ECLI:NL:RBLIM:2025:7409

ECLI:NL:RBLIM:2025:7409, Rechtbank Limburg, 12-02-2025, C/03/319284 / HA ZA 23-272 en C/03/323515 / HA ZA 23-468

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 12-02-2025
Datum publicatie 13-08-2025
Zaaknummer C/03/319284 / HA ZA 23-272 en C/03/323515 / HA ZA 23-468
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2025:11848
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

Tussenvonnis. De rechtbank kondigt een deskundigenonderzoek aan.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

vonnis

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 12 februari 2025

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/03/319284 / HA ZA 23-272 van

1. [eiser 1] en

2. [eiseres],

te [woonplaats 1] ,

eisers,

hierna te noemen: [eiser 1] en [eiseres] , dan wel tezamen te noemen: [eisers] ,

advocaat mr. F.R. Hage,

tegen

[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

advocaat mr. T.J. Wittendorp,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/03/323515 / HA ZA 23-468 van

[eiser 2] ,

te [woonplaats 3] ,

eiser,

hierna in vrijwaring eveneens te noemen: [eiser 2] ,

advocaat mr. T.J. Wittendorp,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen.

1. De procedure in de hoofdzaak

Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

het vonnis in incident van 30 augustus 2023,

de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] met de productie 3 ,

de akte houdende producties, waarbij [eisers] de producties 17 tot en met 20 in het geding heeft gebracht,

de akte houdende aanvullende productie, waarbij [gedaagde 1] een productie in het geding heeft gebracht, die als productie 6 doorgenummerd is,

de brief van 29 mei 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 24 september 2024, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd,

de brief uitlaten proces-verbaal van [eisers] van 2 oktober 2024.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in de hoofdzaak

Constructeur [naam contructeur] (hierna: “de constructeur”) heeft op 30 juni 2020 een statische berekening gemaakt met betrekking tot de nieuw te bouwen woning, gelegen aan het [perceel] te [plaats] , kavel [kavelnummer] (overgelegd als productie 19 door [eisers] ).

[eisers] , als opdrachtgevers, hebben op 6 september 2020 met [gedaagde 1] , als aannemer, een overeenkomst van aanneming van werk gesloten (overgelegd als productie 1 bij dagvaarding). Partijen zijn daarbij overeengekomen dat [gedaagde 1] in opdracht van [eisers] de totale ruwbouw (hierna: “de ruwbouw”) van voornoemde nieuwbouwwoning (hierna: “de woning”) zal realiseren tegen een door [eisers] in vier termijnen te betalen aanneemsom van € 36.300,00 (inclusief btw). Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde 1] dakbedekking op het platte dak zal aanbrengen voor een bedrag van € 27.273,40 inclusief btw.

De werkzaamheden aan het dak van de woning zijn door [gedaagde 2] (hierna: “ [gedaagde 2] ”) uitgevoerd.

De bouw van de ruwbouw is gestart op 12 oktober 2020. De constructeur heeft op 20 oktober 2020 de statische berekening van 30 juni 2020, vanwege een wijziging in het gewicht van de kanaalplaatvloer, aangepast (eveneens overgelegd als productie 19 door [eisers] ). De kanaalplaatvloer is op 9 december 2020 gelegd. In januari of februari 2021 is [gedaagde 2] begonnen met de werkzaamheden aan het dak.

[gedaagde 1] heeft zijn werkzaamheden aan de woning in mei 2021 beëindigd, waarna [eisers] ook de laatste termijn hebben voldaan.

[eisers] bewonen de woning sedert juni 2021. Zij hebben in oktober 2021 bij [gedaagde 1] melding gemaakt van een lekkage. In opdracht van [eisers] heeft de firma [bedrijfsnaam 1] op 9 november 2021 een visuele lekdetectie/vochtinspectie uitgevoerd. Bij dit onderzoek waren [eisers] aanwezig. Het rapport van die inspectie is door [eisers] overgelegd als productie 2 bij dagvaarding.

[gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] op 9 november 2021 en op 3 december 2021 (nood)reparaties aan het dak van de woning en de stadsuitloop laten uitvoeren.

De firma [firmanaam] (hierna: “ [firmanaam] ”) heeft op 6 december 2021 in opdracht van [eisers] het dak van de woning onderzocht en van die inspectie een rapport opgesteld, gedateerd 17 december 2021. Bij het onderzoek door [firmanaam] waren [eisers] en [naam 1] van [bedrijfsnaam 2] aanwezig.

[eisers] hebben op 22 december 2021 een aansprakelijkstelling verzonden aan [gedaagde 1] . In die brief wordt, voor zover relevant, onder andere vermeld:

(…) Middels dit schrijven willen wij Bouwonderneming [gedaagde 1] (…) aansprakelijk stellen voor de schade aan ons dak.

Het dak heeft meerdere gebreken en is niet conform de richtlijnen uitgevoerd, waardoor wij schade hebben geleden, dit is voor ons onacceptabel en zijn dan ook van mening dat het dak, voor uw kosten, opnieuw gemaakt moet worden volgens de voorwaarden. (...)

Tevens stellen wij u aansprakelijk voor alle geleden gevolgschade, de nu nog niet zichtbare schade, en alle bijkomende kosten om deze schade naar behoren te herstellen. (…)

Eind december 2021 is [gedaagde 1] met [gedaagde 2] op het dak geweest.

[eisers] hebben op 31 januari 2022 [gedaagde 1] in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 14 dagen na 31 januari 2022 de verplichtingen uit de aanneemovereenkomst in het geheel na te komen.

[gedaagde 1] heeft [eisers] en [firmanaam] op 4 februari 2022 bericht dat hij [firmanaam] opdracht zal geven tot een inspectie, met als voornaamste doel te onderzoeken of er vocht tussen de onderkant van de isolatie en de betonnen onderconstructie zit alsmede de detaillering van de aangebrachte dakbedekking te onderzoeken.

[firmanaam] heeft [eisers] op 8 februari 2022 bericht dat het doel van [firmanaam] is om ervoor te zorgen dat er geen overlast meer zal zijn door dakbedekkingswerkzaamheden en dat [eisers] een langdurig waterdicht dak krijgen.

In opdracht van [gedaagde 1] heeft [firmanaam] , in de persoon van [naam 2] , op 3 maart 2022 een (destructief) onderzoek naar de dakbedekkingsconstructie van het woonhuis uitgevoerd en van haar onderzoek een rapport opgesteld, gedateerd 14 maart 2022.

[eisers] hebben bij de dagvaarding van 12 juni 2023 de verbintenis van [gedaagde 1] tot nakoming omgezet in een tot vervangende schadevergoeding.

3. Het geschil in de hoofdzaak

[eisers] stellen – samengevat – dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst ter zake het aanbrengen van de dakbedekking.

[eisers] voeren onder andere bij dagvaarding, meer specifiek onder randnummer 8, aan dat ook na de tweede rapportage van [firmanaam] de vochtophopingen onder de dakbedekking schrikbarend zijn toegenomen en dat dit tot lekkages leidt. [eisers] stellen – onder verwijzing naar de rapporten van [firmanaam] – dat het dak volledig moet worden vervangen.

[eisers] hebben op de mondelinge behandeling, in aanvulling op die stelling, aangevoerd dat de gewijzigde berekening van de constructeur [naam contructeur] als uitgangspunt is gaan gelden voor de aannemingsovereenkomst, zónder dat het werk zoals vermeld in die overeenkomst (zoals verlijmen, 14 cm isolatie e.d.) is gewijzigd, aldus [eisers] op de mondelinge behandeling, proces-verbaal, p. 3 , en bij brief van 2 oktober 2024.

[eisers] stellen eveneens dat het dak door de wijze van niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bepalingen Vakrichtlijn Gesloten Dakbedekkings-systemen (deel A) en het verwerkingsvoorschrift van de leverancier c.q. de fabrikant. Ingevolge die geldende regels moet, naar de stelling van [eisers] , een dakconstructie met isolatie altijd een dampremmende laag bevatten en [gedaagde 1] heeft die laag niet aangebracht.

