ECLI:NL:RBLIM:2025:12327

ECLI:NL:RBLIM:2025:12327, Rechtbank Limburg, 10-12-2025, 11316828 \ CV EXPL 24-4812

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 11316828 \ CV EXPL 24-4812
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 20 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002471 BWBR0003954 BWBR0004770 BWBR0005291 BWBR0005537 BWBR0008659 BWBR0009467 BWBR0009709 BWBR0010171 BWBR0011353 BWBR0011558 BWBR0012066 BWBR0024796 BWBR0030883 BWBR0035474 BWBR0039471 BWBR0039480 BWBR0040698 BWBR0045528 BWBR0045726 BWBR0046320 BWBR0046957 BWBR0047530 BWBR0048657 BWBR0051690 BWBR0051807 BWBR0051928 BWBR0051929 BWBR0051933 BWBR0051935

Samenvatting

Bijzondere overeenkomst; koop en ruil; consumentenkoop

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 11316828 \ CV EXPL 24-4812

Vonnis van 10 december 2025

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] , h.o.d.n. [handelsnaam],

in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [naam onderbewindgestelde] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.G. van Ek,

tegen

1. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , 2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] ,

beiden te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

gemachtigde: mr. V.C.C. Luijten.

Partijen worden hierna [naam onderbewindgestelde] , [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] genoemd. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie, worden gezamenlijk [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] genoemd.

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 mei 2025 (hierna: het tussenvonnis)- de akte uitlaten van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , met productie 28- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 10 september 2025

- de conclusie na getuigenverhoor van [naam onderbewindgestelde]

- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , met producties 29 tot en met 31

- de rolbeslissing van 15 oktober 2025.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

Bewijsopdracht [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

De kantonrechter heeft [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in het tussenvonnis toegelaten tot bewijslevering van de stelling dat partijen, in het bijzijn van [getuige] (hierna: [getuige] ), op enig moment gedurende het verblijf van [naam onderbewindgestelde] in het pand aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) hebben afgesproken om de maandelijkse bijdrage dan wel huur die [naam onderbewindgestelde] [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verschuldigd was te verhogen naar een bedrag van

€ 700,00 of € 750,00.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben bewijs geleverd via getuigenbewijs en schriftelijk bewijs. Zij hebben in enquête [getuige] gehoord.

[getuige] heeft als getuige – zakelijk samengevat – verklaard dat in 2022 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam onderbewindgestelde] , waar hij ook bij aanwezig was. [getuige] was daar als goede kennis van [naam onderbewindgestelde] . Zijn rol bij het gesprek was om te bemiddelen, aangezien [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam onderbewindgestelde] niet meer in staat waren om op een normale manier met elkaar te praten en [getuige] (destijds advocaat, inmiddels gepensioneerd) verstand heeft van conflicten. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] meende dat de € 350,00, die [naam onderbewindgestelde] toen maandelijks aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] betaalde als bijdrage voor zijn verblijf in het gehuurde, te laag was en de maandelijkse kosten die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] maakte ten behoeve van [naam onderbewindgestelde] niet dekte. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] wenste voornoemde bijdrage daarom te verhogen. [naam onderbewindgestelde] meende dat het gehuurde niet voldeed. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] was daar voortdurend aan het werk in de kelder, het gehuurde werd met een houtkachel verwarmd in plaats van een centrale verwarming, de tuin was geen tuin en de keuken verkeerde in een erbarmelijke staat. [getuige] begreep de standpunten van beide heren en deed tijdens het gesprek de suggestie om de maandelijkse bijdrage dan wel huur die [naam onderbewindgestelde] [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verschuldigd was te verdubbelen naar

€ 700,00, mits de nodige herstellingen plaats zouden vinden in het gehuurde en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ook zijn werkzaamheden die daar plaatsvonden, zou staken. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] kon zich vinden in dat voorstel. [naam onderbewindgestelde] ging er niet mee akkoord. [naam onderbewindgestelde] zei wel “doe maar, doe maar”, althans woorden van gelijke strekking. [getuige] liet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] weten dat hij na het gesprek [naam onderbewindgestelde] positief zou adviseren om het voorstel dat [getuige] had ingebracht te accepteren. Omdat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] geen huurovereenkomst wenste, zou een brief worden opgemaakt, waarin [naam onderbewindgestelde] akkoord zou gaan met de verhoging van de maandelijkse bijdrage naar

