het geval de rechtbank zijn verzoek tot herstel dan wel aanvulling van het tussenvonnis van 12 februari 2025 zou afwijzen, de rechtbank verzocht tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 12 februari 2025 toe te staan. Het onderhavige verzoek van [gedaagde, eiser in de vrijwaring] houdt in dat nog voordat de rechtbank het deskundigenonderzoek (definitief) in de hoofdzaak gelast, al in hoger beroep de vraag moet worden beoordeeld of ook in de vrijwaringszaak een deskundigenonderzoek, gelijk in de hoofdzaak, moet worden gelast. Volgens [gedaagde, eiser in de vrijwaring] moet ook [gedaagde in de vrijwaring] (als partij) bij een te gelasten deskundigenonderzoek worden betrokken. [gedaagde, eiser in de vrijwaring] acht het om proceseconomische redenen wenselijk dat in beide procedures gelijktijdig het deskundigenonderzoek wordt gelast.
[eisers] hebben bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [gedaagde, eiser in de vrijwaring] ex artikel 337 lid 2 Rv – onder andere – omdat tussentijds hoger beroep een onredelijke en onaanvaardbare vertraging van het geding in de hoofdzaak zou opleveren.
[gedaagde in de vrijwaring] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen akte uitlaten genomen.
3. De beoordeling in het incident
De rechtbank stelt allereerst vast dat de voorwaarde waaronder [gedaagde, eiser in de vrijwaring] het verzoek ex artikel 337 lid 2 Rv heeft gedaan, is vervuld. Bij tussenvonnis van 19 maart 2025 is zijn verzoek om verbetering respectievelijk aanvulling van het vonnis van 12 februari 2025 afgewezen. De rechtbank stelt vervolgens vast dat [gedaagde, eiser in de vrijwaring] zijn verzoek ex artikel 337 lid 2 Rv binnen de beroepstermijn en derhalve tijdig heeft gedaan.
De rechtbank zal tussentijds hoger beroep niet openstellen, nu zij in de, in het verzoek van [gedaagde, eiser in de vrijwaring] aangedragen argumenten onvoldoende grond ziet om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat van een tussenvonnis geen tussentijds hoger beroep open staat (artikel 337 lid 2 Rv). De rechtbank herhaalt hetgeen zij bij tussenvonnis van 19 maart 2025 heeft overwogen (rov. 2.3.), namelijk dat zij in praktische zin zich iets bij de wens van [gedaagde, eiser in de vrijwaring] en [gedaagde in de vrijwaring] om [gedaagde in de vrijwaring] bij het onderzoek van de deskundige aanwezig te laten zijn, kan voorstellen, doch dat er formeel daarbij geen rol voor [gedaagde in de vrijwaring] is weggelegd, omdat het deskundigenbericht enkel in de hoofdzaak (in het kader van een bewijsopdracht in de hoofdzaak aan [eisers] ) zal worden bevolen.
De zaak zal gelet hierop worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt, zoals hierna bepaald. Dat betekent concreet dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 augustus 2025 voor vonnis in de hoofdzaak.
4. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak
wijst het verzoek van [gedaagde, eiser in de vrijwaring] om hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 12 februari 2025 af,
in de hoofdzaak
verstaat dat de procedure in de hoofdzaak zal worden voortgezet, in die zin dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 augustus 2025 voor vonnis,
in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.
CM