[eisers] vorderen niet langer nakoming van de aannemingsovereenkomst, maar vervangende schadevergoeding. Zij hebben bij dagvaarding de verbintenis van [gedaagde 1] tot nakoming omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, aldus [eisers] De schade die moet worden vergoed omvat naar de stelling van [eisers] de (kosten)posten: tijdelijk dakwerk € 11.798,71, vervanging dakwerk € 71.933,29, montage zonnepanelen € 4.561,70, schilder-/stucwerk € 7.313,53, expertisekosten € 774,40, incassokosten € 3 .831,14 en wettelijke rente p.m.

Gelet op al het bovenstaande vorderen [eisers] – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I.

primair:

gedaagde zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen een bedrag van € 100.212,77, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening,

subsidiair:

gedaagde zal veroordelen tot betaling aan [eisers] van de door hen geleden schade naar aanleiding van de door gedaagde gepleegde wanprestatie, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening,

II.

gedaagde zal veroordelen tot betaling van de proceskosten.

[gedaagde 1] betwist de vorderingen van [eisers] en concludeert tot afwijzing daarvan.

[gedaagde 1] betwist dat sprake is van een rechtsgeldige omzettingsverklaring, nu het gestelde verzuim nimmer is ingetreden en een schriftelijke mededeling van [eisers] als bedoeld in artikel 6:87 lid 1 BW ontbreekt.

[gedaagde 1] betwist voorts dat de door [gedaagde 2] gerealiseerde dakbedekking gebrekkig is en voert aan dat de twee (in oktober en december 2021) door [eisers] gemelde lekkages effectief door [gedaagde 2] zijn hersteld. [gedaagde 1] betwist ook dat er na 2021 nog sprake zou zijn geweest van lekkages die haar oorzaak vinden in het door [gedaagde 2] uitgevoerde werk. Hij voert voorts aan dat, mocht er nog sprake zijn geweest van lekkages nadien, [eisers] niet aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft voldaan.

[gedaagde 1] voert verder aan dat een dampremmende laag niet is overeengekomen en dat die laag ook niet noodzakelijk is voor een goede werking van de dakconstructie. Oorspronkelijk is overeengekomen dat op het dak een kanaalplaatvloer van 26 cm dik zou worden aangebracht en dat daarop 5 cm beton zou worden gestort. Daarbij is gekozen voor C20/25 beton en dit beton vereist niet een dampremmende laag. Met [eisers] was afgesproken dat er over dit beton een cementdekvloer onder afschot zou worden aangebracht en dat daarop 14 cm isolatie met dubbellaagse dakbedekking geplaatst zou worden. Op het moment dat de kanaalplaatvloer moest worden aangebracht werd echter duidelijk dat het totale gewicht te zwaar zou zijn voor de constructie van de ruwbouw. De constructeur heeft dit ook bevestigd, aldus [gedaagde 1] (randnr. 22 cva). Met inachtneming van de herberekening van de constructeur is, in overleg met [eisers] , besloten om afschotisolatie aan te brengen. De afschotisolatie kon niet (zoals bij een cementdekvloer wel mogelijk was) worden verlijmd op het dak, maar diende mechanisch met lange pluggen en schroeven te worden bevestigd (randnr. 25 cva). In opdracht van [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] het betreffende werk naar behoren uitgevoerd. [gedaagde 1] benadrukt dat ook bij deze wijziging een dampremmende laag niet noodzakelijk is. Een dergelijke laag zou bovendien haar dampremmende werking hebben verloren vanwege de vele gaten door de mechanische bevestiging van de afschotisolatie, aldus [gedaagde 1] (randnr. 24 cva). [gedaagde 1] betwist eveneens dat uit hoofde van het Bouwbesluit en NEN-norm 2778 een dampremmende laag vereist zou zijn.