€ 700,00. Nadat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] was vertrokken, heeft [getuige] nog ongeveer een halfuur gesproken met [naam onderbewindgestelde] over de voorgestelde verhoging. [naam onderbewindgestelde] liet [getuige] toen weten dat hij niet akkoord was met het voorstel. Omdat de sfeer geladen was, besloot [getuige] het even te laten rusten. Nadien heeft [getuige] samen met [naam] , een goede vriend van [naam onderbewindgestelde] die tevens voor [naam onderbewindgestelde] zorgt, een traject ingezet via een sociale dienst in Nederland om zodoende te voorzien in onderdak, voedsel en zorg voor [naam onderbewindgestelde] , wiens gezondheids-toestand verslechterde. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft nooit formele stappen gezet om de suggestie van [getuige] , die was ingebracht tijdens het gezamenlijke gesprek in 2022, tot een akkoord te brengen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft [getuige] wel meermaals gebeld, maar telkens op momenten dat het [getuige] niet uitkwam. [getuige] had bovendien zijn focus verlegd naar het vinden van een oplossing voor [naam onderbewindgestelde] via de sociale voorzieningen in Nederland en heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] een beetje afgescheept. Ook op de e-mail van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] van 4 maart 2023 heeft [getuige] niet meer gereageerd. De verwijzing naar 21 januari in die e-mail zegt [getuige] niets.

Bewijswaardering

De getuigenverklaring van [getuige] , al dan niet in samenhang bezien met de ingebrachte e-mail van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] van 4 maart 2023, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te kunnen voldoen aan de bewijsopdracht.

Vaststaat dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam onderbewindgestelde] elkaar in 2022 hebben gesproken, in het bijzijn van [getuige] . Eveneens staat vast dat bij die gelegenheid is gesproken over het eventueel verhogen van de maandelijks bijdrage ad € 350,00 die [naam onderbewindgestelde] toentertijd aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verschuldigd was voor zijn verblijf in het gehuurde. De opvattingen van partijen lopen uiteen wat betreft de vraag of tijdens dat gesprek een mondelinge afspraak tot stand is gekomen tussen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] en [naam onderbewindgestelde] , die inhield dat voornoemde maandelijkse bijdrage zou worden verhoogd naar € 700,00.

De kantonrechter stelt voorop dat het in een dergelijk geval volgens vaste rechtspraak steeds aankomt op wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen (wil) hebben mogen afleiden en op wat partijen op die grond aan rechtsgevolgen kan worden toegerekend. Gelet op deze maatstaf, is niet komen vast te staan dat tijdens het gesprek in 2022 tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam onderbewindgestelde] enige mondelinge afspraak tot stand is gekomen aangaande de door [naam onderbewindgestelde] aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verschuldigde maandelijkse bijdrage voor zijn verblijf in het gehuurde. Dat [naam onderbewindgestelde] toen “doe maar, doe maar” heeft gezegd, althans woorden van gelijke strekking, maakt nog niet dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] hieruit redelijkerwijs heeft mogen afleiden althans erop heeft mogen vertrouwen dat [naam onderbewindgestelde] ook akkoord was met de door [getuige] voorgestelde verdubbeling van zijn maandelijkse bijdrage. Daarbij is het volgende van belang.

[getuige] heeft verklaard dat [naam onderbewindgestelde] niet akkoord ging met de door [getuige] voorgestelde verhoging van de maandelijkse bijdrage, dat [naam onderbewindgestelde] zich gedurende het gesprek nergens iets van aantrok, dat [naam onderbewindgestelde] geestelijk niet aanwezig was bij dat gesprek en dat [naam onderbewindgestelde] toen bovendien boos was. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] stellen – zo begrijpt de kantonrechter – dat de woorden “doe maar, doe maar” van [naam onderbewindgestelde] meer gewicht toekomt, aangezien [getuige] , als oud-advocaat, [naam onderbewindgestelde] destijds bijstond. De kantonrechter volgt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet in die opvatting. [getuige] heeft immers in zijn verklaring benadrukt dat hij tijdens het gesprek in 2022 slechts optrad als bemiddelaar. Dat ook [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] de rol van [getuige] destijds zo heeft begrepen, blijkt bovendien uit zijn e-mail van 4 maart 2023, waarin [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] schrijft dat [getuige] voor [naam onderbewindgestelde] én hem de kwestie zou behartigen, die onderwerp was van het gesprek dat had plaatsgevonden tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , [naam onderbewindgestelde] en [getuige] . De uitlating “doe maar, doe maar” van [naam onderbewindgestelde] moet derhalve worden beoordeeld in het licht van de ( [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ook kenbare) geestelijke en emotionele gesteldheid van [naam onderbewindgestelde] ten tijde van die uitlating. Alsdan kunnen de woorden “doe maar, doe maar” niet zonder meer worden begrepen als uiting van de wil van [naam onderbewindgestelde] om het voorstel van [getuige] te accepteren.