[gedaagde 1] betwist tenslotte ook de omvang van de gestelde schade.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in de hoofdzaak

kwalificatie van de tussen partijen gesloten overeenkomst?

[eisers] hebben aangevoerd dat sprake is van een gemengde overeenkomst, waarop de regels van aanneming van werk (artikel 7:750 BW e.v.) en van (consumenten)koop (artikel 7:1 BW e.v.) naast elkaar van toepassing zijn. De rechtbank volgt [eisers] niet in die stellingname. Of sprake is van een gemengde overeenkomst die binnen het bereik van artikel 7:5 lid 4 BW valt, hangt volgens de wetsgeschiedenis af van de concrete omstandigheden. Voor de kwalificatie van de overeenkomst is de aard van de prestatie doorslaggevend. Uit de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde 1] blijkt voldoende dat de nadruk, in ieder geval in overwegende mate, ligt op het tot stand brengen van een werk: namelijk het realiseren van dakbedekking op het dak van een woning. Het enkele feit dat er (standaard)materialen bij de uitvoering en ter realisering van het werk nodig zijn, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een overeenkomst, waarop artikel 7:5 lid 4 BW van toepassing is. De opvatting dat elke overeenkomst van aanneming van werk waarbinnen goederen worden geleverd onder dit artikel valt, zou leiden tot het ongerijmde resultaat dat vrijwel alle overeenkomsten van aanneming van werk zijn te vatten onder de werkingssfeer van artikel 7:5 lid 4 BW. Het is namelijk niet goed denkbaar dat aanneemwerkzaamheden verricht worden, zonder dat daarbij ook (standaard)materialen worden geleverd. De levering van de voor de uitvoering van de werkzaamheden aan het dak benodigde materialen betreft ook niet de kern van de prestatie. De slotsom is dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk niet mede als een consumentenkoop kan worden gekwalificeerd.

verzuim en omzettingsverklaring?

[eisers] , die stellen dat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen, vorderen niet meer langer nakoming, maar een vervangende schadevergoeding. Volgens [eisers] hebben zij bij de dagvaarding van 12 juni 2023 de verbintenis tot nakoming omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [gedaagde 1] betwist op zijn beurt dat het verzuim is ingetreden en dat sprake is van een rechtens relevante omzettingsverklaring.

De rechtbank overweegt als volgt. De hoofdregel is dat verzuim intreedt door een ingebrekestelling (artikel 6:82 BW). De ingebrekestelling vindt plaats door het versturen van een (schriftelijke of gerechtelijke) aanmaning waarin een redelijke termijn wordt gesteld om (alsnog) na te komen. De rechtbank is van oordeel dat een ingebrekestelling door [eisers] aan [gedaagde 1] is verzonden. Niet ter discussie staat dat [eisers] [gedaagde 1] bij aangetekende brief van 31 januari 2022 (overgelegd als productie 7 bij dagvaarding) in gebreke hebben gesteld en hebben gesommeerd om binnen 14 dagen na 31 januari 2022 de verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst geheel na te komen. Nakoming zoals door [eisers] gevorderd, is vervolgens uitgebleven. [gedaagde 1] is immers om haar moverende redenen niet akkoord gegaan met (de omvang van) het door [eisers] gevorderde herstel.

Daarmee is [gedaagde 1] in verzuim komen te verkeren.

Op de voet van artikel 6:87 lid 1 BW wordt, voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, de verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk meedeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, voldoende voor de omzetting als bedoeld in die bepaling. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeeld dat een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 lid 1 BW ook besloten kan liggen in de dagvaarding of andere gedingstukken (ECLI:NL:HR:2024:1028). In het licht hiervan is de verklaring van [eisers] in de dagvaarding, zoals verwoord onder randnummer 22 daarvan, voldoende om te kwalificeren als omzettingsverklaring.

schending klachtplicht?

De klachtplicht als bepaald in artikel 6:89 BW is niet (meer) aan de orde. [eisers] hebben op de mondelinge behandeling van 24 september 2024 immers erkend dat na de herstelwerkzaamheden in 2021 geen nieuwe lekkages hebben plaatsgevonden en aangevoerd dat het droog in huis is (p. 4, derde alinea, proces-verbaal mondelinge behandeling). Het beroep van [gedaagde 1] op artikel 6:89 BW wordt dan ook verworpen.

tekortkoming [gedaagde 1] ?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [gedaagde 1] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. Die vraag kan eerst beantwoord worden wanneer de inhoud van de aannemingsovereenkomst vaststaat. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of een op een cementdekvloer onder afschot verlijmd isolatiepakket met een dikte van 14 cm en een dampremmende laag zijn overeengekomen.

[gedaagde 1] heeft in de conclusie van antwoord gemotiveerd aangevoerd en nader toegelicht op de mondelinge behandeling dat de constructeur nog voor de definitieve uitvoering van de werkzaamheden, in verband met de gewijzigde uitvoering van de kanaalplaat van de ruwbouw, een herberekening heeft moeten maken (zie rov. 2.2), die tot een wijziging van de inhoud van de overeenkomst heeft geleid. Gelet op het gewijzigde gewicht van de kanaalplaatvloer was een cementdekvloer onder afschot niet langer mogelijk. Om die reden heeft [gedaagde 1] moeten kiezen voor isolatie onder afschot, die mechanisch bevestigd moet worden. Een dampremmende laag heeft onder die omstandigheden geen nut meer, omdat deze ononderbroken moet blijven. [eisers] hebben bloot gesteld dat weliswaar een herberekening is gemaakt, maar dat die niet geleid heeft tot een wijziging van de inhoud van de aannemingsovereenkomst. De rechtbank neemt, gelet op de blote stelling van [eisers] afgezet tegen de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 1] , als vaststaand aan dat partijen voor een andere wijze van uitvoering hebben gekozen, die ingegeven werd door het hogere gewicht van de kanaalplaatvloer. Dat heeft ervoor gezorgd dat het aanbrengen van een cementdekvloer, waarop een isolatielaag verlijmd had kunnen worden, niet meer mogelijk was en dat een dampremmende laag, als gevolg van de mechanisch aangebrachte isolatie onder afschot, nutteloos werd. In het licht van het vorenoverwogene wordt de inhoud van de aannemingsovereenkomst aldus geacht te zijn gebaseerd op de herberekening van de constructeur. De rechtbank houdt het ervoor dat partijen (onder meer) zijn overeengekomen:

dat niet langer een cementdekvloer onder afschot werd aangebracht;

dat isolatie onder afschot mechanisch bevestigd zou worden op de kanaalplaatvloer;

dat daarover de dakbedekkingslaag zou worden aangebracht; en

dat niet een dampremmende laag zou worden aangebracht.

In de kern begrepen, verschillen partijen van mening over de kwaliteit van de door [gedaagde 1] uitgevoerde werkzaamheden. [eisers] hebben de stelling dat het dak ‘non-conform’ is onder andere onderbouwd met de rapporten van [firmanaam] , doch [gedaagde 1] heeft die rapporten gemotiveerd, met technische argumenten, weersproken. De rechtbank acht daarbij relevant dat [firmanaam] op geen enkel moment bij haar onderzoeken ter plaatse de technische argumenten van [gedaagde 1] (en haar onderaannemer) in haar beoordeling heeft betrokken, althans niet in haar rapporten gemotiveerd heeft aangegeven waarom die argumenten niet zouden opgaan. [gedaagde 1] is ook niet (en haar onderaannemer evenmin) in de gelegenheid gesteld om op de onderzoeken ter plaatse en de rapporten te reageren, ook niet nadat [gedaagde 1] in februari 2022 kennelijk aan [firmanaam] de opdracht had verstrekt om (onder andere) te onderzoeken of zich vocht tussen de onderkant van de isolatie en de betonnen onderconstructie bevindt. [firmanaam] stelt in het rapport van 14 maart 2022 (werkomschrijving dakvlakken 1,2 en 3 , pagina 18) een andere dakbedekkingsconstructie voor, welke volgens [firmanaam] had moeten worden aangebracht, maar [gedaagde 1] heeft daartegen aangevoerd dat een dergelijke (duurdere) dakbedekkingsconstructie niet is overeengekomen. Ook heeft [firmanaam] geoordeeld dat een dampremmende laag zou moeten worden aangebracht, terwijl dit niet door partijen is overeengekomen (zie hiervoor). De rapporten zijn dan ook onvoldoende ter onderbouwing van de door [eisers] gestelde tekortkoming van [gedaagde 1] . Dat geldt te meer nu is vast komen te staan dat zich sinds 2021, na de herstelwerkzaamheden uitgevoerd door de onderaannemer, geen lekkages meer hebben voorgedaan.