Uit zowel de verklaring van [getuige] , als de e-mail van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] van 4 maart 2023, blijkt verder dat partijen ná het gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , [naam onderbewindgestelde] en [getuige] akkoord dienden te gaan met de verhoging van de maandelijkse bijdrage van [naam onderbewindgestelde] . [getuige] heeft immers verklaard dat hij [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] liet weten dat hij [naam onderbewindgestelde] nog positief zou adviseren om het voorstel dat [getuige] had ingebracht te accepteren. Daarna zou pas sprake zijn van een akkoord tussen partijen op dat punt en zou deze afspraak ook schriftelijk worden vastgelegd. Zover is het echter nooit gekomen, aangezien [naam onderbewindgestelde] nooit akkoord is gegaan met de suggestie van [getuige] . Ook dit lijkt de e-mail van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] van 4 maart 2023 te onderschrijven. In deze omstandigheden ligt dus eveneens een contra-indicatie besloten met betrekking tot de stelling van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam onderbewindgestelde] in 2022 mondeling zijn overeengekomen om de bijdrage van [naam onderbewindgestelde] te verhogen.

Het standpunt van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] dat in het najaar van 2022 tussen partijen een maandelijks bijdrage van € 700,00 is overeengekomen, zodat als ingangsdatum voor die nieuwe afspraak in ieder geval 1 januari 2023 gehanteerd kan worden, vindt daarnaast evenmin steun in het door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] opgestelde en ingebrachte overzicht van de betalingen die zij van [naam onderbewindgestelde] hebben ontvangen. In dit overzicht wordt het bedrag van

€ 700,00 nergens genoemd en wordt als maandelijkse bijdrage in de periode medio 2022 tot aan het vertrek van [naam onderbewindgestelde] uit het gehuurde het bedrag van € 475,00 gehanteerd. Kennelijk gingen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ervan uit – in ieder geval ten tijde van het opmaken van dit overzicht, naar eigen zeggen na het vertrek van [naam onderbewindgestelde] uit het gehuurde – dat [naam onderbewindgestelde] hen vanaf medio 2022 een maandelijkse bijdrage van € 475,00 verschuldigd was, niet € 700,00. Dat is des te meer zo, nu in het overzicht bij enkele van de door [naam onderbewindgestelde] voldane maandbedragen de toelichting “eigenhandig verlaagd zonder overleg” staat, terwijl een dergelijke toelichting ontbreekt bij de bedragen ad € 475,00, zoals door [naam onderbewindgestelde] voldaan in de periode medio 2022 tot aan zijn vertrek uit het gehuurde begin 2024.

Andere bewijsmiddelen die de opvatting van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ten aanzien van de door hen gestelde mondelinge afspraak ondersteunen of de verklaring van [getuige] ontkrachten, ontbreken. Mede in acht nemende al hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat partijen op enig moment gedurende het verblijf van [naam onderbewindgestelde] in het gehuurde – in het bijzijn van [getuige] – hebben afgesproken om de maandelijkse bijdrage dan wel huur van [naam onderbewindgestelde] te verhogen naar € 700,00 of € 750,00 per maand.

Slotsom

Nu het bewijs niet is geleverd, vervalt daarmee de grondslag voor de vordering van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in reconventie tot betaling van het resterende bedrag aan daadwerkelijke maandelijkse lasten en/of daadwerkelijke kosten ad € 18.852,16. Die vordering wordt dan ook afgewezen. Eenzelfde lot treft het beroep van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in conventie op verrekening, waardoor de vordering van [naam onderbewindgestelde] in conventie tot terugbetaling van de lening ad € 20.000,00 wordt toegewezen. De vordering in conventie tot een hoofdelijke veroordeling is daarbij, nu daartegen geen verweer is gevoerd, eveneens toewijsbaar.

De kantonrechter volhardt voor het overige bij hetgeen is overwogen bij tussenvonnis, meer specifiek ten aanzien van de vorderingen in reconventie van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] ten aanzien van: de schadevergoeding vanwege ondeugdelijke oplevering van het gehuurde; de schadevergoeding vanwege schade aan de inboedel; en de verwijdering van het alarmsysteem en de rookgranaat van Verisure uit het gehuurde.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam onderbewindgestelde] dat heeft gevorderd en hij er belang bij heeft dat de geldlening ad € 20.000,00 spoedig en volledig aan hem wordt terugbetaald. Het vonnis mag dus meteen ten uitvoer worden gelegd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

Proceskosten

Partijen zijn familie van elkaar, zodat er voldoende aanleiding bestaat om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hoofdelijk – des dat de een betaalt, de ander zal zijn gekweten – om aan [naam onderbewindgestelde] te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 11 september 2024 tot de dag van volledige betaling,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart onderdeel 3.1. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Trifunović en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?