[eisers] hebben op de mondelinge behandeling volhard in de stelling dat het dak nog steeds nat is en daardoor gebrekkig is en volledig moet worden vervangen. Zij hebben aangevoerd dat vanuit eigen recente waarneming duidelijk voelbaar op het dak is dat tussen de dakbedekking en de kanaalplatvloer water zit. Gelet hierop, met in achtneming van de omstandigheid dat [firmanaam] bij de fotobijlage van het rapport van 14 maart 2022 heeft laten zien dat – samengevat – begin maart 2022 vocht is waargenomen tussen de isolatie en het dakbedekkingssysteem en in het rapport ook heeft vermeld dat betonnen dakdelen zeer nat zijn, acht de rechtbank voldoende termen aanwezig om [eisers] toe te laten tot nader bewijs van hun stelling dat de dakbedekkingsconstructie gebrekkig is.

In het licht van al het vorenoverwogene zullen [eisers] in de gelegenheid worden gesteld om nader te bewijzen dat de door [gedaagde 1] aangebrachte dakbedekkingsconstructie, met in achtneming van de herberekening van de constructeur en de inhoud van de aannemingsovereenkomst zoals hiervoor weergegeven, niet aan de aannemingsovereenkomst voldoet en daardoor gebrekkig is.

deskundigenbericht

De rechtbank acht het voorshands nodig om daartoe een deskundigenbericht in te winnen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van dakbedekkingsconstructie en bouwkunde, gelet op de gewijzigde herberekening van de constructeur. Een te benoemen deskundige zal de werkzaamheden van [gedaagde 1] (de dakbedekking zoals deze ter plaatse is aangebracht) moeten beoordelen en op grond van zijn onderzoek ter plaatse en zijn eigen constateringen moeten beoordelen of het werk al dan niet correct is uitgevoerd. De te benoemen deskundige moet objectief en zonder voorkennis van de rapporten van [firmanaam] zijn onderzoek verrichten. Die rapporten gaan de inhoud van de aannemingsovereenkomst immers te buiten en mogen, temeer gelet op het tijdsverloop sinds die rapporten, niet door partijen aan de te benoemen deskundige in het kader van zijn onderzoek worden voorgehouden en getoond.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de navolgende vragen aan de te benoemen deskundige dienen te worden voorgelegd:

Zit er op het moment van uw onderzoek aan de dakbedekking vocht tussen de kanaalplaatvloer en de dakbedekkingsconstructie? Zo ja, bij welke dakdelen en wat is de oorzaak ervan? Meer in het bijzonder: is de dakbedekking zoals door [gedaagde 1] (althans haar onderaannemer) aangebracht hieraan debet? Is de dakbedekking zelf gebrekkig of moet de oorzaak worden gezocht in de dakbedekkingsconstructie?

Indien sprake is van vocht onder de dakbedekking, is de waarde ervan dan te hoog in verband met de geldende regelgeving op dit punt? Zo, ja kunt u dit uitleggen en laten zien aan de hand van foto’s in uw rapport en onder verwijzing naar de bewuste regelgeving?

Is – kort gezegd – sprake van een rottend dak? Zo ja, kunt u dit onderbouwen en de eventuele voortgang en ernst van dit probleem aangeven?

Indien sprake is van een vochtprobleem (vocht tussen kanaalplaatvloer en dakbedekking) hoe moet dit dan worden opgelost / hersteld? Wat zijn daarvoor de te verwachten kosten? Gaarne onderbouwen met een berekening, eventueel onderbouwd met offertes.

Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij op wie de bewijslast rust moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eisers] moeten worden betaald.

Voortgang procedure in de hoofdzaak

Gelet op het onder de rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 overwogene zal de zaak, zoals hierna zal worden bepaald, op de rol komen voor het gelijktijdig nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht. In afwachting hiervan zal iedere verdere beslissing in de hoofdzaak worden aangehouden.

5. De procedure in de vrijwaringszaak

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

de dagvaarding van [eiser 2] van 12 oktober 2023 met de producties 1 t/m 5,

de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met de producties 1 t/m 4,

de brief van 29 mei 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 24 september 2024,

de spreekaantekeningen van [eiser 2] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

6. De feiten in de vrijwaringszaak

[eiser 2] als hoofdaannemer en [gedaagde 2] als onderaannemer hebben mondeling een aannemingsovereenkomst gesloten. Het werk betreft – kort gezegd – het door [gedaagde 2] aanbrengen van een dakbedekking op de ruwbouw van het woonhuis van [eisers] (zie hiervoor rov. 2.1).

[gedaagde 2] heeft op 17 december 2020 en op 20 januari 2021 een aanbetalingsfactuur aan [eiser 2] gezonden. Eind januari / begin februari 2021 is [gedaagde 2] begonnen met de werkzaamheden aan het dak. [gedaagde 2] heeft voor de uitgevoerde werkzaamheden, na verrekening met de reeds door [eiser 2] gedane aanbetalingen, nog drie facturen aan [eiser 2] gezonden. De laatste factuur betreft het inbranden van alle daktrimmen en is gedateerd 24 april 2021. Allen facturen zijn inclusief btw en vermelden een betalingstermijn van 14 dagen na de datum van de factuur en een garantie op het product en op waterdichtheid van 10 jaar (productie 1 bij incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring in de hoofdzaak). [gedaagde 2] heeft de werkzaamheden begin mei 2021 beëindigd en het werk opgeleverd aan [eiser 2] . [eiser 2] heeft de facturen voldaan.

[eiser 2] heeft [gedaagde 2] bij brief van 22 april 2022 aansprakelijk gesteld voor de schade aan het dak van [eisers] (productie 4 dv vrijwaring).

Partijen hebben tevergeefs getracht om in onderling overleg tot een definitieve oplossing te komen. Zij hebben op 26 september 2022 over en weer de volgende – hierna geciteerd weergeven – (voorwaardelijke) afspraken gemaakt (productie 5 dv vrijwaring).

Bij een uitspraak waarbij wij in het gelijk gesteld worden.

Bij een eventueel compromie, tussen de partijen, waarbij wel een maximaal

bedrag wordt uitgesproken.

Bij een uitspraak waarbij wij een aantal zaken moeten verbeteren aan het dak

die wel binnen de normen blijft.

De kosten in deze worden dan 50/50 betaald.

7. Het geschil in de vrijwaringszaak

[eiser 2] vordert – samengevat – dat [gedaagde 2] , zo mogelijk gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, wordt veroordeeld om aan [eiser 2] te betalen al hetgeen waartoe [eiser 2] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [gedaagde 2] in de kosten van de vrijwaring.

[gedaagde 2] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

8. De beoordeling in de vrijwaringszaak

In afwachting van de nadere bewijshandeling (deskundigenbericht) in de hoofdzaak zal de vrijwaringszaak worden aangehouden.

Partijen zullen na eindvonnis in de hoofdzaak – indien nodig – in de gelegenheid worden gesteld om een nadere conclusie te nemen, waarin zij kunnen toelichten welke consequenties de beslissing in de hoofdzaak volgens hen heeft voor de vrijwaringszaak.

9. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 maart 2025 voor het gelijktijdig nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de vrijwaringszaak

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?